Parketnummer: 500.00109/22 Uitspraak: 28 september 2022 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1961 in [geboortedatum], wonende in [woonplaats], [adres]. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2022, 19 augustus 2022 en 8 september 2022 (sluiting). Bij de inhoudelijke behandeling op de eerste zitting is de verdachte met zijn raadsvrouw, mr. G.C.A. Scheperboer-Parris, advocaat in Curaçao, verschenen. Bij de tweede en derde zitting zijn de verdachte en zijn raadsvrouw niet verschenen. De officieren van justitie, mrs. A.K. Tiggelaar en M. Vollebregt, hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2018 tot en met 31 december 2018, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/ of vervoerd en/of in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, een of meerdere kilogram(men) cocaïne, althans een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13); (Artikel 3 jo 11-1 Opiumlandsverordening 1960) Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Bewezenverklaring Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 14 oktober 2018 tot en met 17 oktober 2018 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of aanwezig gehad hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960. Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Hierna zal, tenzij anders vermeld, telkens worden verwezen naar ambtsedige – en door de desbetreffende verbalisant(
- en)in de wettelijke vorm opgemaakte – processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in diverse processen-verbaal van het Recherche Samenwerkingsteam, te weten: Zaaksdossier “Handel verdovende middelen afkomstig van inbraak” d.d. 18 mei 2022 (documentcode 366632); Aanvulling Zaaksdossier Handel d.d. 3 juni 2022; Tweede Aanvulling Zaaksdossier Handel d.d. 4 augustus 2022; - Persoonsdossier “Verdachte [verdachte]” d.d. 18 mei 2022 (documentcode [code]). Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao. 1. De verbalisant [verbalisant 1] heeft onderzoek verricht ter identificatie van de gebruiker van de telefoonnummer [telefoonnummer] en heeft het volgende gerelateerd: “Uit het politiesysteem ACTPOL blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik is bij [verdachte]. Dit komt overeen met het tapgesprek waarin de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] zich voorstelt als [verdachte]. In het onderzoek “Skapadepchi” is op 9 oktober 2019 de telefoon van [betrokkene] in beslag genomen. In deze telefoon staat het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ‘[verdachte]’. Tijdens het verhoor op 21 juni 2021 heeft [verdachte] op de vraag van wie het telefoonnummer [telefoonnummer] is, verklaard dat het zijn nummer. Tijdens het verhoor op 22 juni 2021 is [verdachte] geconfronteerd met de tapgesprekken en aan hem is medegedeeld dat zijn stem wordt herkend als gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer]. [verdachte] zegt: ‘Ja dat ben ik. Ik herken mijzelf.’ Uit bovenstaande blijkt dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer].” 2. Op 16 en 17 oktober 2018 zijn gesprekken gevoerd tussen de verdachte (nummer [telefoonnummer]) en [medeverdachte 1] (nummer [telefoonnummer]). De verbalisant [verbalisant 1] heeft deze gesprekken vastgelegd en het volgende gerelateerd: “ “Uit telefoongesprekken van geïntercepteerde telefoonnummers uit onderzoek CARS en INEX 1.0 en in beslag genomen telefoons afkomstig van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijkt dat er gesprekken en berichtenverkeer heeft plaatsgevonden, waarbij onder meer de volgende personen betrokken waren: - [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] (telefoonnummer [telefoonnummer]) - [verdachte], geboren op [geboorteplaats] (telefoonnummer [telefoonnummer]) (…) 16 oktober 2018 17 oktober 2018 (…) “ 3. De verdachte heeft tijdens zijn derde verhoor ten overstaan van de politie het volgende verklaard: ““Gesprek d.d. 16-10-2018, sessienummer 813 Dit gesprek gaat over een transactie. Ik was de bemiddelaar van deze transactie. Ik was de tussenpersoon tussen de koper “[persoon]” en de persoon die jullie [medeverdachte 1] (het Gerecht begrijpt: de verdachte [medeverdachte 1]) noemen. Ik noem [medeverdachte 1]. Ik wist de herkomst van de drugs niet. Deze cocaïne was zacht alsof het op de grond was gevallen en daarom moest het in delen opgesplitst worden. Ik had 600-700 gram cocaïne nodig. [persoon] wilde 700 gram. Ik heb [medeverdachte 1] gezegd, dat ik een vriend had dat die 300 gram kon meenemen. [medeverdachte 1] doet geen deals in stukjes. Hij wil alleen kilo’s verkopen. Een kilo cocaïne was ANG 9500,- en 300 gram was ongeveer ANG 3000,-. Een kilo cocaïne was ANG 9500,- en 300 gram was ongeveer ANG 3000,-. Gesprek d.d. 16-10-2018, sessienummer 828 Met documenten bedoel ik het geld voor de 300 gram cocaïne. [medeverdachte 1] wilde de hele kilo verkopen. Gesprek d.d. 17-10-2018, sessienummer 838 Dit gesprek gaat over het geld voor 1 kilo cocaïne. Ik had al ANG 2.500,- van een partij gekregen. Het woord geldautomaat is versluierd taalgebruik voor een ander partij/person die nog geld moest brengen. ANG 2.500,- was voor 300 gram. Het resterende bedrag was ANG 7.000,-. Het geld was voor Pa. De hele kilo is wel verkocht. Gesprek d.d. 17-10-2018, sessienummer 852 Dit gesprek gaat over drugshandel. Het was heel moeilijk om die slechte kwaliteit cocaïne verkocht te krijgen. Daarom zeg ik tegen [medeverdachte 1] dat ik mijn best ging doen. Ik zeg tegen [medeverdachte 1], als je wilt verkopen moet je met een andere komen. De kopers wilden een goede kwaliteit. Het gesprek ging over drugshandel. Ik had klanten. [medeverdachte 1] had de drugs. [medeverdachte 1] kwam steeds bij mij om die transacties te laten doorgaan. Bewijsoverwegingen De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte in verdovende middelen heeft gehandeld. Weliswaar heeft de verdachte gesprekken over verdovende middelen gevoerd, doch daaruit zijn geen concrete afspraken voortgevloeid. De betrokkenheid van de verdachte in de handel zou dus uit enkel WhatsAppgesprekken blijken, hetgeen onvoldoende bewijs oplevert voor dit verwijt. Het Gerecht verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit de inhoud van de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken leidt het Gerecht af dat de verdachte in de periode van 14 tot en met 17 oktober 2018 uitvoerig en nauw overleg heeft gevoerd met de medeverdachte [medeverdachte 1] en vervolgens ook concrete afspraken heeft gemaakt over de verkoop van verdovende middelen, de beschikbaarheid van verdovende middelen, de hoeveelheid van verdovende middelen en de kwaliteit van de verdovende middelen. De verdachte trad op als bemiddelaar bij een drugstransactie en onderhield contacten met potentiële kopers. Er is geen bewijs dat de verdachte zich na 17 oktober 2018 nog bezig heeft gehouden met de handel in cocaïne. In zoverre zal de verdachte worden vrijgesproken. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verdachte zich naar het oordeel van het Gerecht in de periode van 14 tot en met 17 oktober 2018 samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de handel in verdovende middelen. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef onder c en B en C, van de Opiumlandsverordening en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a, van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder B en C van de Opiumlandsverordening. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Oplegging van straf Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Met betrekking tot de ernst van het bewezenverklaarde wordt het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft gedurende een zeer korte periode samen met een ander in verdovende middelen gehandeld. In dit kader fungeerde de verdachte als bemiddelaar tussen de koper(
- s)en de leverancier van de verdovende middelen. Verdovende middelen zijn in hoge mate verslavend en vormen een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers daarvan en voor de maatschappij. Daarnaast gaat de verspreiding van en handel in verdovende middelen vaak gepaard met geweldscriminaliteit en leidt tot vele andere vormen van criminaliteit bij de verslaafden. Om deze redenen dient tegen de handel in verdovende middelen krachtig te worden opgetreden. Met zijn handelen heeft de verdachte de verkoop van verdovende middelen gefaciliteerd en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit. Het Gerecht rekent dit de verdachte aan. Het Gerecht heeft voor het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechtelijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor het met enig regelmaat gedurende een periode van minder dan 6 maanden dealen vanuit een pand of op straat als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden genoemd. Tenslotte heeft het Gerecht ook acht geslagen op de strafkaart van de verdachte, waaruit blijkt dat hij onder andere op 29 oktober 2018 voor een soortgelijk feit is veroordeeld en de door en namens verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden, mede blijkend uit het reclasseringsrapport van 2 augustus 2022. Het Gerecht komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd omdat zij tot bewezenverklaring komt van een kortere periode dan door de officier van justitie gevorderd. Voorts acht het Gerecht niet aangetoond dat de verdachte wist dat de door hem verhandelde cocaïne van de inbraak in het politiebureau afkomstig was. Het Gerecht is, alles afwegende, van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:123 en 1:138 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het Gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken; bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. G.P. Verbeek, bijgestaan door mr. T.M.A.D. de Lanoy, (zittingsgriffier), en op 28 september 2022 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. uitspraakgriffier: Proces-verbaal van bevindingen identificatie [verdachte] d.d. 9 augustus 2021, PV-nummer 346618, Persoonsdossier [verdachte], pagina R4-01 t/m R4-02. Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de handel van verdovende middelen na de inbraak in het politiegebouw ‘Team Narcotica’ met bijlagen d.d. 25 augustus 2021, PV-nummer 346304, Zaaksdossier Handel verdovende middelen afkomstig van inbraak, pagina R5-11 t/m R5-67, Bijlage: 1. Tapgesprekken onderzoek CARS TAP 59996690016, pagina R5-25 t/m R5-30. Proces-verbaal 3de verhoor verdachte [verdachte] d.d. 17 juni 2021 (Het Gerecht begrijpt: 22 juni 2021; zie proces-verbaal correctie sluitingsdatum) , documentcode 343603, Persoonsdossier [medeverdachte 3], pagina R5-10 t/m R5-22.