GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: [eiser], verblijvend te Curaçao, eiser, gemachtigde: mr. X.C.G. Bakhuis, advocaat, en de minister van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. S.X.T. Hato, advocaat. Procesverloop Bij beschikking van 8 juli 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘eigen bedrijf’ afgewezen (de afwijzing). Bij beschikking van 4 februari 2019 (de bestreden beschikking), verzonden op 18 april 2019, heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Eiser heeft op 4 juni 2019 tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nog nadere stukken ingezonden. De openbare behandeling ter zitting van het Gerecht heeft plaatsgevonden op 13 mei
- Eiser werd daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mr. K. Rosario-Leito, werkzaam bij de Toelatingsorganisatie. Overwegingen
- In geding is de handhaving bij de bestreden beschikking van de afwijzing van de aanvraag van eiser, van Dominicaanse nationaliteit, om verlenging van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘eigen bedrijf'.
- Gebleken is dat eiser ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking niet (meer) een eenmanszaak exploiteerde, maar werknemer was (geworden) van het betrokken eenmansbedrijf. Blijkens het Handelsregister stond dat bedrijf immers geregistreerd op naam van iemand anders. Gelet daarop kon verweerder voor het gevraagde verblijfsdoel geen verlenging van de verblijfsvergunning verlenen. Dat het hier een verlenging betreft, maakt, anders dan eiser heeft betoogd, niet dat hij er rechtens op mocht vertrouwen dat zijn aanvraag gehonoreerd zou worden. Daargelaten of de eerdere vergunning(en) op grond van de geldende regelgeving evenmin had(den) kunnen worden verleend, is verweerder in beginsel niet gehouden eerdere fouten te herhalen. Dat hier van zulke uitzonderlijke omstandigheden sprake was, dat daarop een uitzondering moest worden gemaakt, is niet gebleken. Een concrete toezegging namens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.
- Het betoog van eiser dat hem niet verweten kan worden dat hij een verkeerde aanvraag heeft ingediend, slaagt niet, reeds omdat eiser zelf verantwoordelijk is voor zijn aanvraag. Overigens staat vast dat voor hem ook geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven, zodat van vergunningverlening voor het doel ‘arbeid in loondienst’ ook geen sprake kon zijn.
- Voor zover eiser nog heeft aangevoerd dat hij recht heeft op verblijf in verband met familieleven hier te lande, moet verweerder dat beoordelen in het kader van een daarop gerichte aanvraag. Het Gerecht laat hetgeen eiser daarover heeft aangevoerd dan ook verder buiten bespreking.
- De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en de bestreden beschikking in stand kan blijven.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding. Beslissing Het Gerecht verklaart het beroep tegen de bestreden beschikking ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. Haan, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2020, in tegenwoordigheid van mr. Loef, griffier. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.