GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: [eiseres], wonend in Curaçao, eiseres, procederend in persoon, en de Sociale Verzekeringsbank, verweerster, gemachtigde: mr. M. Bonafasia, jurist bij verweerster Procesverloop Bij beschikking van 2 februari 2017 heeft verweerster het verzoek van eiseres om een verklaring (vnvz) dat zij in de jaren 2013 tot en met 2017 niet verzekerd is ingevolge de Landsverordening Basisverzekering Ziektekosten (LvBVZ) afgewezen. Bij beschikking van 30 juli 2018, aangevuld bij beschikking van 10 september 2018 (bestreden besluit), heeft verweerster het bezwaar gegrond verklaard, verklaard dat eiseres in de periode van 1 november 2014 tot en met 1 oktober 2015 niet verzekerd was ingevolge de LvBVZ en het verzoek voor het overige afgewezen. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. De openbare behandeling ter zitting van het Gerecht heeft plaatsgevonden op 30 september
- Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. [S]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Overwegingen
- Eiseres is in dienstbetrekking werkzaam bij de Stichting Voorschoolse Educatie en Opvang. Zij is in de periode van belang particulier verzekerd tegen ziektekosten bij ENNIA. Daarnaast komt eiseres voor in het verzekerdenbestand van verweerster als verzekerde ingevolge de Landsverordening Ziekteverzekering (LvZV). Op 23 januari 2017 heeft eiseres verweerster verzocht om een vnvz.
- Verweerster heeft het verzoek afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft verweerster, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Voor de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 oktober 2014 voldoet eiseres niet aan een of meer van de uitzonderingsgronden van artikel 2.1, tweede lid, van de LvBVZ, zodat zij in die periode verplicht verzekerd was ingevolge de LvBVZ. Door de wijziging van de LvBVZ per 1 november 2014 is eiseres vanaf die datum tot en met 1 oktober 2015 niet verzekerd. Vanaf 2 oktober 2015 is eiseres wel verzekerd, omdat zij toen de aan de LvBVZ-verzekering gekoppelde verzekeringspas heeft opgehaald en daarmee haar wil kenbaar heeft gemaakt verzekerd te willen zijn ingevolge de LvBVZ.
- Gelet op wat ter zitting is besproken, is het geschil tussen partijen in beroep beperkt tot het antwoord op de vraag of verweerster eiseres terecht over de periode van 2 oktober 2015 tot en met 31 december 2017 als verzekerd ingevolge de LvBVZ heeft aangemerkt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de op 2 oktober 2015 opgehaalde verzekeringspas niet wilde, maar dat haar oude pas gestolen was en verweerster haar verplichtte om een nieuwe pas op te halen. Verder heeft zij onder verwijzing naar rechtspraak aangevoerd dat de verzekeringspas slechts een administratief bewijsstuk is en niet bepalend is voor haar verzekering ingevolge de LvBVZ.
- Deze beroepsgrond slaagt. Dat eiseres op 2 oktober 2015 een aan de LvBVZ-verzekering gekoppelde verzekeringspas heeft opgehaald, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat eiseres vanaf die datum weer tot de kring van verzekerden van de LvBVZ behoort. Zoals het Gerecht eerder heeft geoordeeld is de verzekeringspas een administratief (bewijs)stuk dat nodig is om aanspraken onder de LvBVZ geldend te kunnen maken, terwijl aan de hand van artikel 2.1 van de LvBVZ dient te worden beoordeeld of iemand tot de kring van verzekerden behoort (zie de uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:285). Dat eiseres de verzekeringspas zelf heeft opgehaald, wat daarvan ook zij, maakt dat niet anders. Aan verweerster kan worden toegegeven dat het vanuit uitvoeringstechnisch oogpunt niet wenselijk is dat zij, nadat de verzekeringspas is opgehaald en daarvan in voorkomende gevallen gebruik is gemaakt op basis waarvan declaraties zijn betaald, verzoeken om een vnvz ontvangt die soms met terugwerkende kracht moeten worden gehonoreerd. Het is echter aan de wetgever om met het oog hierop maatregelen te treffen.
- De slotsom is dat het beroep gegrond is, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover dit ziet op de periode vanaf 2 oktober
- Het bezwaar is in zoverre gegrond. Gerecht ziet uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te verklaren dat eiseres in de periode van 2 oktober 2015 tot en met 31 december 2017 niet verzekerd is ingevolge de LvBVZ. Beslissing Het Gerecht: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de periode vanaf 2 oktober 2015; - verklaart het bezwaar in zoverre gegrond; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; - draagt verweerster op het betaalde griffierecht van NAf 50,- (zegge: vijftig Nederlands-Antilliaanse guldens) aan eiseres te vergoeden. Aldus vastgesteld door mrs. W.H. Bel, voorzitter, en L.C. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze hiervan. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.