Parketnummer: 500.00014/21 Uitspraak: 11 augustus 2022 Tegenspraak Vonnis van dit gerecht in de strafzaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [VERDACHTE], geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats], adres: [adres] ([land]), thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting SDKK. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 mei 2021, 27 augustus 2021, 8 december 2021, 26 januari 2022, 15 maart 2022, 9 mei 2022, 10 mei 2022, 11 mei 2022, 12 mei 2022, 13 mei 2022 en 29 juli 2022. Het gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie E. Ahbata en C.H. Hato-Willems (hierna: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw mr. A.S.M. Blonk naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting van 26 januari 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving tenlastelegging en de op de terechtzitting van 9 mei 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane vordering wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding, vordering nadere omschrijving en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen. Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, leest het gerecht deze voor de leesbaarheid in de bewezenverklaring cursief verbeterd. Het gerecht leest in feit 6 na de woorden: het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren” en “het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of voor te bereiden en/of te bevorderen” steeds de woorden: “van verdovende middelen” in, nu uit de aan de verdachte in dat verband verweten feitelijke handelingen blijkt dat dit feit volgens de steller van de tenlastelegging betrekking heeft op verdovende middelen. De verdachte heeft dit ook aldus begrepen en heeft zich hiertegen kunnen verweren. De verdachte wordt hierdoor niet in de verdediging geschaad. De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1 deelneming aan een criminele organisatie in Curaçao, Nederland en/of elders ter wereld in de periode 1 januari 2015 tot en met 8 februari 2021; Feit 2 primair: het (mede)plegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 1] op 8 april 2016 op Sint Maarten, gepleegd in de periode 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Saint Martin, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld; subsidiair: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 1], gepleegd in diezelfde periode; Feit 3 primair: het (mede)plegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2]- op 14 maart 2017, gepleegd in de periode 5 november 2015 tot en met 14 maart 2017 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld; subsidiair: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2]-, gepleegd in diezelfde periode; Feit 4 het (mede)plegen van de uitvoer/invoer van een of meer grote hoeveelheden cocaïne en/of hennep in Curaçao, Sint Maarten, Nederland, Frankrijk, België en/of elders ter wereld in de periode 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 en 30 kilogram cocaïne uit Sint Maarten naar Frankrijk in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020; Feit 5 het (mede)plegen van de uitvoer/invoer van 172 kilogram cocaïne in Curaçao en/of Nederland en/of Frankrijk en/of elders ter wereld in de periode 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021; Feit 6 het (mede)plegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van opiumdelicten in Curaçao, Sint Maarten, Nederland of elders ter wereld, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021; Feit 7 het witwassen van geld en goederen in Curaçao op 8 februari 2021. De geldigheid van de dagvaarding De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding nu de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 onvoldoende gespecificeerd en feitelijk is. De pleitnota van de raadsvrouw houdt, in combinatie met hetgeen zij op dit punt verder nog naar voren heeft gebracht, het volgende in – kort en zakelijk weergegeven –: De ten laste gelegde periode van deze feiten is te ruim en bestrijkt de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021, de dag van de aanhouding van de verdachte in Curaçao. Slechts negen PGP gesprekken tussen de verdachte en (beweerdelijk) [naam 1] hebben betrekking op deze feiten. Van de laatste bijna elf maanden is er zelfs geen enkel bericht tussen de verdachte en [naam 1] in het dossier aanwezig. Behalve de periode is ook de plaatsaanduiding “elders ter wereld” te onbepaald. Voorts is het onderdeel van de tenlastelegging in feit 4, dat gaat over de uit- en invoer en de verdere handel van “een of meerdere grote hoeveelheden” cocaïne en/of hennep, met name ook tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, zo onvoldoende specifiek dat het voor de verdachte niet duidelijk is waartegen hij zich op dit onderdeel van de tenlastelegging dient te verdedigen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voldoende duidelijk is. Het gerecht overweegt hieromtrent als volgt. Het gerecht is het wat betreft het onderdeel van de tenlastelegging in feit 4 dat ziet op “een of meer grote hoeveelheden” met de raadsvrouw eens. Aan de verdachte is – voor zover hier van belang en kort gezegd – na het eerste gedachtestreepje ten laste gelegd dat hij samen met een ander of anderen, in de periode van 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 één of meer (grote) hoeveelheden cocaïne heeft uitgevoerd en/of ingevoerd, in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960, en/of deze heeft bereid, verwerkt, bewerkt, verkocht etc., zonder enige nadere feitelijke duiding. Het is tegen de achtergrond van het dossier waarin zich een veelheid aan PGP gesprekken bevindt waarin wordt gesproken over allerlei hoeveelheden, transporten en transacties, niet duidelijk waartegen de verdachte zich dient te verdedigen, te minder omdat diezelfde gesprekken ook (deels) kunnen worden betrokken op de voorbereidingshandelingen die de verdachte onder feit 6 eveneens ten laste zijn gelegd. Gelet op dit alles is het gerecht van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 op dit onderdeel, dus partieel, nietig is. Voor de overige feiten acht het gerecht de tenlastelegging wel voldoende duidelijk en concreet. De vraag of een tenlastelegging voldoende duidelijk omschrijft welk strafbaar feit wordt ten laste gelegd, dient te worden beantwoord aan de hand van de tekst van die tenlastelegging, bezien in samenhang met de inhoud van het onderliggende dossier en met hetgeen de verdachte omtrent de hem verweten feiten heeft begrepen. De tekst van de tenlastelegging onder de feiten 4, 5 en 6 is, mede gelet op het feit dat de officier van justitie ter zitting bij de voordracht heeft aangegeven dat feit 4 alleen ziet op de uitvoer per vliegtuig vanuit Sint Maarten naar Frankrijk van 30 kilogram cocaïne, dat feit 5 alleen ziet op de uitvoer over zee vanuit Curaçao naar Frankrijk van 172 kilogram cocaïne, en dat feit 6 ziet op de eendaadse samenloop van voorbereidingshandelingen met betrekking tot die uitgevoerde partijen en andere partijen, voldoende concreet met betrekking tot het aan de verdachte gemaakte verwijt. Aan de termen in- en uitvoer, alsmede de overige gebruikte termen komt in dit verband mede feitelijke betekenis toe. In combinatie met de door de steller van de tenlastelegging naast “elders ter wereld” tevens vermelde concrete plaatsaanduidingen in de aanhef van de tenlastelegging is deze naar het oordeel van het gerecht dan ook voldoende duidelijk en omschrijft deze voldoende feitelijk tegen welke beschuldigingen de verdachte zich moet verdedigen. De verdachte heeft bij monde van zijn raadsvrouw ter terechtzitting ook blijk gegeven de tenlastelegging aldus te hebben begrepen en heeft zich daartegen ook verdedigd. Nu de tenlastelegging ook overigens voldoet aan de eisen, daaraan gesteld in artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Rechtsmacht Vooropgesteld wordt dat indien een ten laste gelegd feit niet onder de rechtsmacht van de strafrechter in Curaçao valt, dit niet tot onbevoegd verklaring van het gerecht moet leiden maar tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Artikel 1:6 van het Wetboek van Strafrecht luidt: De strafwet van Curaçao is van toepassing op de Nederlander die zich buiten Curaçao schuldig maakt aan een feit hetwelk door de strafwet van Curaçao als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is ook straf is gesteld. Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen blijkt dat de poging tot moord op [slachtoffer 1] is gepleegd op Saint Martin, het Franse deel van Sint Maarten. Ook de aan de verdachte verweten uitlokkingshandelingen hebben plaatsgevonden buiten het land Curaçao, evenals de uitvoer van verdovende middelen uit Sint Maarten en de invoer in Frankrijk. De verdachte woonde ten tijde van het plegen van deze feiten in Nederland, dus buiten Curacao, en bezat, gezien het onder hem aangetroffen Nederlandse paspoort, de Nederlandse nationaliteit. Het gerecht heeft zich ervan vergewist dat op de aan de verdachte onder 2 tot en met 6 ten laste gelegde feiten, die naar het recht van Curaçao steeds een misdrijf opleveren, in Saint Martin en Sint Maarten telkens straf is gesteld. Gelet hierop is de strafwet van Curaçao ook van toepassing op deze feiten en heeft het gerecht in eerste aanleg van Curaçao dan ook rechtsmacht. Onrechtmatige huiszoeking en uitlezen smartphones Standpunt raadsvrouw De raadsvrouw heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte op de grond dat er sprake is van een onrechtmatige huiszoeking en een onrechtmatig onderzoek aan twee onder de verdachte in beslag genomen smartphones, resulterend in een ernstige inbreuk op verdachtes recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in de artikelen 8 en 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Subsidiair dient dit volgens de raadsvrouw te leiden tot vrijspraak, op de grond dat het aldus verkregen bewijs niet mag bijdragen aan een bewezenverklaring. De raadsvrouw heeft daartoe gesteld dat de aan de beschikking tot huiszoeking van de rechter-commissaris van 8 februari 2021 voorafgegane vordering van de officier van justitie in het dossier ontbreekt, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de huiszoeking, zoals in die beschikking is vermeld, dringend noodzakelijk was. Hiervan was volgens de raadsvrouw geen sprake, omdat de verdenking tegen de verdachte oude feiten betrof en op dat moment alleen berustte op PGP gesprekken. De door de huiszoeking veroorzaakte inbreuk op verdachtes privacy had nog kunnen worden beperkt door toepassing van de vrijwillige afgifte als bedoeld in artikel 126 Sv. Ook hiervan is geen sprake geweest, omdat de verdachte door zijn aanhouding niet aanwezig kon zijn tijdens de huiszoeking. Voorts heeft, volgens de raadsvrouw, geen behoorlijke rechterlijke toetsing plaatsgevonden met betrekking tot het uitlezen van de onder de verdachte in beslag genomen smartphones, nu uit de vordering opdracht tot nasporing van 9 februari 2021 van de officier van justitie niet blijkt waarom die smartphones zouden moeten worden uitgelezen, en de daarop gevolgde beschikking van de rechter-commissaris geen blijk geeft van een serieuze toetsing waarin wordt ingegaan op de bevoegdheid en de proportionaliteit en subsidiariteit van het gevorderde. Artikel 219 Sv kan naar de mening van de raadsvrouw niet worden beschouwd als een voldoende (specifieke) wettelijke basis voor een ingrijpende bevoegdheid als het uitlezen van smartphones. Dit alles heeft, zowel bij de huiszoeking als bij het uitlezen van de smartphones, geleid tot een onherstelbaar vormverzuim (normschending als bedoeld in artikel 413 Sv), bestaande in de schending van verdachtes recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor niet-ontvankelijk verklaring en bewijsuitsluiting, een en ander op de grond zoals vermeld in de schriftelijke repliek. Beoordeling Het gerecht overweegt hierover als volgt. Op 8 februari 2021 om 13.19 uur heeft de rechter-commissaris huiszoeking verricht in villa [nr. villa] van het [naam hotel], op dat moment de verblijfplaats van de verdachte. Deze huiszoeking vond plaats op mondelinge vordering van de officier van justitie, welke vordering op 9 februari 2021 schriftelijk is bevestigd. Deze vordering is bij repliek door de officier van justitie overgelegd en bevindt zich dus in het dossier. De officier van justitie heeft toegelicht dat verdachtes aanhouding, de huiszoeking, alsmede het verzoek om machtiging tot het uitlezen van de smartphones heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het proces-verbaal van verdenking van 22 oktober 2020. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de verdachte werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en van betrokkenheid bij een moord en een poging tot moord. Het gerecht is van oordeel dat de rechter-commissaris op basis van voornoemd proces-verbaal in redelijkheid tot haar oordeel omtrent de huiszoeking en het uitlezen van de smartphones heeft kunnen komen. Ten aanzien van de huiszoeking overweegt het gerecht dat, nog afgezien van het feit dat voor een huiszoeking als de onderhavige, de eis van dringende noodzakelijkheid als bedoeld in artikel 122 Sv niet geldt, daarvan wel sprake was, nu de verdachte kort daarvoor – op de openbare weg en dus kenbaar voor derden – was aangehouden, waardoor het risico bestond dat bewijsmateriaal door derden zou worden weggemaakt. Dat de aanhouding van de verdachte heeft plaatsgevonden om te voorkomen dat de verdachte bij de huiszoeking aanwezig zou zijn, en zo de verdachte het recht te ontnemen om vrijwillig goederen af te geven, zoals door de raadsvrouw is gesteld, is op geen enkele manier aannemelijk geworden. De raadsvrouw heeft evenmin gemotiveerd op welke wijze de afwezigheid van de verdachte bij de huiszoeking de verdachte heeft geschaad in zijn verdedigingsbelang of wat het nadeel is dat de verdachte daarvan heeft ondervonden ten aanzien van zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Hierbij wordt opgemerkt dat het belang dat strafbare feiten onontdekt blijven in dit verband niet als een rechtens te respecteren belang kan gelden. De conclusie is dat de huiszoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en dat er geen sprake is van enige normschending. Ten aanzien van het uitlezen van de smartphones overweegt het gerecht dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat deze moesten worden uitgelezen, welk oordeel het gerecht aldus leest dat, gelet op de ernst van de verdenking en in aanmerking genomen de overige ter beschikking staande opsporingsmiddelen, dit uitlezen de toets van proportionaliteit en subsidiariteit kon doorstaan. De rechter-commissaris was hiertoe op grond van artikel 130 juncto 219 Sv bevoegd, ook indien dat onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou meebrengen (HR 4 april 2004, ECLI:NL:HR:2017:588). Nu het uitlezen van de smartphone heeft plaatsgevonden op een toereikende grondslag voor onderzoek en is getoetst door een rechter, is er naar het oordeel van het gerecht geen sprake van een te sanctioneren schending van artikel 8 EVRM. Het verweer wordt verworpen. Verweren met betrekking tot PGP Safe Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het door mr. Sulvaran in de zaak tegen [naam 2] gevoerde verweer inzake de verkrijging en het gebruik van de PGP Safe gesprekken. Dit verweer houdt – kort gezegd – het volgende in. Het bewijs tegen de verdachte berust grotendeels op een selectie van in Costa Rica in bulk verzamelde gesprekken. De niet proportionele wijze waarop deze persoonlijke gegevens zijn verzameld en gebruikt, ontbeert een wettelijke grondslag en is in strijd met het recht van de Europese Unie, alsook met het in de artikelen 8 en 6 EVRM neergelegde recht op privacy en het recht op een eerlijk proces. Ook heeft het openbaar ministerie de Costa Ricaanse autoriteiten misleid door het verschaffen van onjuiste informatie. De verkregen data zijn onvolledig en onbetrouwbaar en er is geen mogelijkheid om de betrouwbaarheid van de door de opsporingsambtenaren ingezette technische en tactische methoden op effectieve en onafhankelijke wijze te toetsen, waardoor sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms. Bovendien zijn bij het vergaren en onderzoeken van de data op grote schaal de rechten van professionele geheimhouders geschonden. Dit alles moet primair leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, subsidiair tot uitsluiting van het onrechtmatig verkregen belastend materiaal en als gevolg daarvan tot vrijspraak van de verdachte. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van de in Costa Rica verkregen PGP data geen beroep op art. 8 EVRM toekomt, nu hij ontkent de gebruiker te zijn geweest van het aan hem toegeschreven PGP Safe account. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het internationale vertrouwensbeginsel zich verzet tegen een toetsing van de rechtmatigheid van de inbeslagname van de PGP data in Costa Rica. Inhoudelijk heeft de officier van justitie gesteld dat er geen sprake is van enig vormverzuim met betrekking tot de verwerving en het gebruik van de PGP Safe berichten, zodat niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of enige andere sanctie niet op hun plaats zijn. Het gerecht overweegt hierover als volgt. Feitelijke gang van zaken In mei 2017 heeft, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak 26Sassenheim van Nederland aan Costa Rica, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (hierna: het Verdrag), na machtiging door de rechter te Costa Rica, bij het aldaar gevestigde bedrijf PGP Safe een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij bestanden die zich op de server van het bedrijf bevonden, zijn gekopieerd. Hierbij is een grote hoeveelheid PGP berichten in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De doorzoeking en de inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse rechter. De officier van justitie te Curaçao heeft op 3 mei 2019 en 21 september 2020 door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland verzocht om data afkomstig van de server van PGP Safe, zoals die door de Costa Ricaanse aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de Curaçaose officier van justitie verstrekt. Beoordeling Zoals gezegd zijn de PGP data in het onderzoek Themis verkregen op basis van twee zogeheten interregionale rechtshulpverzoeken van de officier van justitie in Curaçao aan de officier van justitie in Nederland. In het geval van interregionale rechtshulp is het aan het land waar de berechting plaatsvindt om zelfstandig, naar eigen recht, de rechtmatigheid en de toelaatbaarheid van in een ander Rijksdeel verkregen bewijsmateriaal te beoordelen. Dit betekent dat in de onderhavige zaak beslissend is of de verwerving en het gebruik van de gegevens afkomstig van PGP Safe naar Curaçaos recht rechtmatig kan worden geacht. Het rechtshulpverzoek van Nederland aan Costa Rica is gebaseerd op eerdergenoemd Verdrag, waarbij zowel het Koninkrijk der Nederlanden als Costa Rica partij zijn. Hieruit mag worden afgeleid dat beide landen de bereidheid hebben om samen te werken en de hoofdonderdelen van het strafproces die bij de betreffende vorm van rechtshulp bij de andere staat zijn ondergebracht aan die staat te laten en op de juiste uitvoering van die hoofdonderdelen te vertrouwen. In een dergelijk geval is volgens vaste jurisprudentie de taak van de strafrechter, ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten, ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Het behoort niet tot de taak van de strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek in het buitenland is uitgevoerd, strookt met de in het desbetreffende land geldende rechtsregels. Uitdrukkelijk staat dus niet ter beoordeling van de strafrechter of in het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn als bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Ter beoordeling is dus slechts of de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het gerecht zal daarom nagaan of al dan niet sprake is van ernstige en onherroepelijke normschendingen die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM. Anders dan de officier van justitie is het gerecht van oordeel dat het beroep op normschendingen de verdachte wel toekomt, ook al stelt deze zich primair op het standpunt dat hij geen gebruik heeft gemaakt van enig PGP account. Mr. Sulvaran heeft hierover meer in het bijzonder betoogd dat de verkrijging van de data in Costa Rica, de verwerking en het gebruik daarvan in strijd is met het recht van de Europese Unie, in bijzonder met het bepaalde in het EU Handvest en Richtlijnen ter zake de bescherming van persoonsgegevens, alsmede de rechtspraak daarover van het Europese Hof van Justitie. Het gerecht overweegt hierover dat Curaçao geen deel uitmaakt van de Europese Unie en dat de regelgeving en de daarop gebaseerde jurisprudentie waarop de verdediging zich beroept hier te lande geen gelding hebben. Eventuele strijdigheid van het gebruik van persoonsgegevens met het Unierecht levert dan ook geen normschending op naar Curaçaos recht. Wel moet worden beoordeeld of sprake is van schending van het - in (het hier te lande wel geldende) artikel 8 EVRM neergelegde - recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waarbij vooropgesteld moet worden dat een schending van dit recht niet zonder meer een inbreuk oplevert op het in artikel 6 EVRM vervatte recht op een eerlijk proces. Het gerecht stelt vast dat het openbaar ministerie in Nederland uiteindelijk zonder enige beperking kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van honderdduizenden berichten van PGP Safe. De vraag is of deze vergaring van data in het kader van het onderzoek tegen PGP Safe gerechtvaardigd was. Het betreft immers een vergaande inbreuk op het recht op vertrouwelijke communicatie van zeer veel gebruikers. Het gerecht is echter van oordeel dat de verdenking binnen onderzoek 26Sassenheim, zoals verwoord in het rechtshulpverzoek aan Costa Rica, een voldoende ruime grondslag bood om – zowel via de identificatie van de gebruikers als via (de daarvoor benodigde kennisname van) de inhoud van de berichten, te achterhalen of de PGP telefoons van PGP Safe voor criminele doeleinden werden ingezet. In dat kader was het kennisnemen van zoveel mogelijk berichten noodzakelijk. Het gerecht kan dan ook niet concluderen dat daardoor is gehandeld in strijd met de beginselen van redelijke en billijke belangenafweging. Het gerecht stelt wel vast dat voor de verkrijging van de gegevens naar Curaçaos recht geen wettelijke basis bestond (vergelijkbaar met artikel 125la Sv (NL): doorzoeking ter vastlegging van gegevens bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst), terwijl een dergelijke grootscheepse inbreuk op de rechten van gebruikers van een openbare telecommunicatiedienst ook niet kan worden gebaseerd op de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van de officier van justitie. Als het rechtshulpverzoek, (onder meer) strekkende tot het doen van huiszoeking in Costa Rica, zou zijn uitgegaan van Curaçao, had dit moeten uitgaan van de rechter-commissaris. Het ontbreken van voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris is naar Curaçaos recht aan te merken als een onherstelbare normschending. De vraag of daaraan een rechtsgevolg moet worden verbonden hangt af van het belang dat het geschonden voorschrift beoogt te dienen, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en berust op een afweging van enerzijds de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen, anderzijds de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en het normconform handelen in het voorbereidend onderzoek. Het gerecht is van oordeel dat het gebruik van verdachtes persoonlijke berichten en overige op de verdachte betrekking hebbende gegevens afkomstig van PGP Safe in de onderhavige strafzaak, zonder dat aan de verkrijging daarvan een machtiging van de rechter-commissaris was voorafgegaan, schending oplevert van verdachtes recht op eerbiediging van zijn privacy zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De hierdoor veroorzaakte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer is echter uiteindelijk beperkt gebleven tot kennisname van communicatie die voornamelijk betrekking heeft op strafbare gedragingen, zonder dat daarbij een min of meer compleet beeld van het persoonlijk leven van de verdachte is verkregen. De in de onderhavige zaak voorliggende gegevens zijn immers beperkt tot versleutelde berichten die steeds ofwel afkomstig waren van, ofwel bestemd voor de verdachte, veelal gericht waren aan, of afkomstig van, andere verdachten in hetzelfde feitencomplex en in overwegende mate betrekking hadden op de aan de verdachte verweten strafbare feiten. Niet aannemelijk is geworden dat er ook andere manieren zouden zijn geweest om zicht te krijgen op verdachtes betrokkenheid bij die feiten. Gelet hierop levert het gebruik van de data in het onderhavige onderzoek in de onderhavige zaak tegen de verdachte, ook bezien vanuit de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, niet meer dan een beperkte schending op van artikel 8 EVRM. Het nadeel voor de verdachte is met name gelegen in het feit dat door de kennisname van de aan hem toegeschreven berichten belastend materiaal bekend is geworden ten aanzien van zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, doch volgens vaste jurisprudentie moet dit nadeel bij de bepaling van de gevolgen van een eventuele normschending buiten beschouwing blijven. Ander concreet nadeel voor de verdachte is niet aannemelijk geworden. Mede gelet op hetgeen hierna over de andere onderdelen van het verweer zal worden overwogen, is deze schending onvoldoende om te kunnen concluderen dat geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Mr. Sulvaran heeft voorts betoogd dat de inbreuk die is gemaakt op de privacy-rechten van alle gebruikers van PGP Safe, gevolgen zou moeten hebben voor de vervolgbaarheid van de verdachte en de bruikbaarheid van de bij het onderzoek aangetroffen gegevens betreffende de verdachte. Het gerecht overweegt hierover dat wanneer het niet de verdachte is, die door de gestelde niet-naleving van een voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, geen rechtsgevolg hoeft te worden verbonden aan het verzuim. Het gerecht vermag niet in te zien dat de gestelde schending van de privacy-rechten van derden invloed heeft gehad op het opsporingsonderzoek tegen en de vervolging van de verdachte, zodat niet tot de conclusie kan worden gekomen dat sprake is geweest van enige normschending in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. Anders dan mr. Sulvaran leest het gerecht in de door haar aangehaalde rechtspraak niet dat de zogeheten Schutznorm-leer door de Hoge Raad zou zijn verlaten. Misleiding Standpunt verdediging Mr. Sulvaran heeft voorts gesteld dat het openbaar ministerie heeft getracht de Costa Ricaanse autoriteiten te misleiden, door in het rechtshulpverzoek terrorisme-verdenkingen te vermelden, terwijl daarvan geen sprake was. Ook heeft de officier van justitie de Costa Ricaanse autoriteiten misleid door te impliceren dat hij op grond van artikel 1251 Sv (NL) beschikte over een zelfstandige bevoegdheid om het rechtshulpverzoek te doen, terwijl in werkelijkheid gebruik had moeten worden gemaakt van artikel 125la Sv (NL). Op die manier is een toets door de rechter-commissaris en de toepasselijkheid van de beperkende voorwaarden van artikel 125la Sv (NL) op het rechtshulpverzoek ontlopen. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de PGP data op juiste wijze zijn verkregen van Costa Rica. Beoordeling Het gerecht overweegt hierover als volgt. Het rechtshulpverzoek van de Nederlandse officier van justitie aan Costa Rica van 4 april 2017 vermeldt als verdenking tegen de verdachten in de zaak 26Sassenheim: witwassen, deelneming aan een criminele organisatie en begunstiging. Het gerecht leest in het rechtshulpverzoek weliswaar dat volgens de officier van justitie in het centrale bedrijfsprocessen systeem van de politie te zien is dat PGP Safe toestellen voorkomen in onderzoeken met betrekking tot onder meer terrorisme, maar niet dat in de zaak waarin het rechtshulpverzoek werd gedaan, sprake zou zijn van een verdenking van terrorisme. Het verweer faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het enkele feit dat de Nederlandse officier van justitie meende over een zelfstandige bevoegdheid te beschikking om het rechtshulpverzoek te doen – al dan niet omdat hij ervan uitging dat PGP Safe niet kwalificeerde als een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst zoals bedoeld in artikel 125la Sv (NL) – is onvoldoende om aan te nemen dat de Costa Ricaanse autoriteiten door de Nederlandse officier van justitie zouden zijn misleid. Dit valt ook niet af te leiden uit de omstandigheid dat de doorzoeking door de Costa Ricaanse autoriteiten voortijdig zou zijn beëindigd, nu de verzamelde data door de Costa Ricaanse autoriteiten aan Nederland ter beschikking zijn gesteld. Op dit punt is dus geen sprake van een normschending. Geheimhouders Standpunt verdediging Mr. Sulvaran stelt dat uit het dossier niet blijkt dat na ontvangst van de data op Curaçao op zorgvuldige wijze is omgegaan met zich daartussen bevindende zogeheten geheimhoudersinformatie. Er is volgens de verdediging door middel van in de interregionale rechtshulpverzoeken door de Curaçaose officier van justitie opgegeven zoektermen als: “[naam 3]” en “[naam 4]” zelfs bewust gezocht naar dergelijke informatie. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft betoogd dat in onderhavig onderzoek wel zorgvuldig is omgegaan met de omstandigheid dat zich onder de PGP berichten en in het overige beslag wellicht stukken zouden bevinden waarvoor een professioneel verschoningsrecht gold. Daartoe is een geheimhouders functionaris aangesteld bij de politie, die geen deel uitmaakte van het onderzoeksteam, alsmede een geheimhouders officier van justitie, die geen zaaksofficier was, en die eventuele geheimhoudersstukken aan de rechter-commissaris heeft voorgelegd. Ten aanzien van de PGP data geldt volgens de officier van justitie dat er geen enkel geheimhoudersstuk is aangetroffen. Op de door de verdediging bedoelde berichten, waarin anderen spreken over advocaten, is naar de mening van de officier van justitie het verschoningsrecht niet van toepassing, zodat deze berichten niet als geheimhoudersstukken zijn aan te merken. Beoordeling Het gerecht overweegt hierover als volgt. Als geheimhoudersinformatie moet worden aangemerkt communicatie afkomstig van, of gericht aan een persoon omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem is toevertrouwd als degene die uit hoofde van zijn stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht is. De PGP gesprekken waarop de verdediging zich beroept, voldoen daaraan niet, nu het steeds anderen betreft, die in hun onderlinge communicatie spreken over advocaten, zonder dat deze advocaten zelf in de communicatie betrokken zijn. Het betreft dus geen informatie die aan de advocaat in zijn hoedanigheid is toevertrouwd. Anders dan de verdediging is het gerecht daarom van oordeel dat opname van deze berichten in het dossier geen strijd oplevert met het verschoningsrecht van de advocaat. De officier van justitie heeft voorts voldoende duidelijk uiteengezet op welke wijze meer in het algemeen bij de beoordeling van het in beslag genomen materiaal is omgegaan met de belangen van eventuele geheimhouders. Het gerecht leidt daaruit af dat de schifting van gegevens op zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek is geschonden. Betrouwbaarheid gegevens en equality of arms Standpunt verdediging Mr. Sulvaran stelt vraagtekens bij de betrouwbaarheid van het tegen de verdachte verkregen bewijsmateriaal. Er is sprake van onverklaarbare onregelmatigheden in de PGP berichten, die voor een juiste interpretatie en voor de beoordeling van de redengevendheid van bepaalde data funest kunnen zijn. Zo ontbreken bij verschillende berichten de datum, de afzender of de ontvanger. Ook worden soms onverklaarbare tekens/symbolen weergegeven en worden kennelijk bepaalde letters/tekens als “underscore” weergegeven. Een en ander illustreert de oncontroleerbaarheid en de willekeurigheid van het PGP bewijs. Voorts wordt er ten onrechte blind op vertrouwd dat het programma Hansken, waarmee de in deze zaak beschikbare data uit de totale hoeveelheid in Costa Rica in beslag genomen data zijn gefilterd, de informatie uit het bronmateriaal juist weergeeft. Metadata, waarmee de juistheid en de betrouwbaarheid van de door Hansken gegenereerde data gecontroleerd zouden kunnen worden, ontbreken vaak. Het is mogelijk dat informatie wordt gemist en ook manipulatie van data is mogelijk. Voorts levert het feit dat niet alle gegevens op de PGP servers in Costa Rica zijn gekopieerd problemen op bij de bepaling in welke context bepaalde gesprekken hebben plaatsgevonden. De verdediging heeft in het verlengde daarvan betoogd dat het openbaar ministerie het beginsel van equality of arms heeft geschonden doordat de verdediging niet de beschikking heeft gekregen over de software van het programma Hansken, alsmede over “alle brondata/primaire data”, dan wel de reeds verstrekte berichten die aan de verdachten en de medeverdachten kunnen worden toegeschreven, om op eigen kantoor, eventueel met eigen deskundigen en alternatieve software de werking van Hansken en de daarmee gegenereerde resultaten te kunnen onderzoeken en beoordelen. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich, verwijzend naar uitspraken in andere zaken, op het standpunt gesteld dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de uit Costa Rica verkregen data. Er is ook geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de data zouden zijn gemanipuleerd. De verdediging heeft daaromtrent ook niets concreets gesteld. Voor zover het belastend bewijsmateriaal betreft moet de verdediging uiteraard in de gelegenheid worden gesteld om dit bewijs te controleren. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging geen belang heeft bij het verstrekken van alle uit Costa Rica afkomstige PGP gesprekken. Het openbaar ministerie beschikt zelf ook alleen over de data die met behulp van de door de officier van justitie in de interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland opgegeven zoektermen uit de totale hoeveelheid uit Costa Rica afkomstig bronmateriaal zijn gefilterd. De officier van justitie is van oordeel dat volstaan kan worden met de reeds aan de verdediging geboden mogelijkheid om de zich op Curaçao bevindende, voor de verdachte relevante PGP gesprekken te controleren. Beoordeling Het gerecht overweegt hierover als volgt. Het gerecht stelt voorop dat uit het beginsel van “equality of arms” niet voortvloeit dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen, dan wel als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om alles te controleren. De verdediging heeft betoogd dat het programma Hansken een black box is, waarop niet kan worden vertrouwd en dat onduidelijk is of Hansken het bronmateriaal wel juist en volledig weergeeft. Voor zover de verdediging zich hierbij beroept op een tweetal rapporten van [naam 5] van 15 januari en 4 maart 2018, faalt dat beroep, nu die rapporten een specifieke dataset betreffen uit Ennetcom- (en dus niet: PGP Safe-) berichten in een geheel andere strafzaak. De verdediging heeft voorts niet aangegeven welk concreet onderdeel van het verkregen bewijsmateriaal zij betwist en waarom. Dat de data onvolledig zijn, zoals ook door de officier van justitie wordt erkend, kan worden verklaard uit het feit dat de doorzoeking in Costa Rica voortijdig door de Costa Ricaanse autoriteiten is beëindigd. Dat hierdoor een onjuiste interpretatie wordt gemaakt van enig specifiek PGP bericht heeft de verdediging niet gesteld. Dit laatste geldt ook voor de door de verdediging gesignaleerde weergave van de underscores en het voorkomen van tekens/symbolen die door de verdediging niet worden begrepen. De meer algemene stelling dat de werking van Hansken niet door de verdediging kan worden gecontroleerd en dat fouten in de weergave van de PGP data kunnen leiden tot verkeerde interpretaties van de inhoud daarvan is onvoldoende. Hierbij komt dat de inhoud van de verschillende PGP gesprekken op belangrijke onderdelen aansluit bij en dus bevestiging vindt in niet alleen andere PGP gesprekken, maar ook in de inhoud van andere bewijsmiddelen. Onder het recht op een eerlijk proces wordt ook begrepen het recht op gelijke proceskansen. De verdachte moet zijn verdediging kunnen organiseren om zo in staat te zijn alle relevante verweren aan de rechter voor te leggen en op die manier de uitkomst van het strafproces te beïnvloeden. Anders dan de verdediging leidt het gerecht uit de Europese jurisprudentie niet af dat de verdediging de beschikking dient te krijgen over, of inzage dient te krijgen in, de volledige, zich in Nederland bevindende, PGP Safe dataset. Als de opsporingsinstantie, zoals in dit geval, waarin de officier van justitie evenals de verdediging alleen beschikt over de data die met behulp van de door hem aan zijn ambtgenoot in Nederland opgegeven zoektermen uit de totale hoeveelheid bronmateriaal uit Costa Rica zijn gefilterd, ook zelf niet op de hoogte is van de inhoud van de totale dataset en de verdediging niet duidelijk aangeeft welke specifieke kwestie in die data moet worden onderzocht en daartoe de redenen aandraagt, of specifieke zoekopdrachten voorstelt, is er geen sprake van ongelijke proceskansen of het achterhouden van bewijs. Voor zover het bewijsmateriaal betreft moet de verdediging in staat worden gesteld om dit bewijs te controleren. In het onderhavige geval is de verdediging in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de PGP gesprekken die enige relevantie hebben voor de aan de verdachte ten laste gelegde feiten (in het proces-verbaal van de zitting van 26 januari 2022 aangeduid als: de gesprekken betrekking hebbend op de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, alsook de gesprekken die zien op diens identificatie als gebruiker van een PGP account. Uit het proces-verbaal van de zitting van 15 maart 2022 blijkt dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om aan de hand van eventuele aanvullende zoektermen onderzoek te laten doen in andere dan de hierboven bedoelde brondata. De verdediging beschikt ook over de USB stick met de relevante gesprekken en kan deze – ook zonder Hansken – controleren. Het gerecht concludeert dat geen sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms. Gevolgen Zoals hierboven reeds overwogen levert het gebruik van verdachtes persoonlijke berichten en overige op de verdachte betrekking hebbende gegevens afkomstig van PGP Safe in de onderhavige strafzaak, zonder dat aan de verkrijging daarvan een machtiging van de rechter-commissaris was voorafgegaan, schending op van verdachtes recht op eerbiediging van zijn privacy zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De verdediging heeft primair verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, subsidiair het onrechtmatig verkregen belastend materiaal uit te sluiten van het bewijs, hetgeen bij gebreke van voldoende overig wettig bewijs tot vrijspraak dient te leiden. Van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging kan alleen sprake zijn in die gevallen waarin een onherstelbare inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, waardoor geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, die niet op een aan de eisen van behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en welke inbreuk de conclusie moet kunnen dragen dat “the proceedings as a whole were not fair”. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is daarvan in dit geval geen sprake. Het gerecht ziet evenmin reden voor bewijsuitsluiting. Van bewijsuitsluiting kan sprake zijn indien: a.) het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen; b.) sprake is van schending van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden en waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk wordt geacht als middel om toekomstige vergelijkbare normschendingen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm, of wanneer de desbetreffende normschending zozeer bij herhaling voorkomt dat haar structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop deze structurele normschending hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost om overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen. Beide gevallen doen zich hier niet voor. Nu het gerecht voorts van oordeel is dat onvoldoende gebleken is van een concreet nadeel voor de verdachte, acht het gerecht ook strafvermindering geen passend rechtsgevolg en zal worden volstaan met de enkele constatering dat sprake is geweest van een normschending. Verweren met betrekking tot Ennetcom Standpunt raadsvrouw De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen wettelijke basis bestond voor onderzoek aan de Ennetcom data ten aanzien van de verdachte. Het Curaçaose Wetboek van Strafvordering kent geen voorziening waarop de toetsing door de rechter-commissaris kon worden gebaseerd, zodat sprake is van handelen in strijd met het in artikel 9 Sv neergelegde legaliteitsbeginsel. Ook heeft die toetsing niet plaatsgevonden in de zaak tegen de verdachte, maar in de zaken tegen andere verdachten, hetgeen in strijd is met de door de Canadese rechter gestelde voorwaarde, en strijd oplevert met artikel 8 EVRM. Gelet hierop moeten volgens de raadsvrouw “de bevindingen” worden uitgesloten van het bewijs. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkrijging van de Ennetcom data op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Feitelijke gang van zaken In 2016 zijn, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak De Vink van Nederland aan Canada, gebaseerd op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gesloten te Den Haag op 1 mei 1991 (Trb. 1991, 85) (hierna: het Verdrag) de servers van het in Canada gevestigde bedrijf Ennetcom doorzocht. Hierbij is een grote hoeveelheid data (PGP gesprekken) in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van een Canadese rechter. Deze rechter heeft in zijn beslissing van 19 september 2016 bepaald dat het gevonden bewijsmateriaal alleen mocht worden gebruikt in vier met name genoemde onderzoeken. Toegang tot, onderzoek aan, of gebruik van dat bewijsmateriaal in enig ander onderzoek in het Koninkrijk der Nederlanden zou volgens die beslissing slechts mogen plaatsvinden nadat daartoe door het Koninkrijk der Nederlanden een gerechtelijke machtiging zou zijn afgegeven. Op vordering van de officier van justitie in Curaçao en Sint Maarten hebben de rechters-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in Curaçao en Sint Maarten de officier van justitie en de opsporingsambtenaren verbonden aan het onderzoek Themis gemachtigd om zich toegang te verschaffen tot, onderzoek te verrichten aan, en gebruik te maken van de gegevens op de servers van Ennetcom, zoals die door de Canadese aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen, voor zover het betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen. Het gerecht overweegt hierover als volgt. Art. 10 van het Verdrag luidt: ”1. De aangezochte Staat geeft, in zoverre zijn wet dat toelaat, gevolg aan verzoeken om huiszoeking, inbeslagneming of de uitlevering ter inbeslagneming van schriftelijke bescheiden, of voorwerpen en de overdracht van aldus verkregen bewijsmateriaal, of afschriften daarvan, aan de verzoekende Staat, mits blijkens de in het verzoek vermelde gegevens zulke maatregelen krachtens de wet van de aangezochte Staat zouden zijn gerechtvaardigd. 2. De aangezochte Staat verstrekt alle gegevens waarom de verzoekende Staat verzoekt met betrekking tot de uitlevering ter inbeslagneming, huiszoeking en inbeslagneming, met inbegrip van de plaats van inbeslagneming, de omstandigheden van inbeslagneming en de daaropvolgende bewaring van het in beslag genomen of uitgeleverde bewijsmateriaal. 3. De verzoekende Staat voldoet aan alle voorwaarden die door de aangezochte Staat worden gesteld met betrekking tot op grond van dit artikel aan de verzoekende Staat overgedragen voorwerpen.” Het gerecht stelt met de verdediging vast dat in het Curaçaose Wetboek van Strafvordering een specifieke wettelijke bepaling voor het zich verschaffen van toegang tot, het verrichten van onderzoek aan, en het gebruik maken van, gegevens die in beslag genomen zijn onder een aanbieder van een openbare communicatiedienst ontbreekt. De rechters-commissaris hebben hun toetsing gebaseerd op artikel 219 Sv, inhoudend dat de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek het doen van nasporingen kan opdragen aan opsporingsambtenaren. Deze toetsing werd niet vereist door het Wetboek van Strafvordering, maar vond plaats in het kader van de door de Canadese rechter gestelde, door het Koninkrijk op grond van artikel 10 lid 3 van het Verdrag na te leven voorwaarde, waaronder de gegevens op grond van het rechtshulpverzoek door de Canadese rechter waren verstrekt. Het gerecht is van oordeel dat het Wetboek van Strafvordering zich er in een dergelijk geval niet tegen verzet dat de officier van justitie een rechterlijke machtiging vordert van de rechter-commissaris voor het gebruik van dergelijke gegevens in een strafrechtelijk onderzoek en de rechter-commissaris op die vordering beslist. Anders dan de raadsvrouw meent, is het onderzoek naar, en het gebruik van de met machtiging van de rechters-commissaris in zaken tegen andere verdachten verkregen data in de zaak tegen de verdachte, niet in strijd met de door de Canadese rechter gestelde voorwaarden, nu die voorwaarden geen beperking inhouden ten aanzien van de specifieke verdachten, in wier zaken die data mogen worden gebruikt. De raadsvrouw heeft niet gemotiveerd waarom dit onderzoek en gebruik strijd zou opleveren met artikel 8 EVRM. Voor zover zij bedoelt te stellen dat na rechterlijke toetsing bevoegdelijk verkregen data in de zaak tegen de ene verdachte niet zonder een aparte rechterlijke toetsing in de zaak tegen de andere verdachte mogen worden gebruikt, vindt die stelling geen grondslag in het recht. De conclusie uit het voorgaande is dat het beroep op bewijsuitsluiting faalt. Vrijspraak van feit 3 Het gerecht spreekt de verdachte vrij van het onder feit 3 primair ten laste gelegde medeplegen van uitlokking van de moord op [slachtoffer 2]- op 14 maart 2017, alsook van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid daaraan. Op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal in de vorm van PGP gesprekken stelt het gerecht weliswaar vast dat de verdachte in de periode van 5 november 2015 tot en met maart 2016 samen met anderen bezig is geweest met het beramen van een aanslag op het leven van [slachtoffer 2], maar bij gebreke van iedere communicatie vanaf maart 2016 tot en met 14 maart 2017, de dag van de moord, en daarna, alsook van ander bewijs waarop de conclusie kan worden gebaseerd dat de aanslag op [slachtoffer 2] op 14 maart 2017 het resultaat is van de tot en met 14 maart 2016 onder meer door de verdachte gevoerde gesprekken en/of verrichte handelingen, acht het gerecht, met de raadsvrouw, niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 3 primair en subsidiair ten laste is gelegd. Partiële vrijspraak van feit 7 Het gerecht spreekt de verdachte ook vrij van het onder feit 7 ten laste gelegde witwassen van een Rolex Yacht-Master Stainless Steel en diamanten oorbellen. Uit de door de raadsvrouw overgelegde foto’s en hetgeen zij heeft aangevoerd blijkt dat de verdachte dit horloge al meer dan tien jaar in zijn bezit heeft. Het dossier bevat geen informatie over het toenmalige inkomen en/of vermogen van de verdachte, op grond waarvan nu zou moeten worden aangenomen dat het niet anders kan dan dat dit horloge uit (de opbrengst van) misdrijf is verkregen. Voor wat betreft de diamanten oorringen is het gerecht van oordeel dat de taxatiewaarde van deze oorringen, te weten 795 dollar, dusdanig gering is dat niet gezegd kan worden dat het niet anders kan dan dat deze met door misdrijf verkregen geld door de verdachte zijn verkregen. Bewezenverklaring Het gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 primair, 4, voor zover nog aan de orde, 5, 6 en 7 voor zover nog aan de orde, is ten laste gelegd, met dien verstande dat: – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde – hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 8 februari 2021 in Curaçao en Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie zich noemende de No Limit Soldiers (NLS), bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen te weten de verdachte, [naam 1], [naam 6], [naam 7], [naam 2], en/of andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten: moord/doodslag, uitlokking van moord en andere geweldsdelicten en de invoer en uitvoer en de handel in verdovende middelen en (gewoonte)witwassen; – ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde – onbekend gebleven anderen op 8 april 2016 in Saint Martin, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels in het lichaam van die [slachtoffer 1] hebben geschoten, zijnde de uitvoering van de voorgenomen misdrijf niet voltooid, welk feit de verdachte, tezamen en in vereniging met [naam 6], [naam 7] en [naam 1], in de periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 te Nederland en Saint Martin, door giften en beloften en door het verschaffen van inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt door: - met elkaar te bespreken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [vriendin naam 1] op 5 november 2015 te Saint Martin, zijnde de vriendin van [naam 1] en met elkaar te bespreken dat er wraak genomen moet worden op de dood van [vriendin naam 1] op 5 november 2015 te Saint Martin en informatie in te winnen en uit te zoeken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [vriendin naam 1] en met elkaar te bespreken dat [slachtoffer 1] verantwoordelijk is voor de dood van [vriendin naam 1] en met elkaar te bespreken en te bepalen dat die [slachtoffer 1] dood moet en het vaststellen van een geldbedrag voor het doden van die [slachtoffer 1] en te bespreken wie in te schakelen om [slachtoffer 1] te doden en een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen voor het doden van die [slachtoffer 1] en het benaderen van die onbekend gebleven anderen en hun opdracht te geven [slachtoffer 1] te doden en de betaling, zijnde 50.000 dollar en 25 pond wiet aan die onbekend gebleven anderen te verrichten; – ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde – hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020 te Sint Maarten en Frankrijk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft uitgevoerd en heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram cocaïne; – ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde – hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 te Curaçao en Frankrijk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft uitgevoerd en heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram cocaïne; – ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde – hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te Curaçao, Sint Maarten, Nederland en Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens, om een feit bedoeld in artikel 3 eerste lid onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960, te weten het opzettelijk uitvoeren en invoeren en het opzettelijk verkopen en vervoeren (van verdovende middelen) voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en anderen gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, de verdachte en zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.