Beschikking van 7 oktober 2025 Behorend bij E.J. nr. AUA202500884 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de zaak van: [Verzoeker], te Aruba, verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker], gemachtigden: de advocaten mrs. D.G. Croes en D.L. Emerencia, tegen: de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SECRETARIAT CORPORATION V.B.A. h.o.d.n. CURA CABAI GAS STATION, te Aruba, verweerster, hierna te noemen: CCGS, gemachtigde: de advocaat mr. S.O.R.’G. Faarup. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties; - het verweerschrift met producties; - de akte aanvulling/wijziging feiten en petitum met producties; - de nader toegezonden producties 10 tot en met 13 (houdende geluid- en beeldmateriaal) zijdens CCGS; - de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van dinsdag 19 augustus
- 1.2 Ter zitting zijn verschenen: [Verzoeker] bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Emerencia voornoemd en CCGS bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door de heer [leidinggevende CCGS]; (leidinggevende bij CCGS). Partijen hebben bij wijze van re- en dupliek het woord gevoerd - mede aan de hand van door hen overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. 1.3 Beschikking is nader bepaald op heden. 2DE FEITEN 2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen. 2.2 [ Verzoeker] is op 10 december 2022 in dienst getreden van het CCGS, laatstelijk in de functie van pompbediende tegen een bruto maandelijks loon van Afl. 1.986,
- 2.3 Op 30 september 2024 is [verzoeker] door CCGS opgeroepen om een gesprek met hem te voeren. Na het gesprek liep [verzoeker] naar zijn auto. Voordat [verzoeker] in zijn auto stapte, heeft hij uit frustratie een glazen fles tegen een muur gegooid. Daarna is [verzoeker] weggereden. 2.4 Op 8 januari 2025 heeft CCGS, op verzoek van [verzoeker], een bijstandsformulier voor hem ingevuld, waarin wordt vermeld: “(…). Indien niet meer in dienst datum ontslag: heeft zichzelf ontslagen en 30 september 2024 (walk-out) (…) Reden van ontslag: heeft zichzelf ontslagen 30 september 2024 (walk-out). (…)”. 3HET GESCHIL 3.1 Naast verlof tot kosteloos procederen verzoekt [verzoeker] – na vermeerdering van zijn verzoek – dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: i. voor recht verklaart dat het aan [verzoeker] door CCGS op 1 oktober 2024 gegeven ontslag nietig is; ii. CCGS veroordeelt om [verzoeker] weder te werk te stellen in de functie en onder de arbeidsvoorwaarden die voorheen golden; iii. CCGS veroordeelt om tegen kwijting aan [verzoeker] zijn loon door te betalen vanaf 1 oktober 2024, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, althans door het Gerecht in goede justitie vast te stellen percentage, en voorts te vermeerderen met wettelijke rente over het netto loonbedrag vanaf de contractuele betaaldag tot aan de dag der algehele voldoening; iv. CCGS veroordeelt in de kosten van de procedure. 3.2 CCGS voert verweer en concludeert dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte, althans tot afwijzing daarvan. In het geval van toewijzing van het door [verzoeker] verzochte, concludeert CCGS dat zijn loonvordering gematigd dient te worden tot nihil. 3.3 Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken. 4DE BEOORDELING 4.1 Uit het daartoe overgelegde bevoegdelijk afgegeven bewijs van onvermogen blijkt dat [verzoeker] niet in staat is om de kosten van deze procedure te dragen. Aan hem zal daarom verlof worden verleend tot kosteloos procederen. 4.2 Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die meebrengen dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van CCGS wordt daarom verworpen. 4.3 Centraal in dit geschil staat onder meer de vraag of [verzoeker] op staande voet is ontslagen of dat hij ontslag heeft genomen. 4.4 Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij op staande voet is ontslagen heeft [verzoeker] het volgende gesteld. Op 1 oktober 2024 om 6:00 uur is [verzoeker] op het werk verschenen om zijn werkzaamheden te verrichten. Bij aankomst is hem, door een medewerkster van CCGS, medegedeeld dat er geen werk meer voor hem was, aangezien zijn functie inmiddels door een ander was overgenomen. Daarnaast is aan hem meegedeeld dat zijn toegang tot het terrein van CCGS is geweigerd en dat hij de 'grote baas', te weten [directeur CCGS], moet bellen om te kijken of hij zijn werk kan terugkrijgen. 4.5 CCGS heeft betwist dat zij [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen. In dit kader heeft CCGS gesteld dat [verzoeker] op 1 oktober 2024 om 6.00 uur niet op het werk is verschenen en dat hij evenmin contact heeft opgenomen met een leidinggevende die hem de toegang tot het terrein of zijn werkzaamheden zou hebben geweigerd. Gelet op het gedrag van [verzoeker] op 30 september 2024 en het feit dat [verzoeker] op 1 oktober 2024 niet op het werk is verschenen, heeft CCGS de houding van [verzoeker] opgevat als een ontslagname. Daarnaast stelt CCGS een telefoongesprek met [verzoeker] te hebben gevoerd, waarin hem werd gevraagd waarom hij zelf ontslag had genomen. [Verzoeker] heeft tijdens het telefoongesprek bevestigd dat hij niet meer zou terugkeren, aldus CCGS. 4.6 Aan de orde is de vraag of het gedrag van [verzoeker] aangemerkt dient te worden als een ontslagname, zoals bevrijdend gesteld door CCGS en bestreden door [verzoeker]. Te dien aanzien wordt het volgende overwogen. 4.7 Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat een werkgever niet te snel mag aannemen dat een werknemer ontslag heeft genomen, mede gelet op de verstrekkende gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor de werknemer kan hebben. Dit betekent dat de wilsverklaring van de werknemer duidelijk en ondubbelzinnig op beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gericht en dat op de werkgever de plicht rust om te onderzoeken of de werknemer het ontslag daadwerkelijk heeft gewild. Wanneer de werkgever de verklaring van de werknemer heeft mogen opvatten als een beëindiging, komt de werknemer geen beroep toe op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil (artikel 3:35 BW). Bij schending van de onderzoeksplicht wordt de werkgever niet beschermd door artikel 3:35 BW. In dat geval is geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in voornoemd artikel. 4.8 Het Gerecht stelt voorop, anders dan CCGS meent, dat uit het gedrag van [verzoeker] niet blijkt van een ondubbelzinnige wilsuiting van zijn kant die gericht was op de beëindiging van het dienstverband met CCGS. Het feit dat [verzoeker] niet is verschenen op het werk en verder geen contact heeft opgenomen met CCGS, brengt zonder meer niet met zich dat CCGS er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij op enig moment ontslag had genomen of heeft ingestemd met de beëindiging van het dienstverband. Dit temeer omdat vast staat dat [verzoeker] op 30 september 2024, na te hebben gesproken met een medewerkster van CCGS, uit frustratie een glazen fles tegen een muur heeft gegooid. Hoewel [verzoeker] op 9 januari 2025 in een voicememo heeft verklaard dat CCGS in een formulier kan opnemen dat hij zelf ontslag heeft genomen, met het doel in aanmerking te komen voor een uitkering, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat CCGS zich ervan heeft vergewist dat [verzoeker], ten aanzien van wie onbestreden is gesteld dat zijn verstandelijke vermogens beperkt zijn, daadwerkelijk de intentie had om ontslag te nemen en zich bewust was van de gevolgen hiervan. Dit één en ander leidt tot de conclusie dat niet komt vast te staan dat [verzoeker] zelf ontslag heeft genomen. 4.9 Op grond van vorenstaande in verbinding met de omstandigheid dat CCGS naar eigen zeggen [verzoeker] niet op staande voet heeft ontslagen, luidt de slotsom dat aan het dienstverband van [verzoeker] bij CCGS geen einde is gekomen maar dat dit dienstverband onverkort voortduurt. Bij die stand van zaken moeten de hiervoor onder i. en ii. omschreven vorderingen van [verzoeker] worden afgewezen. 4.10 De hiervoor onder iii. omschreven loonvordering van [verzoeker] zal in beginsel worden toewezen. De omstandigheid dat [verzoeker] sinds 1 oktober 2024 geen werkzaamheden heeft verricht voor CCGS is geheel aan haar te wijten, en komt en blijft voor haar rekening en risico. 4.11 [ Verzoeker] heeft er echter voor gekozen om eerst op 28 maart 2025 deze zaak aanhangig te maken terwijl hij dacht dat hij op 1 oktober 2024 op staande voet was ontslagen door CCGS. Het had naar het oordeel van het Gerecht in dat verband op de weg van [verzoeker] gelegen om binnen drie maanden na die laatst vermelde datum deze procedure te beginnen. In het nalaten daarvan ziet het Gerecht grond of aanleiding om de loonvordering van [verzoeker] in tijd te matigen, in die zin dat CCGS over de periode vanaf 1 oktober 2024 tot en met 28 maart 2025 geen loon verschuldigd is aan [verzoeker]. In zoverre slaagt het beroep op matiging van CCGS. De wettelijke verhoging over achterstallig loon zal ambts- en billijkheidshalve gematigd worden vastgesteld op telkens maximaal 15%. De door [verzoeker] gevorderde wettelijke rente over achterstallig loon zal, als zijnde onbestreden, worden toegewezen als na te melden. 4.12 CCGS zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verzoeker], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan (aan de griffier van dit Gerecht te betalen) verschotten pro deo (griffierecht) en Afl. 2.500,-- aan (niet aan de griffier van dit Gerecht te betalen) salaris voor de gemachtigde pro deo (2 punten, tarief 5). 5DE UITSPRAAK Het Gerecht: 5.1 veroordeelt CCGS om tegen kwijting aan [verzoeker] (door) te betalen zijn loon vanaf 29 maart 2025 totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze is beëindigd, achterstallig loon te vermeerderen met
(1)de gematigd vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 15% en
(2)met wettelijke rente over het netto loonbedrag telkens vanaf de contractuele betaaldag tot aan de dag der algehele voldoening; 5.2 veroordeelt CCGS in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verzoeker], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan (aan de griffier van dit Gerecht te betalen) verschotten pro deo (griffierecht) en Afl. 2.500,-- aan (niet aan de griffier van dit Gerecht te betalen) salaris voor de gemachtigde pro deo; 5.3 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.4 verleent [verzoeker] verlof tot kosteloos procederen; 5.5 wijst af het meer of anders door [verzoeker] verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025 in aanwezigheid van de griffier.