← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2018:384

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Vonnis in kort geding In de zaak van: [eiser], wonende te Venezuela, eiser, gemachtigde: mr. Q.D.A. Carrega, tegen de naamloze vennootschap Banco del Orinoco N.V., gevestigd te Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mrs. T.E. Matroos en R.U.A. Helberg-Proctor, Partijen zullen hierna [eiser] en BdO genoemd worden. 1Verloop van de procedure 1.

  1. [ eiser] heeft op 23 mei 2018 een kort geding verzoekschrift met producties ingediend. De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2018 plaatsgevonden. Beide partijen zijn verschenen bij gemachtigde en hebben het woord gevoerd, BdO aan de hand van pleitaantekeningen, die in het dossier zijn gevoegd. 1.
  2. Uitspraak is bepaald op heden. 2De feiten 2.
  3. [ eiser] houdt bij de BdO een bankrekening (nummer [rekeningnummer]) met een saldo van USD 275.870,84 per 30 april
  4. 2.
  5. Sedert april 2018 probeert [eiser] haar relatie met BdO te beëindigen en het saldo op zijn bankrekening overgemaakt te krijgen naar zijn bankrekening bij de Israel Discount Bank of New York in New York. 2.
  6. Tot op heden heeft BdO geen uitvoering gegeven van het verzoek van [eiser]. 3Het geschil en de beoordeling 3.
  7. [ eiser] vordert, kort gezegd, om BdO bij vonnis in kort geding, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van USD 275.870,84, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2018 tot en met de dag der algehele voldoening, met veroordeling van BdO in de proceskosten. 3.
  8. [ eiser] stelt zich op het standpunt dat BdO op basis van de algemene voorwaarden gehouden is het gevorderde uit te betalen. Voor het uitblijven van de overboeking heeft BdO geen valide reden gegeven. Dat leidt tot wanprestatie c.q. onrechtmatige daad zijdens BdO. 3.
  9. BdO voert ten verwere aan dat zij niet in staat is om het geldbedrag over te boeken nu de correspondent bank de betaling niet wil verwerken omdat het een buitensporige en ongebruikelijke geldoverdracht zou betreffen. Aldus heeft BdO niet onrechtmatig gehandeld, dan wel kan dat haar niet worden toegerekend. 3.
  10. Partijen zijn het eens over het bedrag dat BdO namens [eiser] onder zich heeft. Voorts is niet in geschil dat BdO gehouden is tot betaling c.q. het overboeken van de overige gevorderde gelden, mede nu de gegunde termijn niet heeft geresulteerd in de overboeking van de gevorderde gelden. In het kader van de in dit kort geding te nemen beslissing ligt de vraag voor of voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat de bodemrechter zal oordelen dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid niet van BdO gevergd kan worden dat zij deze verplichting nakomt. In het kader van de daarbij te maken afweging dient te worden beoordeeld of er in de verhouding tussen BdO en [eiser] gewicht dient toe te komen aan de betalingsonmacht waarin BdO stelt te verkeren. 3.
  11. Naar het oordeel van het Gerecht heeft BdO, gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser], onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij door toedoen van de correspondent bank niet in staat is om tot overboeking van gelden over te gaan. BdO heeft geen onderbouwing aangedragen voor haar stelling dat de correspondent bank het betalingsverzoek van BdO niet heeft verwerkt. De omvang van het in casu te overboeken bedrag is op zichzelf bezien, ook in het licht van de aangehaalde (inter)nationale regelgeving ter bestrijding van terrorismefinanciering en belastingontduiking, onvoldoende om voorshands daartoe te kunnen concluderen. Aldus heeft BdO onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij door toedoen van de correspondent bank in betalingsonmacht is komen te verkeren. Reeds om die reden ligt de vordering van [eiser] voor toewijzing gereed. 3.
  12. Gelet op het vorenstaande zal de vordering van [eiser] zoals geformuleerd onder rechtsoverweging 3.
  13. worden toegewezen zoals hierna vermeld. 4.
  14. BdO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten ad NAf 1.000,= aan gemachtigdensalaris, Naf 4.970,- aan griffierechten en NAf 510,96 aan oproepingskosten. 5De beslissing Het Gerecht: rechtdoende in kort geding: - veroordeelt BdO tot betaling aan [eiser] van een bedrag van USD 275.870,84, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2018 tot en met de dag der algehele voldoening; - veroordeelt BdO in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op NAf 1.000,= aan gemachtigdensalaris Naf 4.970,- aan griffierechten en NAf 510,96 aan oproepingskosten; - verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2018.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.