GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Afdeling Civiel Zaaknummer: CUR202001251 Datum uitspraak 8 juli 2020 Vonnis in kort geding Inzake de stichting STICHTING ARBEIDSPARTICIPATIE CURAÇAO, PORTANAN PA TRABAO, gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. A.C. Small, tegen de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO, zetelend in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. P. Tweeboom. Partijen zullen hierna de Stichting en het Land worden genoemd. 1Het procesverloop 1.
- Voor het procesverloop wordt verwezen naar de volgende stukken: - het inleidend verzoekschrift met producties ingediend op 15 mei 2020; - de op voorhand door de Stichting per e-mail gestuurde producties d.d. 22 juni 2020; - de op voorhand door het Land ingediende producties d.d. 22 juni 2020; - de behandeling gehouden op 24 juni 2020, alwaar dhr. [naam 1] als gevolmachtigde van de Stichting is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd, die namens haar het woord heeft gevoerd. Namens het Land is mr. R. Bottse verschenen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd die namens het Land het woord, conform de door haar overgelegde pleitnotities, heeft gevoerd. 1.
- Vonnis is bepaald op heden.
- De feiten 2.
- Bij landsbesluit van 6 september 2019 is er een interministeriële werkgroep aangewezen met de taak om een steunpunt voor werkzoekenden op te richten met als doel: “a. Aan met werkloosheid bedreigde en werkloze werknemers, die bij een collectief ontslag of werkverlies betrokken zijn, ondersteuning en begeleiding te bieden op groeps- en individueel niveau, zodat zij in hun levensonderhoud kunnen blijven voorzien door werk in loondienst, zelfstandig beroep, bedrijf, coöperatie of anderszins; b. Een bijdrage te leveren aan het verminderen van de werkloosheid en van de negatieve maatschappelijke gevolgen die hieraan zijn verbonden. “ 2.
- Het Land is op 18 september 2019 met de Stichting een overeenkomst van opdracht (hierna: de overeenkomst) aangegaan waarin partijen hebben afgesproken dat de Stichting het Land (in het meest brede zin) zou ondersteunen bij het ontwikkelen, oprichten en startklaar maken van vorenbedoelde steunpunt voor werkzoekenden. In de bijlagen I, II en III behorende bij de overeenkomst zijn de door de Stichting uit te voeren werkzaamheden nader uitgewerkt. In bijlage I zijn de te verrichten werkzaamheden en op te leveren producten in het voorbereidingstraject uitgewerkt. Bijlage II bevat een opsomming van de uit te voeren werkzaamheden en bijlage III bevat een opsomming van de te behalen resultaten en de op te leveren producten. De voorwaarden voor betaling van de facturen is nader uitgewerkt in bijlage IV. 2.
- De Stichting heeft conform hetgeen partijen in de overeenkomst hebben afgesproken maandelijks facturen naar het Land gestuurd. De facturen voor de maanden september 2019 tot en met december 2019 zijn door het Land betaald. 2.
- De facturen voor de maanden januari 2020 ter waarde van NAf 97.167,02 en februari 2020 ter waarde van NAf 92.471,22 zijn niet door het Land voldaan. 2.
- De gemachtigde van de Stichting heeft het Land bij brief van 18 maart 2020 in gebreke gesteld en gesommeerd om over te gaan tot betaling van de factuur van januari vermeerderd met 15% buitengerechtelijke incassokosten. 2.
- Bij e-mail van 31 maart 2020 heeft mr. R. Bottse namens het Land, voor zover van belang, als volgt op de sommatiebrief van de Stichting gereageerd: “(…) De zaak is betrekkelijk eenvoudig Zie bijgaande lijst van nog door uw cliënte on te leveren zaken welke wezenlijk onderdeel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen. Uw cliënte heeft inmiddels al meer dan 425K ontvangen. Mijn cliënte dient verantwoord om te gaan met gemeenschapsgelden. Uw cliënte is meerder malen in vergaderingen ernstig aangesproken over het ontbreken van de op de lijst gemarkeerde zaken doch het heeft er niet toe geleid dat uw cliënte overeengekomen haar verplichtingen nakwam. Formeel doet mijn cliënte dan ook een beroep op art. 6:52 BW en zal pas tot betaling overgaan nadat uw cliënte volledig zal zijn nagekomen.(…)” 2.
- Bij brief van 1 april 2020 heeft de gemachtigde van de Stichting, voor zover van belang, als volgt op de e-mail van mr. Bottse gereageerd: “(…) In mijn brief voormeld is de Minister c.q. het Land Curaçao ter zake van het door hem nakomen van zijn contractuele verplichtingen in gebreke gesteld. Hetgeen inhoudt dat de Minister in crediteursverzuim verkeert, een en ander als reeds aangezegd door cliënte bij brief van 16 januari
- Aldus aan de Minister niet achteraf een beroep toekomt een opschortingsrecht ex-artikel 6:52 BW. Feit is dat mijn cliënte wel al haar contractuele werkzaamheden heeft uitgevoerd en afgeleverd. Bij deze brief treft u als bijlage de door de SOAW afgestempelde Lijst oplevering van Deliverables (…)” 2.
- Betaling van de facturen voor de maanden januari 2020 en februari 2020 ter waarde van totaal NAf 189.638,24 is uitgebleven. 3Het geschil 3.
- De Stichting vordert dat het Gerecht uitvoerbaar bij voorraad het Land zal veroordelen om bijwege van voorschot en tegen kwijting aan haar te betalen:
- de somma van NAf 189.638,24, vermeerderd met de wettelijke rente ingaande 16 januari 2020 althans vanaf 19 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
- 15% over de verschuldigde hoofdsom althans de somma van NAf 10.000,- aan buitengerechtelijke incassokosten, althans zulk bedrag als het Gerecht in goed justitie mag toewijzen aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, waaronder begrepen het griffierecht, deurwaarderskosten en gemachtigdensalaris. 3.
- De Stichting legt - kort gezegd - aan haar vordering ten grondslag dat het Land haar betalingsverplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst niet nakomt. De Stichting stelt daarbij dat zij al haar contractuele verplichtingen reeds heeft uitgevoerd en dat het Land daardoor de openstaande facturen dient te betalen. Voorts heeft de Stichting betoogd dat het Land haar verplichting tot betaling niet kan opschorten nu zij zelf in crediteursverzuim verkeert. 3.
- Het Land heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de Stichting geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Voorts heeft het Land aangevoerd dat de vorderingen van de Stichting niet opeisbaar zijn. Zij heeft daarbij betwist dat er sprake is van crediteursverzuim en aangevoerd dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst terecht heeft opgeschort omdat er sprake is van wanprestatie aan de zijde van de Stichting. Deze wanprestatie is onder meer gelegen in het feit dat de taken uit de overeenkomst niet naar behoren door de Stichting zijn uitgevoerd. 3.
- Op de stellingen en verweren van partijen zal hieronder waar nodig nader worden ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Het geschil heeft betrekking op een tweetal facturen die door de Stichting aan het Land zijn gezonden uit hoofde van de in rechtsoverweging 2.
- bedoelde overeenkomst. Het Land heeft deze facturen niet voldaan. Zij heeft zich daarbij op opschorting beroepen, stellende dat de Stichting haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst nog niet is nagekomen. 4.
- Aldus gaat het in dit geschil om de beantwoording van de vraag of binnen het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk is dat het Land gerechtigd is tot opschorting van de betaling van de facturen van de Stichting totdat de Stichting aan haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. 4.
- Volgens artikel 6:262 lid 1 BW is, indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. Uit lid 2 volgt dat ingeval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming, opschorting slechts is toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt. 4.
- Volgens het Land is de Stichting haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet nagekomen nu bepaalde producten uit de overeenkomst niet of niet deugdelijk zijn afgeleverd en niet blijkt dat de Stichting daadwerkelijk diensten heeft verleend aan betrokkenen of aan welke betrokkenen de Stichting diensten heeft verleend. Voorts zijn de facturen niet gespecificeerd in die zin dat niet blijkt voor welke specifieke werkzaamheden er werd gefactureerd. Hierdoor kan het Land niet beoordelen of werkzaamheden van de Stichting de gebudgetteerde en gefactureerde bedragen rechtvaardigen. 4.
- Het Land heeft gesteld dat zij tijdens een vergadering van 20 februari 2020 heeft aangegeven dat de Stichting niet voldeed aan de opdracht. Tijdens die vergadering is er in samenspraak tussen partijen een lijst opgesteld van de producten die alsnog door de Stichting opgeleverd moesten worden. De Stichting heeft naar aanleiding van dat overzicht in maart 2020 een eindrapportage opgeleverd middels een ‘lijst van opleveringen’ onder toevoeging van 20 files en met een overzicht van project details en gegevens. Het Land stelt dat er ondanks deze aanlevering door de Stichting nog steeds meerdere producten ontbreken, dan wel dat het merendeel van de aangeleverde producten onder de maat is. Voorts volgt uit de aangeleverde informatie dat het merendeel van de werkzoekenden die het traject hebben doorlopen niet in de uitstroomfase zijn beland of geen werkplek of nazorg aangeboden hebben gekregen. Het Land kan deze trajecten echter niet oppakken omdat de opleveringsdossiers per werkzoekende ontbreken. Nu voorts de facturen niet zijn gespecificeerd is het voor het Land volstrekt onduidelijk voor welke werkzaamheden er wordt gefactureerd. Het Land zag zich daarom genoodzaakt tot opschorting over te gaan. De Stichting voert op haar beurt aan dat zij veel meer werk heeft verzet dan was overeengekomen. Toch heeft zij nooit boven de begroting gefactureerd. De begroting is vooraf goedgekeurd. Haar facturen zijn conform de begroting gespecificeerd. Voorts stelt de Stichting dat zij haar contractuele taken heeft uitgevoerd en daarover maandelijks heeft gerapporteerd. De aangeleverde informatie in maart 2020 bevat alle informatie die de Stichting uit hoofde van de overeenkomst moest verstrekken. Het is volstrekt onduidelijk wat er thans nog ontbreekt of wat er beneden de maat is. Doordat het Land niet heeft voldaan aan het vereiste tot het oprichten van een Werkgroep, was er aan de zijde van Land geen officiële ontvangend instantie. De aangeleverde informatie is daarom ook deels aan MEO verstrekt omdat zij op dat moment als contactpersoon optraden. Er is voorts een databestand c.q. platform opgericht (Sobi Mobi) waarin alle informatie over de trajecten van de werkzoekenden is vastgelegd, zodat daaruit blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en waar de facturen op zien. Zowel het Land als de Stichting hebben hun stellingen met stukken onderbouwd. 4.
- Het Gerecht is van oordeel dat, hoewel uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht voldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van spoedeisend belang, de onderhavige zaak zich niet leent voor een behandeling in kort geding. Er is sprake van een groot aantal geschilpunten met name van feitelijke aard. De feiten en de verplichtingen over en weer dienen eerst vast te komen staan alvorens beslissingen als hier gevorderd kunnen worden genomen. 4.
- Vooralsnog kan door het Gerecht enkel worden geconcludeerd dat partijen diepgaand van mening verschillen over de beantwoording van de vragen of er sprake is van tekortkoming in de nakoming aan de zijde van de Stichting, of dat het Land zich terecht op haar opschortingsrecht beroept. Voor het in kort geding beantwoorden van deze vragen is de onderhavige zaak te complex. Op voorhand kan de (on)juistheid van de aangevoerde stellingen van beide partijen niet louter uit de door hen overgelegde stukken worden afgeleid. Daar komt bij dat partijen ter zitting werden vertegenwoordigd door personen die niet rechtstreeks bij de feitelijke uitvoering van de overeenkomst waren betrokken, zodat ook op zitting onvoldoende duidelijkheid is verkregen over de feitelijke toedracht. Dat betekent dat alleen een nader onderzoek naar de feiten mogelijk meer duidelijkheid kan geven. De aard van een kort geding procedure leent zich in het algemeen echter niet voor een dergelijk onderzoek. Een bodemprocedure is daarvoor de geschikte weg. 4.
- Nu, gelet op het voorgaande, niet kan worden vastgesteld of het Land terecht niet tot betaling van de facturen is overgegaan kan evenmin worden vastgesteld of de Stichting zich terecht op crediteursverzuim heeft beroepen. 4.
- Reeds gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen van de Stichting worden afgewezen en behoeft hetgeen partijen hieromtrent overigens hebben gesteld, geen bespreking meer, behoudens het volgende, overigens geheel ten overvloede. 4.
- Ter zitting is gebleken dat partijen van mening verschillen over de inhoud van het Sobi Mobi platform. Volgens de Stichting bevat het digitale platform alle relevante informatie over het traject per werkzoekende. Het Land heeft dat betwist stellende dat de Stichting geen mutatiebevoegdheid heeft in dat systeem, zodat de noodzakelijke informatie daar ook niet in kan staan. Naar het oordeel van het gerecht is dit een overzienbare discrepantie die gemakkelijk kan worden opgelost als partijen bij elkaar gaan zitten en samen het systeem doorlopen. Mede gelet op de stelling van het Land dat door het ontbreken van deze informatie zij de facturen niet kan verifiëren, rechtvaardigt dit naar het oordeel van het gerecht de inzet van beide partijen om op korte termijn bij elkaar te zitten en gezamenlijk het Sobi Mobi platform te doorlopen op zoek naar de noodzakelijke informatie. 4.
- De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Land worden begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris. 5De beslissing Het Gerecht: In kort geding 5.
- wijst de vorderingen van de Stichting af; 5.
- veroordeelt de Stichting in de proceskosten aan de zijde van het Land tot op heden begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris; 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, en op 8 juli 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.