ECLI:NL:OGEAC:2011:BU6182
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Vonnis in de zaak van: [eiser], wonende in Zwitserland, eiser, gemachtigden: mrs. J. Eichhorn en S.J.M. Hoeben, tegen 1. de naamloze vennootschap RHODIA N.V., 2. de naamloze vennootschap FERULA N.V., beide gevestigd in Curaçao, gedaagden, gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.
Partijen worden hierna [eiser], Rhodia en Ferula genoemd. <b>Verder verloop van de procedure</b>
Het Gerecht is uitgegaan van de volgende processtukken:
Nadat partijen hadden afgezien van het op 24 augustus 2011 te houden pleidooi, is uiteindelijk vonnis bepaald op heden. <b>Feiten</b>
De andere zoon van [vader] heet [broer].
De familie [H], buiten Frankrijk ook wel [H] genoemd, heeft in 1786 Hottinguer & Cie Banquiers Privés opgericht. De bank is nog steeds familiebezit en wordt vanuit Zwitserland gedreven, tot 4 juni 2010 in de vorm van een société en commandite (maatschap), sindsdien als société anonyme (naamloze vennootschap). Volgens traditie treedt het hoofd van de familie, de baron, naar buiten op als voorzitter van de bank. b. Eind jaren ’80 heeft de familie een deel van haar (bancaire) activiteiten om fiscale redenen ondergebracht in de Nederlandse vennootschap Emba, aanvankelijk een naamloze vennootschap, sinds 10 december 2009 een besloten vennootschap.
B.V. Emba is houdstermaatschappij van een groep vennootschappen die actief is in de bancaire sector en in de onroerend goed sector. De operationele activiteiten spelen zich af in Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Zwitserland, de Verenigde Staten en de Bahamas. c. Rhodia en Ferula zijn in 1991 opgerichte holdingvennootschappen, evenals de ook te Curaçao gevestigde naamloze vennootschap Heriot N.V. , waarvan [vader] enig aandeelhouder is. [vader] heeft verder een belang van 30% in Rhodia en Ferula. [eiser] heeft een belang van 40% in Rhodia en van 30% in Ferula. [broer] heeft een belang van 40% in Ferula en van 30% in Rhodia.
Heriot heeft een belang van 30,56% in Emba. Rhodia en Ferula hebben elk een belang van 8,75% in Emba. [eiser] en [broer] hebben ieder een rechtstreeks belang van 0,55% in Emba. d. In het voorjaar van 2009 hebben [vader] en [broer] de maatschapovereenkomst met [eiser] bij de bank met onmiddellijke ingang opgezegd, omdat hij naar hun oordeel geheel zijn eigen koers begon te varen en verstrekkende besluiten nam zonder hen daarbij te betrekken. [eiser] heeft de opzegging aangevochten in een arbitrageprocedure te Genève. Bij arbitraal vonnis van 15 december 2009, dat niet voor hoger beroep vatbaar is, hebben de arbiters beslist dat [eiser] kon worden opgezegd, omdat hij als bestuurder de regels van collegiale besluitvorming had geschonden en daarmee tekort was geschoten in de nakoming van de maatschapovereenkomst. e. Op 29 mei 2009 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Emba besloten tot ontslag van [eiser] als bestuurder, omdat men het vertrouwen in hem had verloren. Op 11 juni 2009 is hij als zodanig uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. [eiser] is daarop een procedure begonnen bij de rechtbank te Den Haag, waarin hij vernietiging vorderde van de besluitvorming, omdat hij nooit een uitnodiging zou hebben ontvangen voor die vergadering. Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Emba van 3 december 2009 is [eiser] nogmaals als bestuurder ontslagen, nu voor zover vereist. Ook van die besluitvorming heeft hij in de procedure te Den Haag vernietiging gevorderd.
Op verzoek van [eiser] is die zaak per 28 december 2010 geroyeerd, zonder dat tussen partijen een regeling tot stand was gekomen. f. Het bestuur van Rhodia bestond medio 2009 uit [eiser] (zelfstandig bevoegd), [vader] en Unitrust N.V. (beide gemeenschappelijk bevoegd). Het kapitaal bestond uit toonderaandelen waarvoor certificaten zijn uitgegeven. [vader] heeft in 2006 zijn certificaten in Rhodia, Ferula en Heriot, te samen met de certificaten van [eiser] naar het filiaal van de bank in Genève gezonden, waar [eiser] toen werkzaam was. Toen de verstandhouding in 2009 was verslechterd heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat het certificaat van [vader] in Rhodia nooit is ontvangen.
Bij brief van 6 juli 2009 aan Unitrust heeft [vader] verzocht om medewerking aan de uitgifte van een nieuwe certificaat. Rhodia heeft dat geweigerd. g. Bij e-mail van 28 juli 2009 heeft [adviseur], adviseur van [eiser], Unitrust verzocht een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van Rhodia bijeen te roepen met als agendapunt het ontslag van [vader] als directeur. Unitrust heeft dezelfde dag geantwoord dat zij in overeenstemming met de formele voorschriften uit de statuten een advertentie in het op Curaçao verschijnende dagblad Amigoe zou zetten, maar dat zij zich als goed bestuurder ook gehouden achtte de andere aandeelhouders via een e-mail aan hun contactpersoon op de hoogte te stellen. [adviseur] heeft daarop geantwoord dat geen goed idee te vinden en Unitrust aansprakelijk te stellen voor al het nadeel dat de vennootschap of haar aandeelhouder van die voorgenomen actie zou ondervinden. Bij brief van 28 juli 2009 is Unitrust daarop afgetreden als bestuurder vanwege onenigheid tussen de overige bestuurders en aandeelhouders. h. [eiser] heeft op of omstreeks 20 oktober 2009 bedragen van in totaal € 123.00,00 van de Zwitserse bankrekening van Rhodia ten titel van bestuursvergoedingen overgemaakt naar zijn eigen rekening, zonder dat de algemene vergadering van aandeelhouders ooit een besluit over de bezoldiging van bestuurders heeft genomen. i. Op 29 oktober 2009 hebben algemene vergaderingen van aandeelhouders van Rhodia en Ferula plaatsgevonden. [vader] en [broer] hebben daarbij [eiser] ontslagen als bestuurder van Ferula. Zij hebben hem ook als bestuurder van Rhodia willen ontslaan en Unitrust opnieuw willen benoemen als bestuurder.
Aan [eiser] is aangeboden “gewoon” bestuurder van Rhodia te worden, dat wil zeggen gemeenschappelijk bevoegd. [eiser] heeft zich in die vergadering op het standpunt gesteld dat [vader] geen aandeelhouder meer was, omdat hij zijn certificaat niet kon tonen, zodat hij, [eiser], met 40% de meerderheid had. [vader] was van oordeel dat hij bij gebreke van een certificaat als aandeelhouder op naam diende te worden aangemerkt. j. [vader] heeft bij dit Gerecht een kort geding aangespannen om op grond van artikel 2:105, lid 4 BW, als aandeelhouder die ten genoege van de vennootschap aannemelijk maakt dat zijn toonderbewijs is verloren of teniet gegaan, tot de algemene vergadering van aandeelhouders van Rhodia te worden toegelaten.
Bij vonnis van 16 december 2009 is die vordering toegewezen. In hoger beroep is dat vonnis op 9 november 2010 door het Gemeenschappelijk Hof bevestigd. k. In de algemene vergaderingen van aandeelhouders van Rhodia van 4 januari 2010 en 21 januari 2010 is [eiser] als bestuurder ontslagen, de laatste keer voor alle zekerheid, omdat de agenda voor de eerdere vergadering niet was opgenomen in de advertentie in de Curaçaosche Courant. l. Bij brief van 8 januari 2010, meer dan vier weken voor het aanhangig maken van de vordering in de onderhavige procedure, heeft de gemachtigde van [eiser] aan de besturen van Rhodia en Ferula de bezwaren van [eiser] tegen een voortdurend aandeelhouderschap in die vennootschappen kenbaar gemaakt. Rhodia noch Ferula noch een van de medeaandeelhouders heeft vóór het aanhangig maken van deze procedure een schriftelijk, onvoorwaardelijk en onherroepelijk aanbod als bedoeld in artikel 2:251 vierde lid BW aan [eiser] gedaan om zijn aandelen tegen contante betaling over te nemen. <b>Geschil</b>
Bij wijze van voorlopige voorzieningen vordert [eiser] daarnaast de schorsing te bevelen van de werking van alle besluiten van de vergaderingen van aandeelhouders van Rhodia en Ferula van 4 en 21 januari 2010, de schorsing te bevelen van alle bestuurders van beide vennootschappen met tijdelijke aanstelling van door het Gerecht aan te wijzen andere bestuurders, tijdelijke ontneming van het stemrecht van alle aandeelhouders van Rhodia en Ferula en ten slotte een bevel aan [vader], [broer], Rhodia en Ferula om alle handelingen na te laten die tot een directe waardevermindering van de aandelen kunnen leiden en om reeds verrichte handelingen die daartoe kunnen leiden terug te draaien, alles met verwijzing van Rhodia en Ferula in de proceskosten.
Nu zijn medeaandeelhouders er alles aan doen om hem als aandeelhouder uit te schakelen kan [eiser] niet anders doen dan de handdoek in de ring te gooien.
De gedragingen van [vader] en [broer], waardoor [eiser] zowel op aandeelhoudersniveau als op bestuursniveau is verwijderd en volledig buiten spel gezet, zijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:7 eerste lid BW.
Ze kwalificeren ook als gedragingen in de zin van artikel 2:251 BW waardoor van [eiser] in redelijkheid niet langer kan worden gevergd dat zijn aandeelhouderschap in Rhodia en Ferula voortduurt. Ingevolge Hof Amsterdam, OK 20 november 1997, NJ 1998, 392 levert alleen het ontslag van [eiser] uit de directies van de beide vennootschappen al een gedraging op als bedoeld in dat artikel.
Om te voorkomen dat hangende de uittredingsprocedure onomkeerbare gevolgen zullen intreden verzoekt [eiser] een aantal voorlopige voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 2:255 BW.
Het opzeggen na zoveel jaar van de maatschapovereenkomst met de toekomstige baron [H], die was voorbestemd als voorzitter van de bank, was een zeer vergaande stap. De rechtmatigheid van die opzegging is beoordeeld door arbiters. Hun uitspraak kon vanwege een geheimhoudingsverplichting niet worden overgelegd, maar [eiser] heeft niet weersproken dat zij hebben geoordeeld als hiervoor onder 1d. weergegeven. Dat oordeel komt erop neer dat [eiser] zodanig tekort is geschoten in de nakoming van de maatschapovereenkomst dat het de anderen vrij stond die overeenkomst op te zeggen.
Het komt niet waarschijnlijk voor dat arbiters tot dat oordeel zouden zijn gekomen als het hier slechts ging om een dispuut over een benoeming op de Bahamas met een procesbeluste vader, die de macht niet uit handen wenst te geven en daarin wordt gesteund door zijn jongste zoon en oogappel, die iedere relevante bancaire ervaring mist, zoals [eiser] wil doen geloven. Kortom, [eiser] heeft de opzegging van de maatschapovereenkomst en zijn verwijdering uit het bestuur van de bank aan zichzelf te wijten. Voor zover die verwijdering kan worden aangemerkt als gedraging van [vader] en [broer] in de zin van artikel 2:251, eerste lid, BW, leidt die dan ook niet tot de conclusie dat van [eiser] in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zijn aandeelhouderschap voortduurt. Voor de beoordeling is verder van belang dat [eiser] verder geen concrete gedraging van [vader] of [broer] op het niveau van de bedrijfsactiviteiten heeft kunnen noemen waardoor hij in zijn rechten of belangen als medeaandeelhouder in Rhodia en Ferula zou worden geschaad.
Ferula heeft het voornemen gehad haar aandelen Emba over te dragen aan Emba Holdings BV, maar heeft daarvan afgezien. Ook als dit wel zou zijn doorgegaan valt niet in te zien hoe [eiser] daardoor zou zijn geschaad, omdat Ferula in dat plan 100% aandeelhouder van Emba Holdings BV zou zijn geworden.
Voor een dergelijk afschuiven is gelet op de schuldvraag al helemaal geen aanleiding.
Nu de vordering wordt afgewezen, hoeft op de verzochte voorlopige voorzieningen niet meer te worden ingegaan.
Het Gerecht:
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 14 november 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.