← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2018:291

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR201802173 Vonnis d.d. 29 oktober 2018 inzake de naamloze vennootschap RHM MANAGEMENT AND INVESTMENT COMPANY N.V., gevestigd te Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer, tegen [gedaagde], wonende in Curaçao, te Ronde Klip 33, gedaagde, niet in rechte verschenen. Het procesverloop Eiseres heeft bij inleidend verzoekschrift op 3 juli 2018 ter griffie ingediend, gesteld en gevorderd als is vermeld in dat verzoekschrift. Gedaagde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De rechter heeft tegen gedaagde verstek verleend. Vonnis is bepaald op heden. De beoordeling Eiseres vordert een bedrag van NAf 1.885,32, zijnde de aan eiseres verschuldigde hoofdsom, vermeerderd met 15% buitengerechtelijke incassokosten over de hoofdsom en de overeengekomen boeterente ad 25% per maand vanaf 24 maart 2018 tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede de proceskosten en NAf 5,00 aan uittrekselkosten, als ook zegelkosten voor het indienen van dit verzoekschrift NAf 20,

  1. Eiseres en gedaagde hebben op 28 februari 2018 een geldleningsovereenkomst afgesloten. Daaruit blijkt dat gedaagde de lening in vier gelijke maandelijkse termijnen van NAf 471,33 diende terug te betalen, beginnende op 23 maart 2018 en eindigend op 22 juni
  2. Ondanks diverse aanmaningen, is betaling zijdens gedaagde uitgebleven. Uit de geldleningsovereenkomst blijkt dat eiseres op 28 februari 2018 een bedrag van Naf 1.000,00 als hoofdsom ter verbruikleen aan gedaagde ter beschikking heeft gesteld. Ingevolge die overeenkomst is gedaagde bij het te laat betalen een boeterente van 25% per maand over de reeds verstreken termijn verschuldigd bij terugbetaling in vier maandelijkse termijnen. Partijen zijn in beginsel vrij overeen te komen welke rente over het geleende bedrag verschuldigd zal zijn en welke kosten aan de kredietnemer in rekening worden gebracht. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Sinds 5 mei 2017 hanteert de Centrale Bank als beleidsmaatstaf voor het verlenen van vergunningen en/of ontheffingen op basis van de Landsverordening Toezicht Bank- en Kredietwezen in geval van kredietverlening aan consumenten een maximum van 27% aan annual percentage rate of charge (APR). Hierin, en in de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 24 juli 2018 (ECLI:NL:OGHACMB:2018:122), ziet het Gerecht aanleiding de overeenkomst nietig te oordelen voor zover die voorziet in een verplichting tot vergoeding van rente en kosten die uitgaat boven 27% per jaar, te rekenen over het geldbedrag dat daadwerkelijk aan schuldenaar ter beschikking is gesteld (“de kale hoofdsom”).Van omstandigheden op grond waarvan een hogere APR in het onderhavige geval gerechtvaardigd zou zijn, is onvoldoende gebleken. Gelet op het voorgaande wordt toegewezen de hoofdsom van NAf 1.000,00 vermeerderd met 2,25% rente vanaf 24 maart 2018, alsmede vermeerderd met NAf 282,79 aan buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De beslissing Het Gerecht: - veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen NAf 1.000,00 vermeerderd met 2,25% rente per maand vanaf 24 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met NAf 282,79 aan buitengerechtelijk incassokosten; - veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 250,00 aan gemachtigdensalaris en NAf 517,50 aan verschotten, waarin begrepen NAf 280,00 aan griffierechten en NAf 25,00 aan zegel- en uittrekselkosten; - verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Martijn, rechter, en op 29 oktober 2018 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier. Crc/Apc

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.