GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Burgerlijke zaken over 2019 registratienummers: BON201800539 en BON201900121 (verzoek ex art. 1:85 lid 4 BW BES) datum uitspraak: 29 maart 2019 BESCHIKKING in de zaak van [de man], wonende te Bonaire, verzoeker in de echtscheidingsprocedure, verweerder in de procedure ex art. 1:85 lid 4 BW BES, hierna: de man, gemachtigde: mr E.J. Winkel, tegen [de vrouw], wonende te Bonaire, verweerster in de echtscheidingsprocedure, verzoekster in de procedure ex art. 1:85 lid 4 BW BES, hierna: de vrouw, gemachtigde: mr E. Bokkes. De procedure 1. Voor het eerdere verloop van de procedures wordt verwezen naar hetgeen daarover is overwogen in de beschikking van 21 februari 2019. In die beschikking is bepaald dat uiterlijk 8 maart 2010 zou worden overgelegd: door de man: een lastenoverzicht, waar mogelijk onderbouwd met stukken, door de vrouw: alle polissen en onderliggende correspondentie met betrekking tot haar pensioen bij “401K”, en dat de partijen zich uiterlijk 15 maart 2019 over de overgelegde producties kunnen uitlaten. 2. Op 8 maart 2019 is overgelegd namens de man zijn lastenoverzicht, met producties, en namens de vrouw: - een kwartaaloverzicht van [naam rekening 1] inzake haar “retirement savings portfolio”, - een afschrift van [naam rekening 2] inzake haar “retirement [naam rekening 14], - een kwartaaloverzicht van [naam rekening 3] inzake haar beleggingsportefeuille, - bankafschriften als bewijs van inkomsten van de man over februari t/m juli 2018. 3. De man heeft per mail van 15 maart 2019 gereageerd op de stukken van de vrouw. 4. Op 15 maart 2019 is ingekomen een brief van de vrouw d.d. 14 maart 2019 met producties. Haar gemachtigde heeft het gerecht op 15 maart 2019 gemaild van zijn cliënte begrepen te hebben dat zij zelf een reactie ter griffie heeft ingediend. 5. Namens de man is op 18 maart 2019 bezwaar gemaakt tegen een groot deel van het door de vrouw ingediende stuk. 6. De uitspraak is bepaald op heden. De verdere beoordeling 7. Door de man is terecht bezwaar gemaakt tegen de inhoud van het door de vrouw op 15 maart 2019 ingediende stuk. Dat stuk bevat namelijk niet, zoals was afgesproken en bepaald, een reactie op het kostenoverzicht van de man, maar alleen maar andere punten, die deels al eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht - en dus, indien relevant, al eerder naar voren hadden moeten worden gebracht – en deels een reactie op de stellingen van de man tot en met de mondelinge behandeling. Het gerecht acht dit in strijd met een behoorlijke procesorde. Het stuk wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Het gerecht constateert dat de gemachtigde van de vrouw niet alleen haar niet ervoor heeft behoed het stuk in te dienen, maar ook er niet voor heeft zorg gedragen dat er een reactie is gegeven op de door de man ingediende stukken dan wel dat er een toelichting is gegeven waarom die reactie niet is gegeven. 8. Ter beoordeling ligt voor de verzoeken van de vrouw tot bepaling van een onderhoudsvergoeding tijdens het huwelijk en van partneralimentatie na het huwelijk, beide ten laste van de man. 9. De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzoeken van de vrouw. Hij voert onder meer verweer tegen de door haar gestelde behoefte en betwist daarnaast haar behoeftigheid. procedure BON201800539 10. Het verzoek om partneralimentatie is gebaseerd op art. 1:157 lid 1 BW BES, op grond waarvan de rechter in de echtscheidingsbeschikking of in een latere beschikking aan een echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen. 11. De vrouw verzoekt primair om US$ 7.120,32 en subsidiair om US$ 5,817,03 per maand aan partneralimentatie. 11. Waar het betreft de behoefte van de vrouw overweegt het gerecht dat rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van de partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of waarschijnlijke kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. De vrouw baseert zich in het verzoek vooral op het hoge uitgavenniveau van de partijen ten tijde van het verblijf op Bonaire, dat moet hebben gelegen tussen US$ 7.120,32 (volgens het kostenoverzicht van de vrouw) en US$ 6.500 (volgens het verweer van de man), dit inclusief de hypotheeklast van US$ 4.000 per maand, maar exclusief de kosten van de man. Met de man is het gerecht van oordeel dat dit uitgavenniveau niet indicatief kan zijn voor de welstand van de partijen tijdens hun huwelijk, dat ca. 19 jaar geduurd heeft. De man is in het kader van zijn werk vanaf juni 2017 vanuit Nederland uitgezonden naar Bonaire. De partijen zijn daarom op Bonaire gaan wonen, wat leidde tot hogere kosten van hun huishouding. De man krijgt onder meer daarvoor tijdens de uitzending een buitenlandtoelage, die variabel is, maar zodanig hoog dat de partijen op ruimere voet kunnen leven dan zij in Nederland konden. Nu deze buitenlandtoelage tijdelijk is - deze eindigt per augustus 2019 - en deels ook bestemd voor extra kosten, verbonden aan de uitzending, behoort die toelage bij de beoordeling van de welstand van de partijen tijdens het huwelijk buiten beschouwing te blijven. Rekening zou daarom moeten worden gehouden met het reguliere inkomen van de partijen, dat voor de man ca. € 4.600 netto per maand (netto salaris + ingehouden CZ-premie) is en voor de vrouw ca. US$ 1.800 per maand (uit een Amerikaans Social Security en de Nederlandse AOW- uitkering). Duidelijk is dat de vrouw, in aanmerking nemende onder meer de welstand gedurende het huwelijk, behoefte heeft aan een hoger bedrag voor levensonderhoud dan de US$ 1.800 die zij nu als inkomsten heeft. 13. Een onderhoudsplicht bestaat echter alleen voor zover de onderhoudsgerechtigde niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de behoefte aan een bijdrage. Onder inkomsten worden evenwel niet alleen de daadwerkelijke inkomsten verstaan, zoals in dit geval het bedrag van ca. US$ 1.800 dat de vrouw per maand aan inkomsten ontvangt, maar ook de in redelijkheid te verwerven inkomsten. Er dient dus rekening te worden gehouden met het vermogen van de onderhoudsgerechtigde om inkomsten te verwerven. Met de man is het gerecht van oordeel dat van de vrouw, die is geboren op [datum], en dus al lang een pensioengerechtigde leeftijd heeft, mag worden verwacht dat zij haar voor haar pensioen gereserveerde vermogen ook daadwerkelijk voor haar levensonderhoud gedurende haar pensioen aanwendt. Dat heeft zij niet gedaan. 14. Vraag is vervolgens welke uitkering de vrouw in redelijkheid uit haar voor pensioen gereserveerde vermogen had kunnen verwerven. Ter zitting is om die reden afgesproken dat zij alle polissen en onderliggende correspondentie met betrekking tot haar pensioen bij “401K” zou overleggen. Het had voor de vrouw, en zeker voor haar gemachtigde, duidelijk moeten zijn dat deze overlegging van informatie nodig was naar aanleiding van het verweer van de man dat zij geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien, omdat zij een aanzienlijk vermogen voor haar pensioenvoorziening heeft geserveerd, maar er zonder goede reden voor heeft gekozen de uitkering uit het voor haar gereserveerde pensioenvermogen (nog) later te laten ingaan. 15. De (gemachtigde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.