Parketnummer: 400.00264/24 Uitspraak: 17 juni 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteland], wonende op Bonaire, [adres]. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 mei
- De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsman, mr. A.T.C. Nicolaas, advocaat op Bonaire. De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Zijn vordering behelst voorts de ontzetting uit het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden voor de duur van 5 jaren. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat zij op of omstreeks 4 maart 2024 op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging, althans alleen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten de verbaliseringsplicht voor opsporingsambtenaren van artikel 186 Wetboek van Strafvordering BES, schriftelijk en persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door in het proces-verbaal van bevindingen aangaande de aanhouding van [persoon] met nummer [bestandsnaam] opgemaakt op ambtseed/-belofte d.d. 4 maart 2024, in strijd met de waarheid te vermelden dat zij, verbalisanten, een fatale aanrijding alleen konden voorkomen door snel uit te wijken met hun dienstvoertuig en/of weg te laten dat het witte voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken (om een botsing en/of aanrijding te voorkomen); (artikel 213 jo. 49 Wetboek van Strafrecht BES) Voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Vrijspraak Inleiding Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan meineed, door in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in strijd met de waarheid: te vermelden: ‘dat zij een fatale aanrijding alleen konden voorkomen door snel uit te wijken met hun dienstvoertuig’, en weg te laten: ‘dat het witte voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken’. De verdachte en de medeverdachte zijn beiden politieambtenaar. Het gaat in deze zaak om een incident dat op 2 maart 2024 tijdens hun werk heeft plaatsgevonden, bij de achtervolging van een witte auto met daarin vier verdachten. De witte auto werd in eerste instantie achtervolgd door een politieauto met twee andere politieambtenaren. De verdachte en de medeverdachte zaten samen in een andere politieauto en zijn hun collega’s gaan helpen. Zij hebben hun politieauto, van de andere kant komend, dwars op de weg gezet om de witte auto tot stoppen te dwingen. De witte auto is niet gestopt, maar is vlak achter hen langs gereden waarna de achtervolgende politieauto eveneens langs hen reed. Enige tijd later is de witte auto alsnog tot stilstand gekomen en zijn de inzittenden van de witte auto aangehouden. Het eerste proces-verbaal dat door de verdachte en de medeverdachte is opgemaakt over dit incident is het proces-verbaal van aanhouding van [persoon], opgemaakt en ondertekend op 3 maart
- Hierin staat het verloop van de gebeurtenissen van die avond beschreven. Over het vlak langsrijden vermeldt het proces-verbaal het volgende: Vervolgens zagen wij dat de koplampen van het witte voertuig in de richting van ons dienstvoertuig kwam rijden. We zagen dat het witte voertuig op het allerlaatste moment ons ontweek door naar links te ontwijken. Doordat het voertuig ons op het allerlaatste moment pas ontweek kregen wij verbalisanten de indruk dat het voertuig ons met opzet had willen aanrijden. Het proces-verbaal dat meinedig zou zijn opgemaakt is het proces-verbaal van bevindingen met als onderwerp ‘aanhouding’, ondertekend door de verdachte en de medeverdachte op 4 maart
- Opvallend is dat dit proces-verbaal grotendeels overeenkomt met het proces-verbaal van aanhouding van [persoon] van 3 maart 2024, maar ten aanzien van het bijna aangereden worden door de witte auto enigszins afwijkt. In het proces-verbaal van 4 maart 2024 staat het volgende: Toen de witte voertuig in de richting van ons dienstvoertuig kwam, zagen we dat de bestuurder zijn snelheid niet verminderde en zelfs versnelde. Hij had geen intentie om te stoppen, ondanks onze signalen. We konden een fatale aanrijding alleen voorkomen door snel uit te wijken. Nadat we ons voertuig aan de kant hadden gezet, raasde het witte voertuig langs ons, waardoor we geen duidelijk beeld van het voertuig konden krijgen. Het is duidelijk dat de tenlastegelegde passage ‘dat zij een fatale aanrijding alleen konden voorkomen door snel uit te wijken met hun dienstvoertuig’ wel staat vermeld in het proces-verbaal van 4 maart 2024, maar ontbreekt in het proces-verbaal van 3 maart
- Omgekeerd vermeldt het proces-verbaal van 3 maart 2024 dat ‘het witte voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken’, terwijl dit juist weer ontbreekt in het proces-verbaal van 4 maart
- De verdachte heeft verklaard dat zij het proces-verbaal van 3 maart 2024 heeft opgesteld, en dat zij en de medeverdachte dit vervolgens hebben ondertekend. Zij heeft in dit proces-verbaal weergegeven hoe het in haar beleving is gegaan: de dienstauto stond stil op het moment dat de witte auto op hen afkwam, de witte auto week iets uit en raasde net langs hen. De medeverdachte heeft verklaard dat hij het proces-verbaal van 4 maart 2024 heeft opgesteld. Hij heeft dit gedaan op verzoek van de recherche, om nader aan te geven hoe het precies was gegaan, en waarom het in zijn ogen een poging doodslag was. Het proces-verbaal van 4 maart 2024 is niet vals: hij weet zeker dat hij de dienstauto een stukje naar voren heeft gereden op het moment dat de witte auto vlak bij hen was. Dat dit in het proces-verbaal van 3 maart 2024 niet vermeld staat is een foutje geweest, maar heeft niets met meineed te maken. De verdachte heeft later verklaard dat zij het proces-verbaal van 4 maart 2024 ook heeft ondertekend, hoewel daarin een passage stond waar zij het niet mee eens was. Volgens de verdachte is in het proces-verbaal van 4 maart 2024 opzettelijk en onwaar opgeschreven dat zij de dienstauto hadden verplaatst. Dit was zo afgesproken, om het gebeurde ernstiger te laten lijken en meer als een poging doodslag te laten klinken, om zo het schieten door de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te rechtvaardigen. Wanneer is een proces-verbaal meinedig? Het verwijt een proces-verbaal in strijd met de waarheid op te maken is een ernstig verwijt. Het is van cruciaal belang dat de samenleving, maar zeer zeker ook rechters, officieren van justitie en advocaten, kunnen vertrouwen op de integriteit van politieambtenaren en de juistheid van hun verslaglegging. Bewezenverklaring kan grote consequenties hebben: dit Gerecht heeft al meermalen politieagenten uit het ambt gezet wegens het vals opmaken van een geschrift of proces-verbaal. Aan de andere kant is het Gerecht zich ook bewust van het vaak lastige werk van de politie en het feit dat het opstellen van een proces-verbaal mensenwerk is. Door de hectiek van het werk, door vermoeidheid of door taalproblemen kunnen fouten in een proces-verbaal terecht komen die daar achteraf misschien niet in horen, maar die niet meteen meinedig zijn. Niet elke onjuistheid of onvolledigheid in een proces-verbaal is meinedig. Een proces-verbaal is meinedig als het proces-verbaal opzettelijk in strijd met de waarheid is opgesteld. Dat kan het geval zijn als er een passage in staat die evident niet waar is. Een proces-verbaal kan ook meinedig zijn als iets er juist niet in is opgenomen, terwijl dat wel had gemoeten. Bijvoorbeeld het gebruik van geweld door de politie. Als het proces-verbaal een zo vertekend beeld van de werkelijkheid geeft dat het daardoor het karakter van onwaarheid verkrijgt, dan is het meinedig. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden, is dus of de verdachte en de medeverdachte opzettelijk, in strijd met de waarheid, in het proces-verbaal van 4 maart 2024 hebben opgeschreven dat zij de dienstauto een stukje vooruit moesten zetten om een aanrijding te voorkomen, en/of dat zij opzettelijk en in strijd met de waarheid hebben weggelaten dat de witte auto naar links uitweek. Het dossier Uit het dossier volgt allereerst dat het moment dat de witte auto langs de schuin op de weg staande dienstauto reed, een kort en enerverend moment was. In het filmpje dat vanaf de achterbank van de witte auto is opgenomen, is te horen dat de jongens in de witte auto direct na het langsrijden met opgewonden stem de bestuurder commentaar leveren (“[naam], yu!”). De verdachte geeft in haar aangifte aan dat het een angstig moment was. Haar hartslag ging sneller dan normaal en zij ging uit een reflex bijna bij de medeverdachte op schoot zitten. Op de vraag of de politieauto nu wel of niet een stukje naar voren reed op dat moment, geeft het dossier geen eenduidig antwoord. De jongens in de witte auto verklaren dat de dienstauto stil stond op het moment dat ze langs reden. Een van hen verklaart ook dat de witte auto niet zozeer uitweek, maar al erg links op de weg reed en daarom gemakkelijk achter de schuin geparkeerde politieauto langs kon rijden. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die in de politieauto erachter reden, herinneren het zich elk verschillend: [verbalisant 1] zegt dat de auto stil stond, [verbalisant 2] zegt dat de auto een stukje naar voren bewoog. Op de verschillende filmpjes is niet te zien hoe de situatie precies was. Overige relevante feiten en omstandigheden De passage waar het om gaat is in principe niet relevant voor de beoordeling van het optreden van de politie zelf. De passage is relevant voor het beoordelen van het optreden van de verdachten in de witte auto, specifiek de bestuurder, en voor de vraag of sprake was van een poging tot doodslag. Hoewel de verdachte dit anders heeft ervaren (zij ging er vanuit dat de passage belangrijk was voor de beoordeling van het latere optreden van [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die bij de aanhouding hun dienstwapen hadden gebruikt) hadden de verbalisanten dus in principe geen belang bij de manier waarop precies werd beschreven of de dienstauto naar voren bewoog of hoe de witte auto langs de dienstauto reed. Daarnaast valt op dat ook in het eerste proces-verbaal van 3 maart 2024 al staat vermeld dat de bestuurder van de witte auto verdacht werd van (onder andere) poging tot doodslag. Terwijl daarin niet staat dat de politieauto naar voren moest rijden, en wel dat de witte auto was uitgeweken. Kennelijk was het al dan niet een stukje naar voren rijden door de dienstauto, of het uitwijken van de witte auto, voor het oordeel van de verdachte en de medeverdachte over de poging doodslag niet doorslaggevend. Verder is van belang dat de verdachte en de medeverdachte wel het proces-verbaal van 4 maart 2024 hebben opgemaakt, maar voor zover het Gerecht kan vaststellen geen moeite hebben gedaan om het proces-verbaal van 3 maart 2024 te vernietigen of weg te maken. Beide processen-verbaal bleven naast elkaar bestaan. Dat duidt erop dat het proces-verbaal van 4 maart 2024 meer bedoeld was als een aanvulling op het proces-verbaal van 3 maart 2024, en niet zozeer daarvoor in de plaats moest komen. Oordeel van het Gerecht Het Gerecht komt tot de slotsom dat achteraf moeilijk is vast te stellen hoe het nu precies is gegaan op het moment van langsrijden, en wat dus ‘waar’ is. Misschien ligt de waarheid hier in het midden. Het is mogelijk dat de witte auto is uitgeweken maar dat tegelijkertijd de dienstauto (een stukje) naar voren is gereden. Het was donker en hectisch en het ging allemaal heel snel. Het kan zijn dat de medeverdachte de auto een stukje naar voren heeft gereden zonder dat de verdachte of de jongens in de witte auto dit hebben gemerkt. Het kan ook zijn dat hij dit niet heeft gedaan, maar het zich achteraf wel zo herinnert. Hoe dan ook kan het Gerecht niet met voldoende zekerheid vaststellen dat de passage over het naar voren bewegen van de dienstauto onwaar is. Zeker niet nu ook [verbalisant 2] zegt dat de dienstauto wel degelijk naar voren bewoog. Ditzelfde geldt voor het weglaten van de passage ‘dat het witte voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken’. Deze passage is niet teruggekomen in het proces-verbaal van 4 maart 2024, maar is wel nog steeds te lezen in het proces-verbaal van 3 maart
- Het Gerecht is van oordeel dat het al dan niet uitwijken van de witte auto niet van zodanig groot belang is dat dit absoluut in beide processen-verbaal had moeten worden opgenomen. Het weglaten van deze zin in het proces-verbaal van 4 maart 2024 is niet ‘vals’. Opzet? Nu het Gerecht geen valsheid kan vaststellen, komt het aan de vraag naar het opzet niet toe. Gelet op de verklaringen van de verdachte wil het Gerecht hier toch iets over zeggen. Het kan immers vreemd lijken dat de verdachte heeft bekend meineed te hebben gepleegd, en toch wordt vrijgesproken. De verdachte heeft verklaard dat onderling afspraken zijn gemaakt om het proces-verbaal aan te passen om het schieten door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te rechtvaardigen. Maar dat het echt de bedoeling was om een onwaar proces-verbaal op te maken om zo de collega’s te beschermen, blijkt niet uit het dossier. Ook al heeft de verdachte het misschien wel zo ervaren, en ook al had zij niet haar handtekening moeten zetten onder een proces-verbaal waar zij zelf niet achter stond. Dat verbalisanten onderling overleggen over de inhoud van een proces-verbaal is niet ongebruikelijk, en bij een gezamenlijk proces-verbaal zelfs logisch. Dat een nadere precisering van een gebeurtenis wordt gevraagd in een nader proces-verbaal is ook niet raar. Wat wel onjuist en onwenselijk is, is de manier waarop de aangiftes van de verdachte en de medeverdachte zijn opgenomen. Maar daarover gaat deze zaak niet. Conclusie Bij de beoordeling van de valsheid van een proces-verbaal gaat het uiteindelijk om de vraag of het proces-verbaal een juist en min of meer volledig beeld geeft van wat heeft plaatsgevonden. Alles overziend kan het Gerecht niet vaststellen dat het proces-verbaal van 4 maart 2024 een onjuist of echt onvolledig beeld geeft van de gebeurtenissen. Dit betekent dat meineed niet is bewezen. BESLISSING Het Gerecht: verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. N.R.H. Marsera, (zittingsgriffier), en op 17 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.