GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO VONNIS in de zaak van: [EISERES], wonende in Curaçao, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in conventie in de tussenkomst, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie in de tussenkomst, gemachtigde: mr. U. van Bemmelen, tegen de besloten vennootschap BUILDING DEPOT CURAÇAO B.V., gevestigd in Curaçao, verweerster in de hoofdzaak, gemachtigden: mr. M.N. Meyer en mr. B.E.J.M. Tomlow (Nederland), in welke zaak is tussengekomen: de besloten vennootschap BUILDING DEPOT TRADING B.V., gevestigd in Curaçao, eiseres in conventie in de tussenkomst, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie in de tussenkomst, gemachtigden: mr. M.N. Meyer en mr. B.E.J.M. Tomlow (Nederland). Partijen zullen hierna [eiseres], BDC en BDT genoemd worden. 1 1. Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: - het tussenvonnis van 29 oktober 2018 en de daarin genoemde stukken; - de akte van [eiseres]; - de antwoordakte; - de akte uitlating producties. 1.2. Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis. 2De verdere beoordeling 2.1. Deze zaak gaat over het gebruik door BDT (en/of BDC, maar vooralsnog gaat het gerecht uit van gebruik door BDT) van foto’s die door [eiseres] zijn gemaakt en waarvan het auteursrecht bij haar rust. Dat laatste staat tussen partijen niet ter discussie. BDT meent echter dat zij met [eiseres] een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan zij gerechtigd was om de foto’s te gebruiken en af te drukken op canvas dan wel te verwerken tot een olieverfschilderij, steeds om deze in haar winkels te verkopen. [eiseres] heeft dat standpunt bestreden. Het standpunt van BDT geldt als een bevrijdend verweer. Op BDT rust de stelplicht en eventuele bewijslast ter zake van de feiten die tot de conclusie kunnen leiden dat de bedoelde overeenkomst tot stand is gekomen. Hierover verschillen partijen niet van mening. 2.2. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Of daarvan sprake is, hangt van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en van de betekenis die zij redelijkerwijs aan die verklaringen hebben kunnen geven. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval, steeds gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. 2.3. BDT heeft de volgende feiten gesteld ter onderbouwing Op 26 augustus 2015 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [directeur] (directeur BDT) en [inkoper] (inkoper BDT) aan de ene kant en [eiseres] aan de andere kant. Het gesprek ging over de vraag of [eiseres] bereid was mee te doen met een project binnen BDT om foto’s over Curaçao op canvas te drukken en in de Building Depot-winkels te verkopen. Tijdens dit gesprek heeft [directeur] gezegd dat BDT aan [eiseres] NAf 4 per afdruk zou betalen. [eiseres] is tijdens dit gesprek akkoord gegaan. De volgende dag heeft [eiseres] aan [inkoper] gevraagd om een hogere prijs. [inkoper] heeft dit met [directeur] besproken, waarna [inkoper] [eiseres] heeft gebeld om te zeggen dat BDT vasthield aan de gemaakte afspraak. Op 28 augustus 2015 en 7 september 2015 heeft [eiseres] via We Transfer een grote hoeveelheid foto’s in hoge resolutie naar [inkoper] gestuurd. Tot en met oktober 2015 hebben [inkoper] en [eiseres] via Messenger gecorrespondeerd over de selectie van de foto’s. In mei 2016 heeft [inkoper] namens BDT bestellingen geplaatst voor foto’s op canvas, waarbij tevens foto’s van [eiseres] zijn gebruikt. In september 2016 hebben [eiseres] en [inkoper] weer contact gehad. 2.4. Mede gelet op het verweer van [eiseres], is het gerecht van oordeel dat BDT aldus onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat tussen partijen wilsovereenstemming is ontstaan over het gebruik door BDT van de foto’s van [eiseres]. Daartoe overweegt het gerecht het volgende. 2.5. [ eiseres] heeft betwist dat tijdens het gesprek van 26 augustus 2015 een akkoord is bereikt over de prijs per foto. Zij heeft gesteld dat [directeur] tijdens dat eerste gesprek een prijs van NAf 6 à NAf 7 noemde en dat [eiseres] daar om moest lachen, waarna [directeur] heeft gezegd dat zij het over de prijs wel eens zouden worden. In het licht van deze concrete betwisting door [eiseres] acht het gerecht van belang dat BDT niets concreets heeft gesteld over hetgeen partijen tijdens dat gesprek van 26 augustus 2015 hebben besproken, met name niet waaruit BDT concreet heeft afgeleid dat [eiseres] met een prijs van NAf 4 per foto akkoord was. BDT heeft volstaan met de stelling dat [eiseres] akkoord was. 2.6. Ook over het contact de dag erna, toen [eiseres] volgens BDT had gevraagd om een prijsverhoging, is BDT vaag gebleven. [eiseres] heeft daarentegen gewezen op Messsenger-berichten, waaruit lijkt te volgen dat van (definitieve) overeenstemming in het geheel nog geen sprake was. Op de vraag van [eiseres] hoe groot de afdrukken zullen worden, antwoordt [inkoper] op 27 augustus 2015: Kan zelf bepalen. Iets van 40x50-60 Waarop [eiseres] reageert: Die gaan dan 15 gulden kosten??? – waarmee [eiseres] naar het gerecht aanneemt de verkoopprijs in de winkel bedoelt. De daarop volgende berichten luiden als volgt, weergegeven voor zover van belang en ontdaan van tikfouten: [inkoper]: Zal met Dhr [directeur] opnemen. Voor prijs klasse. [eiseres]: Dan moet ik er andere bij gaan zoeken is dan zonde om luchtfoto’s zo goedkoop te doen… [inkoper]: Wij zullen van alle foto’s een selectie maken en kunnen dan een prijs afspreken met Dhr [directeur]. Hij gaat maandag op dienstreis. Het gerecht tekent hierbij aan dat, anders dan BDT bij antwoordakte heeft gesteld, [inkoper] in deze berichten dus niet aangeeft dat ze aan [directeur] zal vragen “of hij wil afwijken van de afgesproken prijs.” 2.7. Verder wijst het gerecht op de mail van Moed aan [inkoper] van 28 augustus 2015, waarin zij specifiek ingaat op luchtfoto’s van haar hand die ook bij de via We Transfer verzonden bestanden zitten. De mail luidt als volgt: Heb er ook wat luchtfoto’s bij gedaan om te laten zien maar zou het niet prettig vinden als die voor Naf 15,-- verkocht gaan worden... Heeft me enorm veel geld gekost om iedere keer een vliegtuigje te huren. Wil je ze dan weggooien uit het bestand? Vast staat dat BDT ook luchtfoto’s van [eiseres] in productie heeft genomen. 2.8. In de maanden september en oktober 2015 heeft overigens veelvuldig contact tussen [eiseres] en [inkoper] plaatsgevonden, maar die contacten gingen alleen over de selectie van de foto’s. Deze periode eindigt met berichten op 26 oktober 2015, waarin [inkoper] meldt dat Niets is nog opgestuurd voor het drukken. Daarna is het stil, tot september 2016. Gesteld noch gebleken is dat [inkoper] (of iemand anders namens BDT) contact met [eiseres] heeft gehad rondom de definitieve selectie van haar foto’s en het plaatsen van de bestelling voor afdrukken op canvas in mei 2016. 2.9. Aldus is enerzijds sprake van een niet geconcretiseerde stelling dat [eiseres] akkoord is gegaan met een prijs per afdruk van NAf 4 en is anderzijds sprake van concrete omstandigheden die erop wijzen dat nog geen overeenstemming over de prijs was bereikt en dat partijen daarover nog nader met elkaar zouden spreken: met name de uitlatingen van [inkoper] per Messenger van 27 augustus 2015 wijzen daarop, maar ook het gegeven dat het daarna alleen over de selectie is gegaan en de opmerking van [inkoper] eind oktober 2015 dat er nog niets is opgestuurd voor het afdrukken. In die omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, kan BDT er in redelijkheid niet op hebben vertrouwd dat sprake was van definitieve wilsovereenstemming over het gebruik van foto’s van [eiseres]. 2.10. BDT heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat [eiseres] foto’s in hoge resolutie en zonder beveiliging heeft verstuurd erop wijst dat wel degelijk een overeenkomst tot stand was gekomen. Het gerecht deelt deze opvatting niet. Achteraf bezien was het onverstandig van [eiseres] om haar foto’s op deze wijze aan BDT ter beschikking te stellen. In het licht van de hierboven genoemde omstandigheden, die erop wijzen dat partijen nog geen overeenstemming hadden bereikt, had BDT daaraan echter niet de conclusie mogen verbinden dat [eiseres] akkoord was met het gebruik van haar foto’s. Als BDT dacht de handelwijze van [eiseres] wel in deze zin te mogen begrijpen, dan had van haar in de gegeven omstandigheden verwacht mogen worden de juistheid van die interpretatie te checken. Dat heeft zij niet gedaan. 2.11. De slotsom van het voorgaande is dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen ter zake het gebruik door BDT van de foto’s van [eiseres]. BDT was tot dat gebruik dus niet gerechtigd. 2.12. Door de foto’s van [eiseres] wel te gebruiken en te verwerken tot afdrukken op canvas dan wel als olieverfschilderij (hierna: de inbreukmakende zaken) en vervolgens te koop aan te bieden in de winkels van Building Depot handelt BDT onrechtmatig jegens [eiseres]. Op grond van artikel 3:296 BW wordt hij die jegens een ander verplicht is iets na te laten daartoe door de rechter veroordeeld. De daartoe strekkende vordering onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.