GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: [eiser], wondende te Haïti, eiser, gemachtigden: mr. O. D. Lodowica, advocaat en B. Martis, en DE MINISTER VAN JUSTITIE, verweerder, gemachtigde: mr. K.M. Leito-Rosario, werkzaam bij verweerder. Procesverloop Op 18 juli 2017 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beschikking van verweerder van 30 juni 2017 waarbij zijn aanvraag om een vergunning tot tijdelijk verblijf is afgewezen (het bezwaar). Op 4 juni 2018 heeft eiser het Gerecht verzocht om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar (het verzoek). Bij beschikking van 11 juni 2018 heeft verweerder op het bezwaar beslist (de bestreden beschikking). Op 19 juni en 23 juli 2018 heeft eiser het verzoek aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 23 juli 2018 plaatsgevonden. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden, vergezeld door zijn vader [vader]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft eiser het Gerecht verzocht om de aanvulling op het verzoek van 19 juni 2018 als beroepschrift aan te merken en deze zaak als beroep tegen de bestreden beschikking te behandelen. Nadat de minister heeft verklaard geen bezwaren te hebben daartegen heeft het Gerecht dit verzoek ingewilligd. Overwegingen 1.1 Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Curaçao toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf. 1.2 Volgens verweerders beleid, zoals neergelegd in paragraaf 4.8 van de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers inzake de Landsverordening Toelating en Uitzetting en het Toelatingsbesluit van juni 2006 (de HIG), komen voor toelating in aanmerking uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, de niet uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin en de meerderjarige kinderen tot de leeftijd van 27 jaar zolang studerend en financieel afhankelijk. Volgens paragraaf 4.10 van de HIG is het uitgangspunt dat op het moment dat de moeder of vader de kinderen achterlaat het feitelijke gezinsverband wordt geacht te zijn verbroken. Wordt de aanvraag ingediend indien de scheiding tussen ouders en kind korter is dan vijf jaar, dan wordt aangenomen dat het kind nog feitelijk tot het gezin behoort. Er is sprake van verbreking van het gezinsverband wanneer de scheiding tussen ouder en kind langer heeft geduurd dan vijf jaar. Volgens paragraaf 4.11 van de HIG dienen meerderjarige kinderen tot de leeftijd van 27 jaar die feitelijk behoren tot het gezin toegelaten te worden, mits wordt aangetoond dat deze studerend en financieel afhankelijk zijn van hun ouders.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.