← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2020:262

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: [eiseres], eiseres, gemachtigde: mr. E.R. van Arkel, advocaat, en de minister van Justitie, verweerder, gemachtigden: mrs. S.X.T. Hato en G.B. Steward, advocaten. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 november

  1. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en M. Hodge, tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hato, die is vergezeld door mr. K. Rosario, werkzaam bij de Toelatingsorganisatie. Overwegingen
  2. Het Gerecht gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Eiseres, die de Venezolaanse nationaliteit heeft, is op 11 september 2016 Curaçao als toerist binnengekomen en na afloop van de toegestane verblijfsduur van 30 dagen op 11 oktober 2016 niet vertrokken. Op 1 november 2019 is eiseres door de politie aangehouden bij Kleine Werf Punda. Van de aanhouding is een ambtsbericht ‘illegale vreemdeling’ opgemaakt door hoofdagent P.A. Saturnino. 1.
  4. Bij beschikking van 1 november 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder eiseres als ongewenste vreemdeling aangemerkt en besloten dat zij uiterlijk zes maanden na dagtekening van de beschikking van Curaçao zal worden verwijderd. Verweerder heeft verder, voor zover van belang, bevolen dat de feitelijke verwijdering wordt opgeschort zolang de unilaterale sluiting van de zee- en luchtgrenzen door Venezuela met Curaçao voortduurt. 1.
  5. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit, kort weergegeven, aangevoerd dat dit besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is genomen. Aan haar is volkomen willekeurig een uitzettingsbevel gegeven.
  6. Het Gerecht overweegt als volgt. 2.
  7. Eiseres heeft aangevoerd dat zij bij haar aanhouding op 1 november 2019 heeft verklaard dat en waarom zij Venezuela was ontvlucht en dat zij naar Curaçao was gekomen met de intentie om asiel aan te vragen. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven niet de beschikking te hebben over het onder 1.1 bedoelde ambtsbericht, waarin het relaas van eiseres moet zijn opgenomen. Daarom kan niet worden vastgesteld wat eiseres bij haar aanhouding op 1 november 2019 tegenover de politie heeft verklaard. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit niet of en, zo ja, hoe verweerder bij de uitoefening van zijn in artikel 19, eerste lid, onder b, van de Landsverordening toelating en uitzetting neergelegde bevoegdheid tot verwijdering van onrechtmatig in Curaçao verblijvende personen, een afweging heeft gemaakt van het belang van eiseres om niet te worden verwijderd tegenover het belang van handhaving van het immigratiebeleid. Een toereikende motivering hoe verweerder tot het besluit is gekomen, ontbreekt. Het bestreden besluit is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Daarom slaagt het beroep. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen. 2.
  8. Met het oog op het nieuw te nemen besluit overweegt het Gerecht het volgende. Zoals ter zitting besproken spitst het geschil tussen partijen zich toe op het antwoord op de vraag of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan de verwijdering van eiseres in de weg staat. In dit artikel is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. 2.
  9. In het kader van een te maken belangenafweging heeft verweerder ter zitting betoogd dat het belang van handhaving van het immigratiebeleid het zwaarst moet wegen, reeds omdat eiseres al sinds oktober 2016 onrechtmatig in Curaçao verbleef. Bovendien heeft eiseres geen enkele poging ondernomen om haar illegale status te legaliseren waardoor eiseres bewust het risico heeft genomen dat zij bij ontdekking als ongewenste vreemdeling zou worden verwijderd. Dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM; onder meer rechtsoverweging 135 in de zaak Salah Sheekh tegen Nederland van 11 januari 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA5147) houdt artikel 3 van het EVRM een refoulementverbod in, omdat de verwijderende staat (mede) ervoor verantwoordelijk wordt gehouden als een vreemdeling door die verwijdering wordt blootgesteld aan vervolging die een in die bepaling verboden behandeling of bestraffing inhoudt. Het refoulementverbod van artikel 3 van het EVRM, indien aan de daarin gestelde criteria is voldaan, geldt ongeacht het gedrag van de betrokken persoon en is dus absoluut. 2.
  10. De rechtspraak van het EHRM brengt dus met zich dat, indien in een procedure zoals hier aan de orde door een vreemdeling een beroep wordt gedaan op artikel 3 van het EVRM, verweerder dient te beoordelen of die bepaling aan verwijdering van de desbetreffende vreemdeling in de weg staat. Dat eiseres pas kort voor de zitting een beroep heeft gedaan op artikel 3 van het EVRM doet, gelet op het absolute karakter van die bepaling, niet af aan de verplichting van verweerder om te beoordelen of artikel 3 van het EVRM aan de verwijdering van eiseres in de weg staat.
  11. Het Gerecht ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot betaling aan eiseres van de door haar gemaakte proceskosten, bestaande uit NAf 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700,-) aan gemachtigdensalaris. Verder zal het Gerecht bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar voor de behandeling van dit beroep betaalde griffierecht dient te vergoeden. Beslissing Het Gerecht: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 1 november 2019; - bepaalt dat verweerder binnen twee maanden een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van haar proceskosten tot een bedrag van NAf 1.400,- (zegge: veertienhonderd Nederlands-Antilliaanse guldens), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig Nederlands-Antilliaanse guldens) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, rechter in het Gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2020 te Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van de uitspraak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.