GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire registratienummer: BON202000076 datum uitspraak: 24 februari 2021 VONNIS in de zaak van [EISER], wonende te Bonaire, eiser, hierna: de man, gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas, tegen [GEDAAGDE], wonende te Bonaire, gedaagde, hierna: de vrouw, gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout, De procedure
(24)uur na betekening van het vonnis op te heffen, met de bepaling dat de vrouw een dwangsom van US$ 500,-, althans een door het gerecht in goede justitie te bepalen dwangsom, per dag zal verbeuren voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke mocht blijven om aan het rechterlijke gebod te voldoen, tot een maximum van US$ 25.000,-; f. de vrouw te veroordelen om aan eiser te betalen US$ 9.776,55 van 19 maart 1982 tot 1 mei 2017 of een ander in goede justitie te betalen bedrag aan gebruiksvergoeding; g. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van US$ 2.000,-, zijnde de helft van de huuropbrengsten van het onroerend goed van 16 september 2018 tot 15 februari 2020; h. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van US$ 125,-, zijnde de helft van de huuropbrengst van het onroerende goed voor iedere ingegane maand vanaf 16 februari 2020 tot het tijdstip van overdracht van het perceel aan de man. 6. De vrouw heeft verweer gevoerd waar hierna, voor zover van belang, nader op in zal worden gegaan. De beoordeling Verdeling van de gemeenschap van goederen 7. Met de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 18 maart 1982 is de gemeenschap van goederen ontbonden. Dat betekent dat alle goederen die op 18 maart 1982 aanwezig waren moeten worden verdeeld. Ook moet voor eventuele schulden, die er op 18 maart 1982 waren, worden bepaald wie van partijen welk deel moet betalen tegenover de ander. 8. Tussen partijen is niet in geschil dat de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap alleen goederen omvatte en dus geen schulden. Volgens de man zijn al die goederen door de jaren heen verdeeld, in die zin dat iedere partij die goederen heeft behouden die hij/zij destijds onder zich had zonder vergoeding wegens overbedeling, met uitzondering van het recht van erfpacht op het perceel grond gelegen te Rincon (met daarop een opstal). Dit betreft kort gezegd een in erfpacht verkregen stuk grond met daarop een fruitschuur. De waarde hiervan is volgens de man US$ 25.000,- waarbij hij verwijst naar een taxatierapport. De vrouw meent dat alle goederen reeds zijn verdeeld, ook het in erfpacht verkregen stuk grond met fruitschuur, althans dat partijen hebben afgesproken dat het in erfpacht verkregen stuk grond met fruitschuur aan haar zou worden toegedeeld, zodat zij in haar eigen levensonderhoud zou kunnen blijven voorzien, in ruil waarvoor de man geen partneralimentatie zou betalen. Om bewijstechnische redenen ziet de vrouw echter af van het voeren van verweer tegen de vorderingen van de man onder a. b. en c. Het gerecht begrijpt die vorderingen in samenhang bezien samengevat als een vordering om de wijze van verdeling te gelasten in die zin dat het recht van erfpacht op het perceel grond met fruitschuur aan de man zal worden toegedeeld en dat de man wegens overbedeling bij de levering van dit recht bij de notaris een bedrag van US$ 12.500,- aan de vrouw dient te voldoen. Die vorderingen zullen als zodanig worden toegewezen. De vordering om de overbedelingsvergoeding in termijnen te betalen zal worden afgewezen. Voldoening in termijnen mag de rechter ingevolge artikel 3:185 lid 3 BW BES alleen dan tegen de zin van een deelgenoot voorschrijven als niet op andere wijze tot een, alle omstandigheden in aanmerking nemende, billijke verdeling is te geraken. De vrouw is het, mede gelet op haar leeftijd en gezondheidstoestand, niet eens met betaling in termijnen, terwijl de man niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd dat hij niet in staat is om de overbedelingsvergoeding in één keer te voldoen. Opheffen beslag 9. Nu de vrouw heeft toegezegd dat zij haar medewerking zal verlenen aan de opheffing van het maritaal beslag, heeft de man geen belang bij zijn vorderingen in dit kader. Die vorderingen zullen dus worden afgewezen. Gebruiksvergoeding 10. Art. 3:169 BW BES bepaalt dat – behoudens andersluidende regeling – iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Indien een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere(
- n)gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde(
- n)een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen (zie bv. HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143, NJ 2001/59 en HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:502, HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156). De redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten beheersen dienen bij de beoordeling met betrekking tot de gebruiksvergoeding tot maatstaf op grond van artikel 3:166 lid 3 BW BES. In dit geval acht het gerecht het niet redelijk om een gebruiksvergoeding toe te kennen. De vrouw was de afgelopen veertig jaar in de veronderstelling dat de fruitschuur aan was toegedeeld/zou worden toegedeeld. Dat heeft de man niet betwist. De man is ongeveer veertig jaar geleden vetrokken naar Nederland en heeft nooit eerder gevraagd om verdeling of een gebruiksvergoeding. De vordering ter zake zal daarom worden afgewezen. Huur 11. De man maakt aanspraak op de helft van de huuropbrengsten van de fruitschuur. Artikel 3:172 BW BES bepaalt dat – behoudens andersluidende regeling – de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen delen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en dat zij in dezelfde evenredigheid moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Dit artikel regelt dus enerzijds de aanspraak op vruchten en anderzijds de draagplicht voor uitgaven. Voor zover de verdeling van de vruchten de grondslag van de vordering is overweegt het gerecht dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw de afgelopen jaren in totaal US$ 400,- aan huuropbrengsten heeft genoten. Nu de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij de afgelopen jaren de onderhoudskosten van de fruitschuur heeft gedragen, gaat het gerecht ervan uit dat die kosten de genoten huuropbrengst ruimschoots overstijgen en zijn er dus ook geen vruchten meer te verdelen. In de conclusie van repliek heeft de man, zo begrijpt het gerecht, de grondslag van zijn vordering aangevuld en stelt hij zich op het standpunt dat de vrouw, door een (nieuwe) huurovereenkomst aan te gaan met een wanbetaler, de heer […], het risico heeft aanvaard dat de huur niet zou worden betaald. Dit levert een onrechtmatige daad op van de vrouw jegens de man en de vrouw is aansprakelijk voor de door de man geleden schade uit wanprestatie van de heer […], aldus de man. De man heeft niet voldoende onderbouwd waarom het onrechtmatig is om een (nieuwe) huurovereenkomst te sluiten. De enkele omstandigheid dat de huurder eerder niet betaalde (de vrouw betwist overigens dat zij daarvan op de hoogte was) sluit immers niet zonder meer uit dat de huurder in het vervolg wel huur zal betalen. 12. Nu partijen ex-echtgenoten zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. 13. Gelet op het overgelegde KRB-formulieren van beide partijen zullen de verzoeken om kosteloos te mogen procederen worden toegewezen. De beslissing Het gerecht: 1. gelast de wijze van verdeling als volgt: het recht van erfpacht op een perceel grond gelegen te [plaats] op Bonaire, [kadastrale aanduiding] (met daarop een opstal) zal aan de man worden toegedeeld (het recht van erfpacht); partijen moeten zich tot de notaris, mr. A.H. Schouten, haar plaatsvervanger of waarnemer wenden om de levering van het recht van erfpacht aan de man te bewerkstelligen; de man zal uiterlijk op het moment van levering bij de notaris een bedrag van US$ 12.500,- wegens overbedeling aan de vrouw voldoen, 2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3. compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, 4. verleent zowel eiser als gedaagde verlof om kosteloos te mogen procederen, 5. wijst het meer of anders verzochte af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, rechter, en uitgesproken op 24 februari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier. Artikel 1:99 BW BES jo. artikel 1:163 BW BES.