Parketnummer: 400.00026/18 Uitspraak: 6 juni 2019 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [VERDACHTE], geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats], wonende op [woonplaats], [adres]. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018, 4 mei 2018, 9 augustus 2018 en 16 mei 2019. Bij de eerste en tweede zitting is de verdachte telkens niet verschenen. De verdachte is op de derde en vierde (inhoudelijke) zitting wel verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire. De officier van justitie, mr. M.A. Boheur, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde een werkstraf voor de duur van 40 uren, met dien verstande dat die werkzaamheden binnen 3 maanden na het ingaan van de proeftijd dienen te zijn aangevangen en binnen 6 maanden na die aanvang dienen te zijn voltooid. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Tevens is een strafmaatverweer gevoerd. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd: 1.dat hij op of omstreeks de periode van 29 december tot en met 30 december 2011 op Bonaire opzettelijk een valse en/of vervalste brief – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die brief bestemd was voor gebruik als echt en onvervalst bestaande dat voorhanden hebben en/of afleveren en/of gebruik maken hierin dat het geschrift door verdachte is opgenomen als bijlage in een emailbericht d.d. 30 december 2011 welk emailbericht is verzonden aan [persoon 1] [emailadres 1], en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat, de brief is voorzien van de tekst 'Head' van de MCB Bank, een datum en in die brief vermeld is dat de MCB bank het verzoek voor geldlening/financiering van het Terramar project heeft goedgekeurd terwijl in werkelijkheid dat verzoek niet is goedgekeurd door de MCB bank en die brief is voorzien van een (vervalste of valse) handtekening en de naam van [persoon 2] terwijl in werkelijkheid die brief niet is opgemaakt en/of getekend door [persoon 2]; (art. 230 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht BES) 2.dat hij, op of omstreeks 31 oktober 2013, op het eiland Bonaire, bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, als getuige (appellant) in de civiele zaak van [verdachte] (appellant) tegen Interbusiness Holding LTD (geïntimeerde), nadat hij in handen van de rechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – heeft verklaard: dat hij, verdachte, het emailbericht verzonden d.d. 30 december 2011 met productie 10B als bijlage niet heeft verzonden. (Art. 213 van het Wetboek van Strafrecht BES) Voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Bewezenverklaring Het Gerecht acht – op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande: 1. dat hij op of omstreeks in de periode van 29 december tot en met 30 december 2011 op Bonaire opzettelijk een valse en/of vervalste brief – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die brief bestemd was voor gebruik als echt en onvervalst bestaande dat voorhanden hebben en/of afleveren en/of gebruik maken hierin dat het geschrift door verdachte is opgenomen als bijlage in een emailbericht d.d. 30 december 2011 welk emailbericht is verzonden aan [persoon 1] ([emailadres 1]), en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de brief is voorzien van de tekst 'Head' van de MCB Bank en een datum en dat in die brief vermeld is dat de MCB bank het verzoek voor geldlening/financiering van het Terramar project heeft goedgekeurd terwijl in werkelijkheid dat verzoek niet is goedgekeurd door de MCB bank en die brief is voorzien van een (vervalste of valse) handtekening en de naam van [persoon 2] terwijl in werkelijkheid die brief niet is opgemaakt en/of getekend door [persoon 2]; 2. dat hij, op of omstreeks 31 oktober 2013, op het eiland Bonaire, bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, als getuige (appellant) in de civiele zaak van [verdachte] (appellant) tegen Interbusiness Holding LTD (geïntimeerde), nadat hij in handen van de rechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – heeft verklaard: dat hij, verdachte, het emailbericht verzonden d.d. 30 december 2011 met productie 10B als bijlage niet heeft verzonden. Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd (cursief). Omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, (telkens) slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. 1. aangever] deed op 5 september 2014 aangifte van valsheid in geschrift en meineed. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard: “De gepleegde valsheid in geschrift kan ik als volgt omschrijven: Op 30 december 2011 om 01.56 uur heeft meneer [verdachte] een e-mailbericht gestuurd naar [persoon 1], werkzaam bij makelaarskantoor Harbourtown Real Estate te Bonaire, inhoudende onder andere een brief van de Maduro & Curiel’s Bank (Bonaire) N.V., waarin stond dat een lening voor het Terramar-project was goedgekeurd. De brief van de Maduro & Curiel’s Bank (Bonaire) N.V. (hierna: MCB) was ondertekend door [persoon 2]. Op 20 juni 2011 heeft Interbusiness Holding Ltd. als verkoopster en [verdachte] als koper een koopovereenkomst gesloten ter zake alle door Interbusiness Holding Ltd. in Interbusiness International Business N.V. gehouden aandelen dat op haar beurt enig aandeelhouder is van Terramar N.V. De koopsom was USD 2.800.000, waarvan [verdachte] vrijwillig een bedrag van USD 250.000 daadwerkelijk heeft voldaan en voor de rest had hij dus een financiering nodig. Ik vernam bij de MCB te Bonaire dat eerdergenoemde brief niet afkomstig was van de bank, hetgeen mij bij brief van 6 januari 2012 schriftelijk werd bevestigd. De gepleegde meineed kan ik als volgt omschrijven: Op 31 oktober 2013 werd [verdachte] als getuige, derhalve onder ede, gehoord ten overstaan van rechter mr. G.C.C. Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. [verdachte]s getuigenis is vervat in een proces-verbaal van die dag. Op bladzijde 5 staat: “U toont mij producties 10A en 10B bij het beslagrekest. Ik heb niet het e-mailbericht gemaakt of verzonden dat als tweede pagina is overgelegd bij productie 10A.” Met productie 10A wordt gedoeld op de e-mail van 30 december 2011 zoals hierboven genoemd en met productie 10B wordt gedoeld op de valse brief zoals hierboven genoemd.” 2. Op 30 december 2011 heeft [persoon 1] een e-mailbericht verzonden aan onder meer aangever [aangever] met de volgende inhoud: “From: [persoon 1] [[emailadres 1]] Beste Allen, Vanochtend heb ik deze mail ontvangen van [verdachte]. Ik heb verzocht om een overgangsdatum en [verdachte] heeft aangegeven dat hij nu afhankelijk is van de bank maar dat deze weet dat er haast geboden is. Met vriendelijke groet, [persoon 1] [het Gerecht begrijpt: Bij dit e-mailbericht bevindt zich als bijlage een e-mailbericht dat in de stukken wordt omschreven als productie 10A, luidende:] Van: [verdachte] [mailto: [emailadres 2] Verzonden: Friday, December 30, 2011 1:56 AM Aan: [persoon 1] Onderwerp: letter [persoon 1] dit is ook in vertrouwen, thanks” 3. Het dossier bevat een brief gedateerd op 29 december 2011 met een briefhoofd van de Maduro & Curiel’s Bank (Bonaire) N.V. en een handtekening, geplaatst boven de naam [persoon 2] [het Gerecht begrijpt: dit geschrift wordt in de stukken omschreven als productie 10B], met de volgende inhoud: “To whom it may concern Dear sirs, Please be informed that we have been approached for financing of the Terramar Project and we are pleased to inform you that we have approved the request for financing. Hoping to have informed you accordingly, we remain, Yours very truly MADURO & CURIEL’S BANK [persoon 2] Assistant Managing Director.” 4. Op 6 januari 2012 schreef E.L. Piar, managing director van de Maduro & Curiel’s Bank (Bonaire) N.V., een brief met de volgende inhoud: “Dear mr. [aangever], This serves to confirm and record that the letter dated 30 December 2011 regarding our alleged approval of the “Terramar Project” is fraudulent and was not issued or signed by our Bank. For good order’s sake we do note that the financing of said project was never approved by our office.” 5. Op 14 november 2013 werd [persoon 1] door rechter G.C.C. Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gehoord. Hij heeft het volgende verklaard: “Ik ben opgetreden als makelaar van Interbusiness Holding Ltd. en de heer [verdachte] bij de totstandkoming van de overeenkomst van 20 juni 2011. U toont mij productie 10A, het e-mailbericht van 30 december 2011. Ik heb dat inderdaad zo ontvangen met aangehecht het geschrift dat als bijlage 10B is overgelegd. Ik heb [verdachte] toen gebeld om te vragen of ik dit mocht doormailen. Dat mocht.” 6. Op 31 oktober 2013 werd verdachte door rechter G.C.C. Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gehoord. Hij heeft het volgende verklaard: Proces-verbaal van het getuigenverhoor in de zaak van [verdachte], thans appellant, tegen Interbusiness Holding Ltd., thans geïntimeerde. De getuige [verdachte] legt de eed af, de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen en verklaart als volgt: “Op 20 juni 2011 heb ik de overeenkomst met Interbusiness Holding Ltd. met betrekking tot de aandelen van Interbusiness International Business N.V. ondertekend. Op 20 december 2011 ben ik in gebreke gesteld. Ik wilde nog een keer proberen te bereiken dat de koop zou doorgaan. U toont mij productie 10A en 10B bij beslagrekest [het Gerecht begrijpt: de hierboven in de bewijsmiddelen 2 en 3 bedoelde stukken].Ik heb productie 10B niet gemaakt en ik heb niet het e-mailbericht gemaakt of verzonden dat als tweede pagina is overgelegd bij productie 10A.” 7. Verbalisant [verbalisant 1], werkzaam als Operationeel Specialist B binnen het Recherche Samenwerkingsteam (RST) Aruba, BES Eilanden, Curaçao, Nederland en Sint Maarten, heeft op 23 november 2018 het volgende bevonden: “De betreffende e-mail van 30 december 2011 is volgens de header verzonden vanaf het IP-nummer [IP- nummer] op 30 december 2011 met het e-mailadres [emailadres 2]. Volgens de historische gebruiksgegevens was het betreffende IP-nummer in gebruik door Customer “Restaurant Zeezicht” te Bonaire. De e-mail van 30 december 2011 kan niet vanaf Curaçao zijn verzonden middels het inloggen in Yahoo-mail.” 8. Op 18 mei 2016 heeft de verdachte ten overstaan van de politie het volgende verklaard: “Vanaf 2008 heb ik het alleengebruik van het e-mailadres [emailadres 2].” 9. Op 27 december 2016 heeft de verdachte ten overstaan van de politie het volgende verklaard: “Ik deed toentertijd regelmatig werk voor mijn ouders in het restaurant Zeezicht. Ik had toentertijd ook een sleutel en dat was die van het kantoorgedeelte waar we nu zitten.” Bewijsoverwegingen De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, omdat de verdachte het e-mailbericht van 30 december 2011 niet heeft verzonden. Daartoe is aangevoerd dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.