GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202001590 Vonnis in kort geding d.d. 19 juni 2020 inzake REPUBLICA BOLIVARIANA DE VENEZUELA, gezeteld te Caracas, Venezuela, eiser in kort geding, hierna: ‘Venezuela’, gemachtigde: mr. R.A. Gonet, tegen ARCTICA ADVENTURE & CRUISE SHIPPING COMPANY LTD., gevestigd te Nassau. Bahamas, gedaagde in kort geding, hierna: ‘Arctica’, gemachtigde: mr. E.M. Pennings. 1Verloop van de procedure Venezuela heeft op 15 juni 2020 een verzoekschrift ingediend. Het kort geding is hedenmiddag behandeld. De gemachtigden zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd en pleitnotities overgelegd. Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten Op verzoek van Arctica staat voor maandag 22 juni 2020 om 11.00 uur de openbare verkoop gepland van het cruiseschip de ‘Resolute’. Het betreft een executoriale verkoop na executoriaal beslag op de Resolute ten laste van Bunny’s Adventure & Cruise Shipping Company (hierna: ‘Bunny’s’), uit kracht van een op 17 maart 2020 in Nederland verleden notariële akte houdende een schuldbekentenis. Venezuela heeft op 2 april 2020 conservatoir beslag gelegd op de ‘Resolute’ ter verzekering van de door haar gestelde schadevergoedingsvordering op Bunny’s na een aanvaring in de nacht van 30 op 31 maart 2020 tussen de ‘Resolute’ en het Venezolaanse militaire patrouilleschip de ‘Naiguata’. 3De vordering en het verweer Venezuela vordert, samengevat, een bevel aan Arctica om de voor maandagochtend 11.00 uur geplande veiling van het cruiseschip de Resolute af te gelasten dan wel te schorsen op straffe van een dwangsom, althans subsidiair om Arctica te bevelen de verkoopopbrengst bij de notaris die met de openbare verkoop zal zijn belast in escrow te storten en gestort te houden totdat in de bodemzaak tussen Venezuela en Bunny’s zal zijn beslist, zulks onder verbeurte van een dwangsom. Arctica heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Partijen vorderen elkaars veroordeling in de kosten. 4De beoordeling 4.
- Bij de behandeling ter zitting is gebleken dat het Venezuela er met dit kort geding om te doen is dat verzekerd wordt dat haar verhaalsmogelijkheid op de opbrengst van de veiling van de Resolute niet verloren gaat. Tegen de veiling als zodanig heeft Venezuela geen bezwaar. Het moet in het belang van beide partijen worden geacht dat dit beslagobject spoedig te gelde wordt gemaakt, alleen al gelet op de gestelde operationele kosten van de Resolute van circa USD 10.000 per dag. 4.
- Zoals ter zitting door Arctica is bevestigd en het Gerecht ook ambtshalve bekend is, is door de rechter ten overstaan van wie de Resolute zal worden geveild bepaald dat de koopprijs overeenkomstig artikel 577 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt gestort ‘in handen van de griffier’. Gelet daarop ontbreekt het Venezuela aan belang bij haar vorderingen in dit kort geding. Haar aanspraak op de opbrengst van de Resolute wordt door de veiling niet gefrustreerd. In een eventueel te volgen rangregeling (artikel 580 jo. 551 e.v. Rv) zal tussen (onder meer) Venezuela en Arctica kunnen worden uitgemaakt aan wie de verkoopopbrengst toekomt of hoe deze moet worden verdeeld. Binnen het kader van dit kort geding kan niet worden geoordeeld over (de hoogte van) de vorderingen die partijen stellen te hebben op Bunny’s en over de vraag hoe die vorderingen ten opzichte van elkaar gerangschikt zijn. 4.
- Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen van Venezuela en de verweren van Arctica geen bespreking. Bij de uitkomst van de zaak past een beslissing over de proceskosten als hierna omschreven. 5De beslissing Het Gerecht: rechtdoende in kort geding: 5.
- wijst af het gevorderde; 5.
- veroordeelt Venezuela in de proceskosten, aan de zijde van Arctica tot op heden begroot op NAf 1.500 voor salaris gemachtigde, bij niet-voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na heden, alsmede te vermeerderen met NAf 250 aan nakosten, in geval van betekening te vermeerderen met NAf 150; 5.
- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en op 19 juni 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.