← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2019:184

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: [eiser], zonder bekende verblijfplaats, eiser, gemachtigde: mr. E.J. Maduro, en de minister van Justitie, verweerder, gemachtigden: mrs. K. Leito-Rosario en A. Irausquin, beiden werkzaam bij verweerder. Procesverloop Bij beschikking van 27 juli 2017 (de afwijzing) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser tot het verlenen van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid (het verzoek). Bij beschikking van 8 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser tegen de afwijzing gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 12 juni 2019 plaatsgevonden. Voor eiser is daar zijn gemachtigde verschenen. Verweerder is bij zijn gemachtigde verschenen. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Curaçao toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister van Justitie worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen. 1.2 Volgens hoofdstuk 3, paragraaf 3.1.1, van de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers inzake de Ltu (P.B. 1966, no. 17), zoals gewijzigd en het Tb (P.B. 1985, no. 57) zoals gewijzigd, van juni 2006 (de HI) waarin het beleid is neergelegd over de uitvoering van de regelingen, dienen verzoeken van vreemdelingen voor eerste toelating tot (lees:) Curaçao in het buitenland te worden afgewacht. Indien de vreemdeling reeds illegaal op Curaçao verblijft, kan zijn aanvraag worden afgewezen op grond van artikel 9 van de Ltu. Dit beleid strekt ertoe te voorkomen dat de overheid, voordat deze kan beoordelen of een vreemdeling aan alle voor toelating gestelde eisen voldoet, door diens aanwezigheid hier te lande voor voldongen feiten wordt geplaatst.
  2. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Venezolaanse nationaliteit. Hij is op 18 juni 2015 Curaçao als toerist ingereisd en is na afloop van de duur van het toeristisch verblijf niet vertrokken. Bij de afwijzing, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder zijn eerste aanvraag om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen. Daarbij heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser tijdens de behandeling van de aanvraag zonder een geldige verblijfstitel in Curaçao verbleef.
  3. Niet in geschil is dat eiser langdurig in strijd met de vreemdelingenregelgeving in Curaçao heeft verbleven. Dat vormt volgens het weergegeven beleid grond om zijn aanvraag af te wijzen op grond van artikel 9 van de Ltu. Van bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, is niet gebleken. De omstandigheid dat voor eiser een tewerkstellingsvergunning (twv) is aangevraagd als inwonend verpleegkundige, is geen bijzondere omstandigheid die verweerder in redelijkheid had moeten doen besluiten om ten gunste van eiser van zijn beleid af te wijken. Die omstandigheid doet niets af aan de grond voor de afwijzing, namelijk dat eiser langdurig de vreemdelingenwetgeving heeft overtreden. Dat de betrokken Minister ten behoeve van eiser op 28 maart 2017 een twv heeft verstrekt, maakt het voorgaande ook niet anders. De toetsing in het kader van de Landsverordening arbeid vreemdelingen is een andere dan die in het kader van de Ltu. Verweerder heeft een eigen verantwoordelijkheid en moet een eigen afweging maken. Ook het beweerdelijke dispensatieverzoek dat is gedaan, wat er verder ook van zij, vormt geen bijzondere omstandigheid om van het beleid af te wijken. 3.1 Met eiser constateert het Gerecht dat verweerder de beslistermijn op het bezwaar van vier maanden had overschreden toen hij het bestreden besluit nam. Dit brengt echter niet met zich – zoals eiser kennelijk veronderstelt – dat verweerder eisers verzoek moest inwilligen. Toen de wettelijk beslistermijn was verstreken zonder dat een beschikking op bezwaar was gegeven, gold dat op grond van artikel 3, derde lid, van de Lar als het weigeren van het geven van een beschikking en kon dit op grond van artikel 3, tweede lid, van de Lar met een voor beroep vatbare beschikking gelijk worden gesteld. Eiser kon dan ook tegen de op enig moment tot stand gekomen zogeheten fictieve weigering beroep instellen. Dat heeft eiser niet gedaan. Aan het te laat beslissen op het bezwaar zijn verder geen consequenties verbonden.
  4. De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kan blijven.
  5. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding. Beslissing Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. D. Haan, rechter in het Gerecht, en uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2019 te Curaçao, in aanwezigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. zie hoofdstuk 5 van de Lar.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.