← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2019:88

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep in de zaak tussen: [verzoekster], wonende in Curaçao, verzoekster, gemachtigde: mr. W. ten Veen, advocaat, en de Sociale Verzekeringsbank Curaçao (de SVB), verweerster, gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols, advocaat. Procesverloop Bij brief van 29 augustus 2018 heeft de SVB het verzoek van verzoekster om toegelaten te worden als medewerkende in de zin van de Regeling Medewerking Sociale Verzekeringen afgewezen (de bestreden beschikking). Daartegen heeft verzoekster op 9 oktober 2018 beroep ingesteld bij dit Gerecht (CUR201803363). Op 15 april 2019 heeft verzoekster het Gerecht verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (CUR201901332). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april

  1. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Overwegingen
  2. Op grond van artikel 85, eerste lid, van de Lar kan, voor zover thans van belang, een beschikking, waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, op verzoek van de indiener geheel of gedeeltelijk worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen doel. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel, als in de eerste volzin bedoeld.
  3. Verzoekster is al vijftien jaar werkzaam als fysiotherapeut bij de polikliniek van het bedrijf Refineria Isla (de Isla). Verzoekster stelt dat de Isla binnenkort noodgedwongen zal sluiten, zodat ook de polikliniek waar zij werkzaam is, met een patiëntenpopulatie van 3.800 personen, zal moeten sluiten. Die patiëntenpopulatie zal volgens haar worden overgeheveld naar de SVB. Gelet daarop heeft verzoekster er recht op en belang bij om als medewerkende te worden toegelaten om, mede gelet op de zorgplicht als fysiotherapeut, voornoemde patiëntenpopulatie te kunnen blijven behandelen, aldus verzoekster. Verder stelt verzoekster dat het maximum aantal fysiotherapeuten dat nodig is om de Curaçaose bevolking te bedienen nog niet is bereikt, zodat een overschot aan fysiotherapeuten in ieder geval geen reden kon zijn voor weigering van het verzoek.
  4. Met haar verzoek beoogt verzoekster te bewerkstelligen dat de bestreden beschikking wordt geschorst en dat zij voorwaardelijk als medewerkende van de SVB wordt toegelaten.
  5. Naar het oordeel van het Gerecht levert de omstandigheid dat het bedrijf waar verzoekster thans werkzaam is wellicht op korte termijn zal ophouden te bestaan niet een spoedeisend belang in de zin van artikel 85 van de Lar op. Overigens zou de door verzoekster verzochte schorsing van de bestreden beschikking geen wijziging van de bestaande rechtssituatie met zich brengen, zodat zij geen belang heeft bij dat verzoek. Zoals de SVB terecht heeft aangevoerd is het aan haar om naar aanleiding van een verzoek om als medewerkende te worden toegelaten op grond van artikel 2 van de Regeling Medewerking Sociale Verzekeringen zelfstandig een beslissing te nemen en deze in een beschikking vast te leggen. Zelfs als het Gerecht voorlopig zou oordelen dat een dergelijke beschikking niet in stand kan blijven, is het Gerecht niet bevoegd om bij wijze van voorlopige voorziening een toewijzende beslissing te nemen. Het Gerecht zal het verzoek daarom afwijzen.
  6. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding. Beslissing Het Gerecht wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter in het Gerecht, en bekend gemaakt te Curaçao op 2 mei 2019, in aanwezigheid van de griffier, mr. S.N. Aswani. Tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.