← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2019:328

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Vonnis in kort geding in de zaak van: [EISER], wonende in Venezuela, eiser, gemachtigde: mr. H.W. Braam, tegen de naamloze vennootschap BANCO DEL ORINOCO N.V., gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. T.E. Matroos. Partijen zullen hierna [eiser] en BdO genoemd worden. 1Het procesverloop 1.

  1. [ Eiser] heeft op 29 juni 2018 een kort geding verzoekschrift met producties ingediend. De mondelinge behandeling is op verzoek van partijen meermaals aangehouden teneinde een minnelijke regeling te beproeven. Bij e-mailbericht van 11 maart 2019 heeft mr. Braam het Gerecht medegedeeld dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben getekend, dat BdO nog USD 179.065,92 plus renten en kosten dient te betalen en dat partijen niet ter zitting hoeven te verschijnen en vonniskan volgen indien BdO refereert. Bij e-mailbericht van gelijke datum heeft BdO zich aan het verzoek gerefereerd. 1.
  2. De uitspraak is bepaald op heden. 2De feiten 2.
  3. [ Eiser] houdt bij BdO een rekening-courant (nummer [nummer A]) en een Certificate Deposit rekening (nummer [nummer B]). 2.
  4. Sedert 22 september 2016 probeert [eiser] zijn gelden naar zijn bankrekening te Miami overgemaakt te krijgen. 2.
  5. Op 20 augustus 2018 zijn partijen tot een minnelijke regeling gekomen, welke is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst. De eerste twee betalingen van USD 20.000 en USD 44.766,48 zijn aan [eiser] voldaan. Het restant van USD 179.065,92 staat nog open. 3Het geschil 3.
  6. [ Eiser] vordert -na eisvermeerdering-, nakoming van de vaststellingsovereenkomst, in die zin dat BdO bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van US$ 179.065,92, vermeerderd met renten en kosten. 3.
  7. [ Eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat BdO tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. 3.
  8. BdO heeft zich aan het oordeel van het Gerecht gerefereerd. 4De beoordeling 4.
  9. BdO heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. Nu de eiswijziging ook ambtshalve niet in strijd met de eisen van een goede procesorde wordt geacht, zal hierna bij de beoordeling van de gewijzigde eis worden uitgegaan. 4.
  10. Nu BdO de gehoudenheid aan de vaststellingsovereenkomst niet heeft betwist, is voldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De vordering van [eiser] is dan ook toewijsbaar, met dien verstande dat de ingangsdatum van de gevorderde rente op de datum van de eisvermeerdering zijnde 11 maart 2019 zal worden gesteld, nu uit overgelegde stukken niet van een eerdere ingangsdatum blijkt. 4.
  11. BdO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. 5De beslissing Het Gerecht: rechtdoende in kort geding: -veroordeelt BdO om een bedrag van US$ 179.065,92,= aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag van algehele voldoening; - veroordeelt BdO in de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot op heden begroot op NAf 1.000,= aan gemachtigdensalaris, NAf 2.160,= aan griffierechten en NAf 349,15 aan oproepingskosten; - verklaarthet vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 25 maart 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.