ECLI:NL:OGEABES:2025:2
Parketnummer: 400.00280/24 Uitspraak: 30 januari 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2003 te Curaçao, wonende te Bonaire, [woonplaats], thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.
Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.
De officier van justitie, mr. L.E. Stroink, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op de camerabeelden niet te zien is dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 10 november 2024 op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging, althans alleen, voorhanden heeft gehad een pistool of revolver, althans een (hand)vuurwapen, althans een voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp, zijnde een vuurwapen en/of een voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp in de zin van de Vuurwapenwet BES.
Voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen op Bonaire.
Ik zei tegen [medeverdachte]: kom, kom. Ik weet niet waarom ik rende. Ik denk dat ik het uit paniek aan hem heb gegeven.”
Binnen het politieonderzoek ’98.Empana’ van de afdeling IGO werd [getuige 1] verhoord als verdachte. Op de vraag of hij bijnamen heeft, verklaarde hij dat zijn bijnaam "[bijnaam getuige 1]” is.”
Samenvatting:
Er gebeurt een schiet incident waarbij een slachtoffer komt te overlijden. Kort nadat het slachtoffer werd geschoten, staan enkele personen om het slachtoffer heen. Op de camerabeelden is te zien hoe twee personen weglopen van het voertuig van het slachtoffer en op een afstand samen staan. Ze staan vermoedelijk even in gesprek. Vervolgens komt een grijs voertuig, model hatchback" aan rijden met drie (3) inzittenden. De twee personen die in gesprek waren lopen naar dit voertuig toe. Uit onderzoek bleek later dat een (1) van de twee (2) personen "[verdachte]" was. Uit onderzoek bleek later dat de voorste bijrijder van de grijze hatchback "[medeverdachte]" was. Hierna rennen [verdachte] en [medeverdachte] bij een tussengang van het gebouw waar [verdachte] dan een voorwerp aan [medeverdachte] overhandigt. [medeverdachte] neemt deze aan en stopt het in zijn heuptas en vervolgens lopen zij weer terug richting waar het schietincident had plaatsgevonden.”
Figuur 1: [medeverdachte] strekt beide handen uit. [verdachte] heeft een lichtkleurig voorwerp in zijn handen.
Figuur 2 en 3: [medeverdachte] neemt met zijn rechterhand een voorwerp aan uit de rechterhand van [verdachte].
Figuur 4: Glimmend voorwerp in rechterhand van [medeverdachte] terwijl hij met zijn linkerhand een voorwerp aanneemt uit de linkerhand van [verdachte].
Figuur 5: Grijs voorwerp in de rechterhand van [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft één of twee vingers gestrekt.
Figuur 6: Vuurwapen in de rechterhand van [medeverdachte] met zijn gestrekte wijsvinger langs de slede.
Figuur 8 en 10: Bergt vuurwapen op in zijn heuptas met rechterhand. Langwerpig voorwerp lijkend op een patroonhouder in de linkerhand.
Figuur 12: Bergt met linkerhand de vermoedelijke patroonhouder op.
Figuur 13: Sluit heuptas met rechterhand.”
Bewijsoverwegingen De feiten en omstandigheden Het Gerecht stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte was samen met een groep mensen, waaronder zijn vader ([getuige 1]), medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer] aan het eten bij een restaurant. Daarna is verdachte met [slachtoffer] bij het restaurant vertrokken en zijn ze naar de bar genaamd Spanhoek gegaan om sigaretten te kopen. Medeverdachte [medeverdachte] is samen met [getuige 1] naar The Bucket gegaan. Kort nadat verdachte en [slachtoffer] de bar Spanhoek hebben verlaten, is [slachtoffer] beschoten op de parkeerplaats tegenover Spanhoek, terwijl verdachte naast hem in de auto zat. Verdachte belt daarna direct zijn vader op die op dat moment bij The Bucket is. De vader van verdachte stapt samen met medeverdachte [medeverdachte] onmiddellijk in de auto en rijdt naar verdachte toe. The Bucket en de plek waar verdachte en [slachtoffer] zijn beschoten, liggen vlakbij elkaar. Vervolgens komen verdachte, zijn vader en medeverdachte [medeverdachte] bij elkaar op de plek waar [slachtoffer] beschoten is. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] lopen dan samen weg. Ze gaan een stukje verderop achter een (blauw) schuurtje/tussengebouw staan. Daar overhandigt [verdachte] iets aan [medeverdachte]. [medeverdachte] stopt het in zijn buiktasje waarna beide mannen weer teruglopen naar de plaats delict.
Overdracht van een vuurwapen?
Dat [verdachte] iets aan [medeverdachte] heeft overhandigd achter dat schuurtje ontkennen beide verdachten niet. Zij verklaren echter dat het om een plak/brok hasj ging, en niet om een vuurwapen. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden, is dus of er een vuurwapen is overgedragen zoals de officier van justitie heeft aangevoerd, of dat het hasj was, zoals de verdachten verklaren.
Het Gerecht vindt wettig en overtuigend bewezen dat het voorwerp dat [verdachte] op 10 november 2024 achter het schuurtje aan [medeverdachte] heeft overhandigd een vuurwapen was, en overweegt in dat verband als volgt.
Met de raadsman is het Gerecht van oordeel dat de camerabeelden niet van zodanige kwaliteit zijn dat enkel op basis daarvan zonder meer is vast te stellen dat het om een vuurwapen gaat. Dat neemt niet weg dat het voorwerp dat op de beelden te zien is, naar de eigen waarneming van het Gerecht veel meer op een vuurwapen lijkt dan op een plak hasj. Ter zitting zijn de beelden bekeken en heeft het Gerecht vastgesteld dat het voorwerp dat wordt overgedragen langwerpig en glimmend is en een vuurwapen zou kunnen zijn. Mede vanwege de manier waarop medeverdachte [medeverdachte] met zijn hand het voorwerp vasthoudt. Deze manier past bij het vasthouden van een vuurwapen en niet bij het vasthouden van een plak of blok hasj.
Verbalisant [verbalisant 5] heeft de verschillende camerabeelden meermalen bekeken en hij ziet op de beelden dat door [verdachte] een vuurwapen aan [medeverdachte] wordt overhandigd.
Daarnaast hecht het Gerecht belang aan het volgende.
Opvallend in dit dossier is allereerst het moment waarop [verdachte] het voorwerp aan [medeverdachte] overhandigt. De persoon met wie hij in de auto zat ([slachtoffer]) was net voor zijn ogen doodgeschoten, waarna hij in alle paniek en voordat de politie arriveerde, uit het zicht achter een schuurtje iets wilde overdragen aan [medeverdachte]. Hieruit volgt dat het om een voorwerp gaat dat verborgen moest blijven voor de politie. Een dergelijke actie is veel beter voorstelbaar wanneer het om een vuurwapen gaat, dan wanneer het om een plak hasj gaat. Een plak hasj is weliswaar ook illegaal, maar het verbergen daarvan lijkt in de hectiek rondom een schietpartij waarbij zojuist iemand is overleden toch van minder belang.
Daar komt bij, dat beide verdachten pas later over de hasj zijn gaan verklaren, namelijk pas nadat zij zijn geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen en met name met de beelden. In eerste instantie hebben beide verdachten in het geheel niet verklaard over het overdragen van een voorwerp. [verdachte] verklaarde in zijn eerste verhoor dat hij het allemaal niet meer wist, en beriep zich bij confrontatie met de beelden op zijn zwijgrecht. [medeverdachte] zei in zijn eerste verklaring dat hij ging plassen achter het schuurtje en dat hij niet wist wie er voor hem uit liep. De verklaring over de plak hasj kwam pas later, nadat het dossier was aangevuld en de verdachten zich hierop hadden kunnen beraden. Dat is opvallend.
Opvallend is ook, dat verdachte zijn verklaring over de hasj een aantal keren heeft gewijzigd. Toen bleek dat bij de aanhouding in de tas van verdachte hasj was aangetroffen en juist niet in de (heup)tas van [medeverdachte], verklaarde verdachte dat hij de hasj van [slachtoffer] wilde wegmaken en dat hij zijn eigen hasj in zijn tas was vergeten. Ter zitting verklaarde verdachte weer iets anders, namelijk dat hij dezelfde hasj die hij aan [medeverdachte] had gegeven even later weer had teruggekregen, en dat dus diezelfde plak hasj nu weer in zijn ([verdachte]) tas zat.
Het lijkt er sterk op dat beide verdachten hun verklaringen hebben aangepast aan de onderzoeksbevindingen en dat zij beiden niet de waarheid willen vertellen over het overgedragen voorwerp. Het Gerecht neemt dat mee in de overwegingen.
Ten slotte hecht het Gerecht belang aan de verklaringen van getuigen die op de avond van 10 november 2024 ter plaatse waren, en die er eveneens op wijzen dat er een vuurwapen was dat moest worden weggemaakt (en niet een plak hasj). De getuige [getuige 3] denkt te zien dat er een vuurwapen wordt “geschuild” en verbalisant [verbalisant 1] hoort mensen praten over de vader van [verdachte], die het ‘schietding’ zou hebben weggemaakt.
Alles afwegende, vindt het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat het voorwerp dat [verdachte] op 10 november 2024 achter het schuurtje aan [medeverdachte] heeft overhandigd een vuurwapen was. Beide verdachten hebben hiermee een vuurwapen voorhanden gehad.
Bewezenverklaring Het Gerecht vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 10 november 2024 op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander, voorhanden heeft gehad een vuurwapen, zijnde een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenwet BES.
Het Gerecht vindt niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3 en artikel 11 van de Vuurwapenwet BES jo. artikel 49 Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Het medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf De straf die aan verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Op 10 november 2024 is [slachtoffer] doodgeschoten. Verdachte zat op dat moment naast hem in de auto. Nadat dit gebeurde heeft verdachte vlakbij de plaats delict een vuurwapen aan medeverdachte [medeverdcahte] overhandigd, waarna het vuurwapen is verdwenen. Verdachte heeft geen openheid van zaken willen geven over waar het wapen is gebleven. Het is tot op de dag van vandaag dan ook onduidelijk gebleven waar en waarom hij het wapen had op de avond van 10 november 2024 en waar het wapen is gebleven.
Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens is momenteel een groot probleem op Bonaire. Het brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt grote gevoelens van onveiligheid in de samenleving. In deze zaak zijn de consequenties van het ongecontroleerde bezit van vuurwapens op het eiland goed zichtbaar en heeft verdachte de consequenties hiervan ook zelf ondervonden. [slachtoffer], een jongen met wie verdachte is opgegroeid, werd immers voor zijn ogen beschoten, waarna hij is overleden.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van langere duur met zich brengt.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor vuurwapenbezit en/of het dragen van een vuurwapen op straat, een gevangenisstraf variërend van 9 maanden tot en met 24 maanden waarvan een deel voorwaardelijk, als indicatie gegeven.
In dit geval houdt het Gerecht er rekening mee dat verdachte een blanco strafblad heeft. Daarnaast houdt het Gerecht rekening met de omstandigheden van deze zaak en het feit dat [slachtoffer] voor de ogen van verdachte is doodgeschoten.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, passend en geboden is. Verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
In beslag genomen voorwerpen Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Tas Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen tas. Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikel 31 van het Wetboek van Strafrecht BES, zoals deze luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING Het Gerecht: -verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan; -kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; -verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, en op 30 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van de RST d.d. 19 december 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “TULUM”.
Eigen waarneming van het Gerecht ter terechtzitting van 9 januari 2025, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.