← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2018:181

Landsverordening administratieve rechtspraak Uitspraak: 4 juli 2018 Zaak nr. Lar: CUR201802165 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening van: de naamloze vennootschappen

  1. ENNIA CARIBE LEVEN N.V.,
  2. ENNIA CARIBE SCHADE N.V. en
  3. ENNIA CARIBE ZORG N.V. , gevestigd te Curaçao, verzoeksters, gemachtigden: mr. C.H.M. Fiévez, advocaat, en mr. G. Roth, advocaat in Nederland, tegen de beschikking van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: de Bank) van 3 juli 2018 tot intrekking van de vergunningen met nummers 0003 L.O.N, 0006SON en 0001SON. Procesverloop Bij beschikking van 3 juli 2018 (de intrekkingsbeschikking) heeft de Bank de aan verzoeksters verleende vergunningen op de voet van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder g, van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf (LTV) ingetrokken, omdat zij, alsmede haar beleidsbepalers en medebeleidsbepalers, niet voldoen aan de bij de LTV opgelegde verplichtingen. Bij brief van 3 juli 2018 hebben verzoeksters daartegen bezwaar gemaakt. Voorts hebben verzoeksters het Gerecht bij verzoekschrift van 4 juli 2018 verzocht de intrekkingsbeschikking te schorsen. De behandeling van het verzoek heeft ter zitting van het Gerecht op 4 juli 2018 plaatsgevonden, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden, en de Bank, vertegenwoordigd door mrs. K. Keizer, S. Altena en S. Francisco zijn verschenen. Verder zijn [naam 1] (interim financieel en economisch directeur), [naam 2] (juridisch adviseur), [naam 3] (hoofd financiële stabiliteit) en [naam 4] (portefeuillehouder en stille curator Ennia N.V.), allen werkzaam bij de Bank, verschenen. Overwegingen
  4. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Lar, kan een beschikking waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, of waaromtrent een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt als bedoeld in hoofdstuk 4, op verzoek van de indiener van het beroepschrift onderscheidenlijk de bezwaarde geheel of gedeeltelijk door het Gerecht worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen belang. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel als in de eerste volzin bedoeld.
  5. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd de Bank de intrekking van de vergunningen louter gebruikt om op de voet van artikel 60, eerste lid, van de LTV een vordering tot het treffen van een noodregeling bij het Gerecht kan worden ingediend. Aan de intrekking van de vergunningen worden hoge eisen gesteld voor wat betreft de motivering, de belangenafweging en de zorgvuldigheid. Daaraan wordt in dit geval in het geheel niet voldaan, aldus verzoeksters. Daarom wordt verzocht de intrekkingsbeschikking te schorsen. Dit brengt met zich dat volgens verzoeksters de grondslag aan de vordering tot het uitspreken van een noodregeling komt te ontvallen en wordt voorkomen dat de intrekkingsbeschikking voor verzoeksters een onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door de intrekkingsbeschikking te dienen belang.
  6. Ten aanzien van het verzoek overweegt het Gerecht als volgt. 3.
  7. Aan de intrekkingsbeschikking heeft de Bank ten grondslag gelegd dat de solvabiliteitspositie van verzoeksters niet voldoet aan de wettelijke eisen. Verzoeksters hebben een groot kapitaaltekort met als gevolg dat zij op termijn hun verplichtingen richting de verzekeringsnemers, verzekerden of andere gerechtigden op uitkeringen niet meer kunnen voldoen. De beleidsbepalers en medebeleidsbepalers van verzoeksters volgen de aanwijzingen van de Bank niet op. De Bank was daarom genoodzaakt stille curatoren aan te stellen. Verzoeksters houden zich ook niet aan de voorwaarden van de stille curatele. In het bijzonder laat de directie van verzoeksters na om voor het uitoefenen van haar bevoegdheden voorafgaande goedkeuring te krijgen. Daarbij heeft de directie van verzoeksters nagelaten om geld dat aan verzoeksters is onttrokken terug te storten om aldus de solvabiliteit te verbeteren, aldus de Bank. 3.
  8. Ter zitting is door verzoeksters erkend dat reeds gedurende een reeks van jaren door de Bank aanwijzingen aan hen zijn gegeven en gesprekken worden gevoerd met haar directie en aandeelhouder, ten einde de solvabiliteit van verzoeksters te laten voldoen aan de wettelijke vereisten. Verzoeksters hebben ter zitting op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat aan de door de Bank gegeven aanwijzingen is voldaan en naar aanleiding van de met de Bank gevoerde gesprekken stappen zijn ondernomen om de solvabiliteitspositie van verzoeksters te verbeteren, althans dat hun solvabiliteitspositie zodanig is dat zij op termijn aan hun verplichtingen richting de verzekeringsnemers, verzekerden of andere gerechtigden op uitkeringen kunnen blijven voldoen. Het had op de weg van verzoeksters gelegen om in ieder geval – hoe summier ook – aannemelijk te maken dat haar solvabiliteitspositie de intrekkingsbeschikking niet rechtvaardigt. Verzoeksters hebben dat nagelaten. Naar het voorlopig oordeel van het Gerecht bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de intrekkingsbeschikking geen stand zal houden. 3.
  9. Ook een afweging van de betrokken belangen valt niet in het voordeel van verzoeksters uit. Immers, de belangen van de verzekeringnemers, die op grond van de LTV door de Bank dienen te worden behartigd, prevaleren boven de belangen van verzoeksters om, ondanks de door de Bank gestelde solvabiliteitspositie, haar activiteiten op dezelfde voet voort te zetten. 3.
  10. Gelet op hetgeen in 3.2 en 3.3 is overwogen, wijst het Gerecht het verzoek af.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.