Uitspraak van 19 januari 2018 BBZ nr. CUR201600617 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO UITSPRAAK Na vereenvoudigde behandeling van het beroep in de zin van artikel 7a van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) in het geding tussen: [ X ]HH, wonende in Curaçao, belanghebbende, en, DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN VAN CURACAO, zetelend in Curaçao, de Inspecteur, 1HET PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 15 maart 2013 over het jaar 2011 een aanslag premie AOV/AWW opgelegd. Belanghebbende is op 4 juni 2014 tegen de aanslag in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft op 8 juli 2016 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet- ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is op 5 september 2016 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. 1.2 Het Gerecht heeft aan belanghebbende, met dagtekening 7 december 2016 een brief verstuurd met de mededeling dat griffierecht is verschuldigd van Naf. 50,- en dat het bedrag binnen zes weken na dagtekening van de brief moet zijn betaald. De brief is voorzien van de juiste adressering en naar het juiste adres verzonden. In de brief is vermeld dat, indien het griffierecht niet tijdig wordt betaald, het beroep niet- ontvankelijk kan worden verklaard. 1.3 Nadien heeft het Gerecht aan belanghebbende ter herinnering een brief doen toekomen met dagtekening 28 maart 2017 met de mededeling dat uit de administratie van het Gerecht blijkt dat nog niet is voldaan aan de uitnodiging om het griffierecht te betalen en dat het griffierecht binnen twee weken na dagtekening van de brief betaald dient te worden. Deze brief is op 28 maart 2017 per e-mail verstuurd. Ook in deze brief is belanghebbende erop gewezen dat bij niet tijdige betaling niet- ontvankelijk verklaring kan volgen.
- OVERWEGINGEN OMTRENT HET BEROEP 2.1 Ingevolge artikel 7a, letter b Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) kan het Gerecht, totdat partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. 2.2 Belanghebbende heeft het griffierecht niet betaald. Belanghebbende heeft in zijn e-mails aangegeven dat hij niet over de middelen beschikt om Naf. 50 aan griffierecht te betalen, noch in staat is dergelijke middelen te verwerven. Belanghebbende werkt 10 uren per week en krijgt een inkomen van Naf. 836 netto per maand. Hert Gerecht overweegt als volgt. 2.3 Ingevolge artikel 18, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) wordt ten behoeve van de indiener van een beroepschrift een griffierecht geheven. In artikel 1 van het Landsbesluit griffierechten beroep in belastingzaken is het griffierecht voor natuurlijke personen vastgesteld op Naf.
- Indien het griffierecht niet tijdig is betaald wordt het beroep, overeenkomstig artikel 18, lid 4 LBB, niet ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener niet in verzuim is geweest. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de betrokkene niet in verzuim is indien de heffing van het verschuldigde griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van zijn recht op beroep (ECLI:NL:HR:2014:699). 2.4 Het Gerecht is van oordeel dat de heffing van Naf. 50 griffierecht de toegang tot de rechter normaal gesproken niet verhindert. Dit kan slechts bij zeer hoge uitzondering anders zijn. Belanghebbende zal in dat geval aannemelijk moeten maken dat hij vanwege zijn inkomens- en vermogenspositie redelijkerwijs niet in staat is om het verschuldigde bedrag van Naf. 50 te betalen. In dit bewijs is belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht niet geslaagd. Belanghebbende heeft een kopie van de belastingaangifte voor het jaar 2015 bij de balie van het Gerecht overgelegd. Hieruit blijkt dat belanghebbende en zijn echtgenote in het jaar 2015 gezamenlijk Naf. 89.795 aan inkomsten (belanghebbende Naf. 11.020 en zijn echtgenote Naf. 78.775) hebben genoten en gezamenlijk een belastbaar inkomen hadden van Naf. 56.819 (na aftrek van persoonlijke verminderingen en persoonlijke lasten). Belanghebbende heeft niet gesteld dat de inkomens van hem en zijn echtgenote ten tijde van het verschuldigd worden van het griffierecht wezenlijk zijn gewijzigd ten opzichte van die van
- Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende over de financiële middelen beschikt om het verschuldigde griffierecht van Naf. 50,- te betalen. Belanghebbende heeft daartegenin gebracht dat hij en zijn echtgenote gaan scheiden en dat hij van zijn echtgenote geen medewerking zal krijgen. Deze omstandigheid leidt het Gerecht niet tot een ander oordeel nu belanghebbende op dit moment nog niet gescheiden is en hij juridisch gezien recht heeft op de helft van het (gezamenlijke) belastbaar inkomen. Het Gerecht ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen reden om het verschuldigde griffierecht te verminderen. Dat betekent dat hij door het niet betalen van griffierecht in verzuim is en dat het beroep op grond van artikel 18, lid 4 LBB kennelijk niet ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van de zaak komt het Gerecht niet toe. 3DE BESLISSING Het Gerecht: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is vastgesteld door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht, in tegenwoordigheid van de griffier, N.N. Noël van der Biezen BSc en uitgesproken op 19 januari
- De griffier, De rechter, Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen partijen schriftelijk verzet doen bij het Gerecht in eerste aanleg (art. 7b van de Landsverordening beroep in belastingzaken, hierna LBB). De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt overeenkomstig art. 7b, tweede lid, twee maanden. Deze termijn vangt aan nadat de uitspraak aan de partijen is toegezonden. Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt deze uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.