Uitspraak van 27 juni 2018 BBZ nr. CUR201600246 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [ X ], wonende te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Curaçao, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 2 oktober 2015 een aanslag premies AOV/AWW over het jaar 2013 opgelegd naar een premie-inkomen van Naf. 58.616. 1.2 Belanghebbende heeft op 4 november 2015 bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslag. 1.3 De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 april 2016 de aanslag verminderd naar een premie-inkomen van Naf. 56.303. 1.4 Belanghebbende heeft op 20 mei 2016 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Daarbij is een bedrag aan griffierecht betaald van Naf. 50. 1.5 De Inspecteur heeft op 16 november 2017 een verweerschrift ingediend. 1.6 De zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen [ A ]. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Het onderzoek ter zitting is geschorst. 1.7 Belanghebbende heeft op 13 december 2017 nadere stukken ingebracht. 1.8 De Inspecteur heeft op 25 mei 2018 per e-mail daarop gereageerd. 1.9 Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2018. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen [ B ]. Het onderzoek ter zitting is gesloten. 2FEITEN 2.1 Belanghebbende is als docent in dienstbetrekking werkzaam. 2.2 Daarnaast verricht belanghebbende onder de naam [ Z ] nevenwerkzaamheden, bestaande uit onder meer het begeleiden van studenten (hierna: de nevenwerkzaamheden). De met deze werkzaamheden behaalde omzetten en resultaten zijn als volgt: Jaar Omzet (Naf.) Resultaat (Naf.) 2006 13.395 -/- 23.182 2007 8.456 -/- 24.434 2008 -/- 19.961 2009 -/- 25.179 2010 12.618 -/- 15.189 2011 7.509 -/- 28.256 2012 5.064 -/- 37.336 2013 7.166 -/- 34.049 2014 13.963 -/- 17.811 2015 315 -/- 21.821 2.3 De zoon van belanghebbende is geboren in 1994 en volgt vanaf augustus 2013 een opleiding aan de Hanzehogeschool in Groningen. De zoon geniet in Nederland een basisbeurs en aanvullende beurs hbo/wo. 3GESCHIL 3.1 In geschil is of de Inspecteur het premie-inkomen naar het juiste bedrag heeft vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of de nevenwerkzaamheden als een bron van inkomen kunnen worden aangemerkt en of belanghebbende de uitgaven voor de studiekosten van haar zoon als buitengewone lasten in aftrek kan brengen. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend. 3.2 De Inspecteur concludeert tot een vermindering van de aanslag AOV/AWW naar een premie-inkomen van Naf. 51.450. Belanghebbende concludeert tot een vermindering van dat premie-inkomen met Naf. 34.049 (verlies uit nevenwerkzaamheden) en Naf. 4.112 (studiekosten), zodat de aanslag AOV/AWW moet worden vastgesteld naar een premie-inkomen van Naf. 13.289. 4BEOORDELING VAN HET BEROEP Bron van inkomen 4.1 Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 3 maart 1954, nr. 11.683, BNB 1954/125 en HR 1 februari 2002, nr. 36.238, ECLI:NL:HR:2002:AD8763) worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt. 4.2 In het kader van de objectieve voordeelsverwachting dient te worden onderzocht of de activiteiten van belanghebbende voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn dan wel of daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren (HR 14 oktober 2005, nr. 40.224, ECLI:NL:HR:2005: AR6821). 4.3 De vraag of in een bepaald jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, ECLI:NL:HR:2011: BP5707). 4.4 Vaststaat dat de nevenwerkzaamheden van belanghebbende van 2006 tot en met 2015 jaarlijks steeds tot negatieve resultaten hebben geleid (zie 2.2). Nu sprake is van een jarenlang negatief resultaat brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een voordeelsverwachting. Belanghebbende heeft echter geenszins aannemelijk gemaakt dat in de toekomst met de nevenwerkzaamheden een positieve opbrengst is te verwachten. Gelet daarop is naar het oordeel van het Gerecht in de onderhavige jaren geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting. Deze werkzaamheden vormen derhalve geen bron van inkomen. Het premie-inkomen wordt mitsdien niet verminderd met het negatieve resultaat uit de nevenwerkzaamheden. Studiekosten 4.5 Ingevolge artikel 16A, lid 1, letter e van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna: LIB) komen als buitengewone lasten in aanmerking de op de belastingplichtige drukkende uitgaven van een middelbaar beroeps-, hoger beroeps-, universitaire of daarmee vergelijkbare opleiding voor eigen kinderen tot 27 jaar tot ten hoogste Naf. 10.000 (hierna: studiekosten). Op grond van artikel 16a, lid 5, LIB wordt dit bedrag bij gehuwden verdubbeld tot Naf. 20.000. 4.6 Artikel 16A, lid 3, LIB bepaalt dat tot de aftrekbare (zuivere) studiekosten slechts worden gerekend:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.