ECLI:NL:OGEABES:2018:52
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Burgerlijke zaken over 2017 Registratienummer: BON201800500 Datum uitspraak: 11 september 2018 VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van [eiser], wonend te Zuid-Afrika, eiser, gemachtigde: mr. M.D. van den Brink, tegen 1. [gedaagde sub 1], wonend te Spanje, gedaagde sub 1,gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters, 2. [ [gedaagde sub 2], wonend te Bonaire, gedaagde sub 2, verder te noemen: de notaris, in persoon.
Het procesverloop 1. Het procesverloop blijkt uit: het vonnis in het incident van 10 september 2018; de producties 1 tot en met 5 van [gedaagde sub 1], ingekomen op 10 september 2018.
De feiten 4. [ [eiser] en [gedaagde sub 1] zijn gezamenlijk, ieder voor een onverdeelde helft, eigenaar van het recht van erfpacht (tot 22 april 2040) op een perceel grond gelegen te [plaats], kadastraal [kadastraal nummer], groot 1.422 m2 met daarop een woning, plaatselijk bekend als [adres] (verder te noemen: het perceel).
De vordering 10. [eiser] vordert, samengevat: primair:
I. [gedaagde sub 1] te bevelen de inschrijving van het executoriale beslag door te halen althans op te heffen en hem te verbieden het verstekvonnis van 25 oktober 2017 ten uitvoer te leggen; subsidiair:
II. de executie van het verstekvonnis te schorsen, althans [gedaagde sub 1] te bevelen die executie te staken en gestaakt te houden totdat dit gerecht in de verzetzaak dan wel een bodemprocedure zal hebben beoordeeld of hij wel een vordering op [eiser] heeft; meer subsidiair:
III. te bepalen dat [gedaagde sub 1] het verstekvonnis slechts mag executeren door de verdeling van de tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] bestaande gemeenschap ter zake het perceel te verzoeken;
IV. te bepalen dat [gedaagde sub 1] het verstekvonnis slechts mag executeren en dat de notaris slechts aan die executie mag meewerken, onder de voorwaarde dat de inzetprijs wordt bepaald op US$ 150.000 en dat het perceel niet onder die inzetprijs mag worden verkocht;
V. te bepalen dat [gedaagde sub 1] het verstekvonnis slechts mag executeren na het stellen van zekerheid voor een bedrag van US$ 150.000.
De beoordeling 12. Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van de vordering, die is gericht op het voorkomen van de executieverkoop op 11 september 2018 dan wel van een executieveiling met deze inzetprijs.
Uit de tekst van art. 517 Rv BES gelezen in samenhang met art. 504 en art. 514 Rv BES vloeit voort dat een proces-verbaal van beslaglegging waarin geen woonplaats is gekozen ten kantore van de notaris nietig is. Hierbij dient echter wel, zoals [gedaagde sub 1] terecht heeft opgemerkt, te worden beoordeeld of [eiser] onredelijk in zijn belangen is geschaad. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid wie de veilingnotaris is, zodat het voor [eiser] duidelijk was tot welke notaris hij zich diende te wenden. Verder heeft [gedaagde sub 1] in het exploot waarin de executieveiling is aangezegd wel woonplaats gekozen ten kantore van de notaris. Bovendien heeft [eiser] niet gesteld dat hij door het ontbreken van de woonplaatskeuze ten kantore van de notaris in het proces-verbaal van beslaglegging in zijn belangen is geschaad. Dit alles leidt het gerecht tot het oordeel dat het proces-verbaal van beslaglegging niet nietig is.
De inzetprijs zal echter om een aantal redenen hoger moeten liggen, aangezien het gerecht met de notaris van oordeel is dat bij de bepaling van de inzetprijs ook rekening dient te worden gehouden met de belangen van [eiser] bij een zo groot mogelijke opbrengst. [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat bij een executieveiling de marktwerking is gewaarborgd, en dat aldus met die belangen van [gedaagde sub 1] is rekening gehouden, maar het gerecht acht het geen vanzelfsprekende zaak dat in een zo kleinschalige omgeving als Bonaire de effecten van een volwaardige marktwerking verzekerd zijn, zeker als het gaat om de openbare verkoop van een incourant item als de onverdeelde helft van een perceel. [gedaagde sub 1] heeft een taxatierapport van 16 augustus 2018 overgelegd, waarin de marktwaarde van het perceel wordt getaxeerd op US$ 195.000 en de executiewaarde op US$ 166.000 en in verhuurde staat op US$ 176.000 respectievelijk US$ 150.000. Deze laatste waarde is (zij het wat de notaris betreft contrecoeur) het uitgangspunt geweest bij de bepaling van de inzetprijs.
In de eerste plaats dient de verhuur van de woning op het perceel niet onverkort tot een toepassing van de waarde in verhuurde staat te leiden, nu de huurders op grond van de huurovereenkomst de woning bij verkoop binnen drie maanden dienen te verlaten (en zij daarvoor een aanzienlijke korting op de huurprijs hebben gekregen).
Daarnaast dient met terughoudendheid met het taxatierapport rekening te worden gehouden, aangezien het perceel enkel vanaf de straatkant en vanuit de lucht is bekeken, de woning niet door de taxateur is betreden en het rapport mede opgesteld aan de hand van een taxatierapport van Taxabon uit 2011.
Voorts staat als niet betwist vast dat de marktwaarde van het perceel in 2011 door Harbourtown Real Estate is geschat op US$ 359.000 en dat in het algemeen de waardes van het onroerend goed op Bonaire sindsdien zijn gestegen. Een recente, en betrouwbare, taxatie is door [eiser] evenwel niet overgelegd en uit de stukken wordt ook aannemelijk dat er sprake is van een matige staat van onderhoud.
Er bestaan derhalve weinig betrouwbare aanknopingspunten voor een waardebepaling, maar dit alles vormt voor het gerecht wel aanleiding de minimale waarde van het (volledige) perceel te schatten op een zodanig niveau dat de inzetprijs minimaal US$ 95.000 moet worden. Het gerecht zal dienovereenkomstig beslissen. Voor de gevorderde dwangsom bestaat geen aanleiding, nu de notaris voor naleving van dit vonnis zal zorgen.
De beslissing Het gerecht: in de hoofdzaak 1. bepaalt dat [gedaagde sub 1] het verstekvonnis van 25 oktober 2017 slechts mag executeren en dat de notaris slechts aan die executie mag meewerken, als de inzetprijs wordt bepaald op minimaal US$ 95.000, en het perceel niet onder die inzetprijs wordt verkocht, 2. wijst het meer of anders verzochte af, 3. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] begroot op een bedrag van US$ 559 aan gemachtigdensalaris en aan de zijde van de notaris begroot op nihil, in het incident 4. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op US$ 559 aan gemachtigdensalaris, in de hoofdzaak en het incident 5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.