← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2018:279

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Beslissing op grond van artikel 87, derde lid, van de Lar in het geding tussen: [verzoekster], wonende in Curaçao, verzoekster, gemachtigde: mr. R.S.M. Moeniralam, advocaat, en DE MINISTER VAN JUSTITIE, verweerder. Procesverloop Bij beschikking van 8 oktober 2018 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen (de bestreden beschikking). Daartegen heeft verzoekster op 25 oktober 2018 beroep ingesteld bij dit Gerecht (CUR201803539). Op 5 november 2018 heeft verzoekster om een voorlopige voorziening hangende het beroep verzocht. Overwegingen 1.1 Op grond van artikel 85, eerste lid, van de Lar kan, voor zover thans van belang, een beschikking, waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, op verzoek van de indiener geheel of gedeeltelijk worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen doel. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel, als in de eerste volzin bedoeld. Artikel 86 van de Lar bepaalt dat het Gerecht met spoed in raadkamer op het verzoek beslist, na het horen, althans behoorlijke schriftelijke oproeping daartoe van alle partijen en hun gemachtigden. Op grond van artikel 87, derde lid, van de Lar kan het Gerecht op het verzoek beslissen met terzijdestelling van artikel 86, indien het Gerecht van oordeel is dat partijen er niet door in hun belangen worden geschaad. 1.2 Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Landsverordening Toelating en uitzetting (Ltu) kan de minister van Justitie uit Curaçao verwijderen: a. personen die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnen gekomen; b. personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen. Op grond van het derde lid geschiedt de verwijdering krachtens een met redenen omkleed bevelschrift, hetwelk aan betrokkene in persoon wordt uitgereikt. 2. Met haar verzoek beoogt verzoekster te bewerkstelligen dat zij de beslissing op het door haar ingediende beroepschrift op Curaçao mag afwachten. 3. Naar het oordeel van het Gerecht is het verzoek evident niet voor inwilliging vatbaar, omdat niet is gebleken dat verzoekster een voldoende spoedeisend belang heeft bij de door haar verlangde voorlopige voorziening. Verder is gesteld noch gebleken dat, als gevolg van de bestreden beschikking, ten aanzien van haar verblijf hier te lande op korte termijn bestuurlijke handhaving door middel van verwijdering op grond van artikel 19 van de Ltu of anderszins dreigt. Bij afwezigheid van een dergelijke dreiging is voor toepassing van artikel 85 van de Lar, zoals door verzoekster verzocht, geen plaats. 4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het Gerecht wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter in het Gerecht, en bekend gemaakt op 9 november 2018 te Curaçao, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier. Tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.