HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Vonnis in het kort geding van: [EISER], woonplaats gekozen hebbende te Curaçao, eiser, gemachtigde: mr. E.F. Sulvaran, tegen de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO, zetelend te Curaçao, gedaagde, hierna te noemen: het Land, gemachtigde: mr. T.E. Matroos. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1. Het Gerecht heeft wederom kennis genomen van de stukken die zich in het griffiedossier bevinden, waaronder thans ook: - het tussenvonnis van 29 november 2016; - de aantekeningen van de griffier van de zitting van 2 december 2016; - de op 5 december 2016 ontvangen producties aan de zijde van het Land; - de aantekeningen van de griffier van de zitting van 6 december 2016 en de tijdens de zitting overgelegde pleitnotities van de gemachtigden. 1.2. Het vonnis is bepaald op heden. 2De feiten 2.1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. 2.2. Op 11 september 2013 hebben de autoriteiten van Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) een verzoek tot de voorlopige aanhouding van eiser aan Curaçao gericht met het oog op diens uitlevering vanwege de verdenking van, kort samengevat, de handel in verdovende middelen. 2.3. Eiser is op 2 oktober 2013 aangehouden te Curaçao. 2.4. Op 30 oktober 2013 hebben de VS een verzoek strekkende tot uitlevering van eiser aan Curaçao gericht (hierna: het uitleveringsverzoek). 2.5. Op vordering van de procureur-generaal heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) bij advies aan de Gouverneur van Curaçao van 6 februari 2014 de uitlevering ontoelaatbaar geacht. Tegen dit advies is cassatieberoep ingesteld. 2.6. Bij arrest van 9 december 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld, zakelijk weergegeven, dat het Hof in zijn advies van 6 februari 2014 heeft miskend dat “aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat” en dat het hierover klagende cassatiemiddel terecht was voorgesteld. De Hoge Raad heeft het advies van het hof van 6 februari 2014 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het Hof teneinde de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering opnieuw te beoordelen. 2.7. Bij advies aan de Gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten van 3 september 2015 heeft het Hof geconcludeerd, kort gezegd, dat de uitlevering van eiser toelaatbaar is. In het advies heeft het Hof onder meer het volgende geoordeeld, voor zover in deze van belang: “6.1 De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de verzoeken om uitlevering ontoelaatbaar zijn aangezien er sprake is van een reeds voltooide, niet te repareren schending van artikel 6 EVRM. Daarnaast is er volgens haar tevens sprake van een dreigende flagrante schending van deze bepaling en voert zij aan dat er voor de opgeëiste persoon na een mogelijke uitlevering geen effectief rechtsmiddel voorhanden is. Subsidiair heeft de raadsvrouw het Hof verzocht nader onderzoek te gelasten. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw –zakelijk weergegeven- gesteld dat er sprake is geweest van een undercoveractie door de Amerikaanse autoriteiten waarbij gebruik is gemaakt van infiltratie en uitlokking. Het is volgens de raadsvrouw een reëel risico dat de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten wordt veroordeeld op grond van bewijsmateriaal dat naar criteria die gelden voor Curaçao en Sint Maarten onrechtmatig verkregen is. 6.2 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV8326) de volgende maatstaf geformuleerd: “De bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de Minister van Justitie die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan, brengt mee dat de rechter op grond van zijn toetsing aan art. 6 (https://www.navigator.nl/) EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 (https://www.navigator.nl/) EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering.” Het hof komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verweer van de raadsvrouw, dat sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM, aangezien die beoordeling ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad aan respectievelijk de Gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten is. 6.3 De onderbouwing door de raadsvrouw van haar standpunt dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM stoelt op de vrees dat het verkregen bewijsmateriaal tot een berechting leidt waarbij niet de waarborgen in acht worden genomen die in Curaçao gelden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 december 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:2257 en 2258) uitdrukkelijk overwogen dat: “aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat”. Het standpunt van de raadsvrouw houdt in dat zij het Hof verzoekt zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Gezien de uitspraak van de Hoge Raad is daarvoor geen ruimte, en het Hof zal zich dienaangaande dan ook van een oordeel onthouden. De raadsvrouw heeft voor het overige geen argumenten naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat sprake zou zijn van het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM, zodat het Hof tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken. 6.4 Nu het Hof een inbreuk, als hiervoor uiteengezet in 6.3, niet heeft aangenomen komt het, ingevolge het arrest van HR 11 maart 2003 (ECLI:NLHR:2003:AF3312, NJ 2004/42 r.o. 3.4) niet toe aan de beoordeling van de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk, zodat ook dat verweer van de raadsvrouw faalt. 6.5 Tot slot is het Hof van oordeel dat de verzoeken die de raadsvrouw heeft gedaan tot het horen van getuigen en het overleggen van stukken dienen te worden afgewezen aangezien deze naar het oordeel van het hof eveneens vallen binnen het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewijsgaring.” Tegen dit advies is cassatieberoep ingesteld. 2.8. Bij arrest van 15 november 2016 heeft de Hoge Raad, zakelijk weergegeven, het advies van het hof d.d. 3 september 2015 vernietigd maar uitsluitend voor zover het Hof heeft verzuimd de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan genoegzaam te vermelden, en de uitlevering van eiser toelaatbaar verklaard voor de in het arrest nader omschreven feiten. 2.9. Eiser is op 15 november 2016 aangehouden en bevindt zich thans in uitleveringsdetentie. 3De verdere beoordeling van het geschil Belang 3.1. Het Land heeft primair het verweer gevoerd dat het kort geding prematuur is, omdat de Gouverneur nog geen beslissing over het toestaan van de uitlevering heeft genomen en het nog onduidelijk is wat deze beslissing zal inhouden. 3.2. Het Gerecht is van oordeel dat het belang voortvloeit uit de aard van het verzoek. Voor een verbod, zoals door eiser verzocht, is het niet nodig dat er reeds (onrechtmatig) gehandeld is. Voldoende is dat wordt gesteld en aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een reële dreiging van toekomstig (onrechtmatig) handelen door of namens het Land. Eiser heeft gesteld, en het Land heeft dit erkend, dat hij in verband met de onderhavige uitleveringszaak - meteen na het door de Hoge Raad gewezen arrest van 15 november 2016 - is aangehouden en thans gedetineerd is. Daarmee is de dreiging dat eiser daadwerkelijk op basis van een nog door de Gouverneur te nemen beslissing zal worden uitgezet, reëel. Eiser heeft in zoverre belang bij zijn verzoek. Het Gerecht komt derhalve toe aan de beoordeling daarvan. 3.3. Ter beoordeling staat of het mogelijke (toekomstige) besluit van de Gouverneur om eiser aan de VS uit te leveren onrechtmatig is. Het Gerecht stelt in dit verband het volgende voorop. Toetsingskader 3.4. Uit de parlementaire geschiedenis van de Cassatieregeling in uitleveringszaken voor de Nederlandse Antillen en Aruba volgt dat de rijkswetgever zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698). De in het Nederlandse recht ontwikkelde jurisprudentie is in de onderhavige zaak derhalve van toepassing. Uit de rechtspraak wordt het volgende toetsingskader voor de Curaçaose praktijk afgeleid. 3.5. Op grond van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (hierna: het Uitleveringsbesluit) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens (namens het Land) door de Gouverneur bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Gouverneur toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Gouverneur en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Gouverneur, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon. 3.6. Uit (het systeem van) het Uitleveringsbesluit en het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Uitleveringsverdrag), waaronder het aan artikel 8 van de Nederlandse Uitleveringswet vergelijkbare artikel 7 van het Uitleveringsverdrag, volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Gouverneur is voorbehouden aan de Gouverneur namens het Land (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533). Indien tegen een besluit van de Gouverneur om de uitlevering toe te staan wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007/277). 3.7. De hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Gouverneur betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Gouverneur aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Gouverneur (althans, zoals in casu, het dreigende besluit) ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680). Standpunt eiser 3.8. Eiser heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er in deze sprake is van een (voltooide of dreigende) flagrante schending van artikel 6 EVRM. Volgens eiser dient om die reden een uitzondering te worden gemaakt op het vertrouwensbeginsel, dat ervan uitgaat dat in geval van uitlevering de verzoekende staat (in dit geval de VS) de fundamentele rechten van de door haar opgeëiste persoon, die zijn neergelegd in het EVRM, zal respecteren. Eiser heeft dit onderbouwd met de volgende feitelijke stellingen, kort en zakelijk weergegeven:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.