Uitspraak van 9 februari 2021 BBZ nr. CUR201903836 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende], wonende te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is ter zake van de onroerende zaak [adres] z/n (hierna: de onroerende zaak) met dagtekening 7 december 2018 een aanslag grondbelasting voor het jaar 2013 opgelegd naar een waarde van NAf 75.000, resulterend in een verschuldigd belastingbedrag van NAf 259. 1.2 Belanghebbende heeft op 16 januari 2019 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. 1.3 De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2019 de aanslag gehandhaafd. 1.4 Belanghebbende heeft op 23 september 2019 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50. 1.5 De Inspecteur heeft op 19 januari 2021 een pleitnota ingediend. 1.6 De zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen haar dochter [dochter]. Namens de Inspecteur is verschenen [Inspecteur]. Door de maatregelen vanwege het corona-virus heeft de rechter de zitting geleid via een videoverbinding. 2OVERWEGINGEN Ontvankelijkheid bezwaar; eerste jaar van vijfjarig tijdvak 2.1 Ingevolge artikel 28 Landsverordening Grondbelasting (hierna: LGB) kan de belanghebbende slechts in het eerste jaar van het tijdvak (2012-2013) een bezwaarschrift indienen, alsmede in het jaar waarin op grond van artikel 24 LGB een nieuwe aanslag is vastgesteld door wijzigingen gedurende het voorgaande belastingjaar. 2.2 Blijkens de jurisprudentie moet artikel 28 LGB zodanig worden gelezen dat de belanghebbende slechts in het eerste jaar van het tijdvak – in dit geval dus het jaar 2012 – kan opkomen tegen de vastgestelde waarde van de onroerende zaak (vgl. RBB 30 januari 2015, ECLI:NL:ORBBACM:2015:7; GEA Aruba 12 december 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:831). In de andere jaren van het tijdvak – in dit geval dus het jaar 2013 – kan het bezwaar dus geen betrekking hebben op de vastgestelde waarde. In alle jaren van het tijdvak kan wel worden opgekomen tegen andere aspecten betreffende de aanslag grondbelasting, zoals het ontbreken van een wettelijke grondslag of de overschrijding van de aanslagtermijn. 2.3 In het onderhavige geval hebben de bezwaren van belanghebbende onder meer betrekking op het ontbreken van een wettelijke grondslag en de overschrijding van de aanslagtermijn. De Inspecteur heeft belanghebbende dan ook terecht ontvangen in haar bezwaar tegen de aanslag grondbelasting 2013. Intrekking Grondbelastingverordening 1908 2.4 In artikel 16 van de Landsverordening onroerendezaakbelasting (LOZB) is bepaald dat de Grondbelastingverordening 1908 wordt ingetrokken (PB 2013, no. 54). De LOZB is in werking getreden op 1 januari 2014. 2.5 Belanghebbende betoogt dat de aanslag grondbelasting 2013 ten onrechte is opgelegd, omdat ten tijde van het opleggen van die aanslag (op 7 december 2018) de Grondbelastingverordening 1908 was ingetrokken. Dit betoog slaagt. 2.6 Een aanslag kan slechts rechtsgeldig worden opgelegd indien deze berust op een wettelijke regeling die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.