Uitspraak van 1 oktober 2019 BBZ nrs. CUR201802562-564 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [X], wonende te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao, de Inspecteur, 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende zijn op 27 oktober 2017 aanslagen in de inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ voor het jaar 2016 opgelegd. 1.2 Belanghebbende is op 19 december 2017 tegen bovengenoemde aanslagen in bezwaar gekomen. 1.3 De Inspecteur heeft op 20 juli 2018 uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslag inkomstenbelasting 2016 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van NAf 59.678 en de aanslagen premies AOV/AWW en AVBZ beide verminderd tot aanslagen naar een premieinkomen van NAf 63.545. 1.4 Belanghebbende heeft op 7 augustus 2018 beroep ingesteld. Daarbij is NAf 50 aan griffierecht betaald. 1.5 De Inspecteur heeft op 25 juni 2019 een verweerschrift ingediend. 1.6 De zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019 te Willemstad. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur is mr. [A] verschenen. Aan partijen is de kans gegeven om te overleggen en stukken uit te wisselen. Het Gerecht heeft aangekondigd dat indien op 31 augustus 2019 geen intrekking van de beroepen heeft plaatsgevonden, uitspraak zal worden gedaan. 1.7 Op 28 juni 2019 en 9 augustus 2019 heeft belanghebbende het Gerecht e-mailberichten doen toekomen. Een afschrift hiervan is telkens naar de wederpartij verzonden. In het e-mailbericht van 9 augustus 2019 heeft belanghebbende het Gerecht verzocht om een uitspraak te doen. 2FEITEN 2.1 Belanghebbende heeft op 10 mei 2019 over het jaar 2016 aangifte inkomstenbelasting gedaan. 2.2 Belanghebbende heeft in 2016 drie studerende kinderen: (hierna: de kinderen): 1. B], geboren op [geboortedatum] 1996, wonende te Curaçao en studerende aan de SBO Frater Aurelius; 2. [ C], geboren op [geboortedatum] 1997, wonende te Rotterdam en studerende aan de Erasmus Universiteit; en 3. [ D], geboren op [geboortedatum] 1998, wonende te Leiden en studerende aan de Universiteit Leiden. 2.3 De kinderen van belanghebbende hebben een studiefinanciering bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO). 2.4 Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van NAf 12.339 aan studiekosten opgevoerd als buitengewone lasten. De Inspecteur heeft enkel de opgevoerde ticketkosten van NAf 3.678 in aftrek toegelaten. Ook heeft belanghebbende een bedrag aan kosten opgevoerd (parkfee en onderhoudskosten) ter zake van onroerende zaken die door hem worden verhuurd. Deze kosten zijn door de Inspecteur niet geaccepteerd. 2.5 In de toelichting bij het aangifteformulier is -voor zover relevant- vermeld: ‘(…) Let op! U dient de volgende bewijstukken over te leggen. Een berichtenformulier van de DUO (voorheen: IBG) te Groningen voor een in Nederland dan wel in Curaçao studerend kind waarop staat vermeld welke opleiding het kind volgt en de ontvangen studiefinanciering (…).’ 3GESCHIL 3.1 In geschil is de aftrek van studiekosten voor studerende kinderen. 3.2 Het Gerecht leidt uit het bericht van 9 augustus 2019 van belanghebbende aan de Inspecteur af dat de correcties ter zake van de parkfee en onderhoudskosten niet meer in geschil zijn. Belanghebbende schrijft dat hij de bewijsstukken ter zake van de opgevoerde kosten aan parkfee en onderhoudskosten niet kan vinden en dat hij de correctie van de Inspecteur accepteert. 3.3 Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op volledige aftrek van de studiekosten als buitengewone lasten. Zijn studerende kinderen hebben allen een studielening bij de DUO en geen studiebeurs. Die studieleningen worden door de kinderen aangewend om te voorzien in hun normale levensonderhoud. De studiekosten worden door hem vergoed en moeten derhalve in aftrek worden toegelaten. Volgens belanghebbende ontvangen studenten vanaf het jaar 2016 geen studiebeurs meer en daarom kan het beleid van de Belastingdienst omtrent studiekosten niet meer onverkort worden toegepast. Volgens belanghebbende is de studielening geen inkomen. De lening moet immers volledig worden terugbetaald. Dit in tegenstelling tot de studiebeurs, waarbij de DUO een deel van de kosten voor zijn rekening neemt. Belanghebbende meent afdoende bewezen te hebben dat hij de afgetrokken studiekosten betaald heeft. 3.4 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen bewijsstukken van de DUO van de studieleningen van de kinderen heeft overgelegd, terwijl daar wel om wordt verzocht in de aangifte. Tevens is belanghebbende bij afwijkingsbrief en ook in de uitspraak op bezwaar erop gewezen dat bewijsstukken overgelegd dienen te worden. Dit heeft belanghebbende echter nagelaten. 4BEOORDELING VAN HET BEROEP Wettelijke regeling 4.1 Ingevolge artikel 16A, lid 1, aanhef en letter e, Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna LvIB) zijn als buitengewone lasten aftrekbaar de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van een studie voor eigen kinderen tot een bedrag van ten hoogste NAf 10.000 per kind. 4.2 Op grond van artikel 16A, lid 3, letter a, LvIB worden tot de buitengewone lasten ter zake van (zuivere) studiekosten uitsluitend gerekend
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.