Parketnummer: 500.00098/24 Uitspraak: 11 oktober 2024 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats], wonende [adres 1], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzittingen van het Gerecht van 19 april 2024 en 20 september 2024, alsmede tijdens de gerechtelijke schouw gehouden op 18 september 2024 ter hoogte van het perceel [adres 2]. De verdachte is steeds verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.C. Larmonie, advocaat in Curaçao. De officieren van justitie, mr. W.J. de Graaf en F.E. van der Zee, hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een werkstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis bij niet voldoening. Verder vorderen zij een voorwaardelijke ontzetting uit het ambt van politieambtenaar, voor de duur van vijf jaar, met een proeftijd van drie jaar. Hun vordering behelst voorts toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de kosten van de begrafenis, hoofdelijk met de medeverdachten, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officieren vorderen niet-ontvankelijk verklaring van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade, nu het toekennen van affectieschade geen wettelijke basis heeft. De raadsman heeft bepleit dat bij de verdachte op geen enkel moment sprake was van opzet op levensberoving of toebrengen van lichamelijke letsel, ook niet in voorwaardelijke zin, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen verklaard en de verdachte dient te worden vrijgesproken. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat het de verdachte was die de dodelijke kogel heeft afgevuurd. Ten slotte bepleit de raadsman dat de verdachte heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn ambt, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd: Feit 1: Doodslag dat hij op of omstreeks 27 september 2021 te Curacao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)met dat opzet een of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogel(
- s)afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden; (artikel 2:259 Wetboek van Strafrecht) Subsidiair poging doodslag dat hij op of omstreeks 27 september 2021 te Curacao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet een of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogel(
- s)heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artilcel 2:259 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht) Meer subsidiair poging zware mishandeling dat hij/zij op of omstreeks 27 september 2021 te Curacao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogel(
- s)heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artikel 2:275/276 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht) Feit 2: poging doodslag dat hij/zij op of omstreeks 27 september 2021 te Curacao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet een of meerdere keren (gericht) met zijn/ hun dienstvuurwapen een of meerdere kogel(
- s)heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] zich bevonden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artikel 2:259 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht) Subsidiair poging zware mishandeling dat hij op of omstreeks 27 september 2021 te Curacao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe to brengen, met dat opzet een of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogel (
- s)heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] zich bevonden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; (artikel 2:275/276 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht) Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Bewezenverklaring Het Gerecht vindt - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande: Feit 1: Doodslag dat hij op of omstreeks 27 september 2021 te Curacao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)met dat opzet een of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogel(
- s)afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden; Feit 2: poging doodslag dat hij/zij op of omstreeks 27 september 2021 te Curacao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet een of meerdere keren (gericht) met zijn/ hun dienstvuurwapen een of meerdere kogel(
- s)heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] zich bevonden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Voor zover paginanummers vermeld worden, hebben deze betrekking op het einddossier in het onderzoek “Hanenberg”. Plaatsaanduidingen die niet anders zijn gespecificeerd, hebben betrekking op het land Curaçao. Met het oog op de leesbaarheid worden de politieagenten [verdachte] en [medeverdachte 1] alsmede de VKC medewerker [medeverdachte 2] gezamenlijk aangeduid als “de agenten” en het Korps Politie Curaçao als “KPC”. Waar in de overwegingen ten aanzien van de werkzaamheden van agenten “hij” en “zijn” is vermeld, wordt evenzeer “zij” en “haar” bedoeld. 1. Een proces-verbaal van meldkamergesprekken d.d. 20 april 2022, #20220414-2120-BVA, pg. 345 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 20 april 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 1], Landsrechercheur: 2. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 23 mei 2022, #2022-20220523-0913-VER, pg. 72 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 23 mei 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van de verdachte zakelijk is weergegeven: A: We waren aan het patrouilleren. De meldkamer gaf door dat er een gewapende overval had plaatsgevonden op Dr. Maalweg bij een Minimarket. Ik weet de naam niet meer, want wij zijn daar ook niet ter plaatse gegaan. Door de meldkamer werd tevens meerdere malen gezegd, dat er vuurwapens waren gebuikt en dat wij alle voorzichtigheid in acht moesten nemen bij de benadering. Op een gegeven moment reden wij op de Caracasbaaiweg in de richting van Botika Sorsaka en waren op zoek naar de vluchtauto. De vluchtauto reed met hoge snelheid door de Kaminda Duvert Boy Nicolina op. We reden achter de auto aan. Op de kruising stond nog een andere patrouilleauto. De vluchtauto reed voor hen langs de Kaminda Duvert Boy Nicolina. Wij reden op een gegeven moment alleen met ons voertuig achter de vluchtauto aan. We reden er als eerste auto achteraan. Ondertussen probeerde ik steeds onze positie aan de meldkamer door te geven. Na veel proberen met optische en geluidssignalen en horn en het geven van stoptekens zag ik dat de vluchtauto op de Kaminda Duvert Boy Nicolina naar de rechterkant van de weg ging. Het was een beetje een klein pleintje zo. Er was daar ook een woning daar ja. Daar stopte de vluchtauto. [betrokkene 1] plaatste de patrouilleauto links voor de vluchtauto. Ik was hierna direct uitgestapt. Ik benaderde de auto schuin aan de linker zijde. Terwijl ik de auto benaderde en dichtbij de auto kwam zag ik iemand op de achterbank zitten. Ik bleef hierna bij de auto staan op een wijze dat ik de drie inzittenden steeds kon blijven zien. Alles ging heel snel. De bestuurder van de vluchtauto gaf gas. Ondertussen had ik ook mijn vuurwapen getrokken. De vluchtauto reed hard weg. Ik heb op de auto geschoten nadat deze hard was weggereden. Tegelijkertijd hoorde ik ook andere schoten. 3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 7 juli 2022, #2206-2022070709.15.VER, pg. 115 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 7 juli 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van de verdachte zakelijk is weergegeven: V: Waarom heeft u op de vluchtauto geschoten? A: Ik zal u de waarheid vertellen. Ik had geschoten nadat er geschoten werd. Het was een reactie. Voordat ik schoot hoorde ik zeker 1 schot. Nu dat ik mij weer herinner dat dit schot van achter mij kwam. Collega's stonden achter mij. Echter op het moment dat ik schoot, had ik een schot horen vallen. V: Wat was uw afstand tot de vluchtauto toen u op de auto schoot? A: Ik schat de afstand tussen mij en de vluchtauto op ongeveer 8 a 10 meter. Ik stond links naast de vluchtauto toen die stilstond. Op het moment dat de vluchtauto wegreed, stond ik ongeveer linksachter de vluchtauto toen ik 1 keer schoot. V: Stond de auto stil, of was de auto in beweging toen u schoot? A: ik schoot op de vluchtauto toen die wegreed, zoals ik net verklaarde. V: Waarop heeft u gericht toen u op de vluchtauto schoot? A: Ik moet u verklaren dat ik op de achterruit van de vluchtauto geschoten en gericht had. A: Zoals ik net verklaarde was mijn doel om de vluchtauto te doen stoppen. V: Hoe vaak heeft u op de rijdende auto geschoten? A: Ik kan mij niet meer herinneren hoe vaak ik op de vluchtauto geschoten had maar het was zeker meer dan 1 keer dat ik op de auto schoot. 4. Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 23 mei 2022, #2022-20220523-0910-VER, pg. 128 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 23 mei 2022 ondertekend en gesloten [verbalisant 3] en [verbalisant 3] (RST), beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van [medeverdachte 1] zakelijk is weergegeven: 0: U had op maandag 27 september 2021 dienst, samen met ander personeel van de U.S.T. Dit is de dag waarop er in de vooravond een gewapende overval plaatsvond op de minimarket: "[bedrijf]", gevestigd aan de dr. Maalweg alhier. V: Wat kunt u hierover verklaren? A: We reden op de Seru Loraweg. Op een gegeven moment gaf de CMK een algemeen bericht door dat drie
(3)personen waarvan alle drie
(3)in het bezit waren van een vuurwapen de [bedrijf] Minimarket aan het overvallen waren. Kort hierna gaf de CMK door dat de verdachten in een vluchtauto waren vertrokken. A: Wij zijn toen in de richting van de Caracasbaai gereden. De vluchtauto reed de Kaminda Duvert Boy Nicolina hierna waren nog twee patrouilleauto’s voor ons. A: Op een gegeven moment zag ik de auto rechts van de weg staan. De twee andere politieauto’s waren achter de vluchtauto. Toen ik uitstapte hoorde ik verschillende politieagente luidkeels de verdachten aanmanen dat ze moesten stoppen. V: Wat gebeurde er op de Kaminda Duvert Boy Nicolina? A: Toen ik uit de patrouillewagen stapte trok ik meteen mijn pistool. lk ondersteunde mijn pistool met mijn beide handen en richtte hiermee in de richting van de vluchtauto en liep in versnelde pas naar voren. A: Van een collega, [verdachte], kan ik me goed herinneren waar hij stond. Hij stond ongeveer rechts achter de vluchtauto. V: Wat gebeurde er toen? A: De auto was toen al in beweging, deze reed weg. Er werd een schot gelost. lk kan niet zeggen door wie dit schot gelost werd. Hierna heb ik 2-3 keer gericht op de vluchtauto geschoten. A: lk bevond mij al lopend in de richting van de vluchtauto op ongeveer zes
(6)meter, toen deze ging rijden. Na het schot dat ik hoorde heb ik vervolgens gericht op de vluchtauto geschoten. V: Waar richtte u op tijdens het schieten? A: Op de vluchtauto, op de achterzijde. lk heb twee
(2)keer op de achterzijde van de auto geschoten en nog een keer op de banden. 5. Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 23 mei 2022, #2202-20220523-0930-VER, pg. 181 e.v. op ambtseed opgemaakt en op 23 mei 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van [medeverdachte 2] zakelijk is weergegeven: 0: U had op maandag 27 september 2021 dienst. Dit is de dag waarop er in de vooravond een gewapende overval plaatsvond op de minimarket: "[bedrijf]", gevestigd aan de dr. Maalweg alhier. V: Wat kunt u hierover te verklaren? A: Via portofoon ontvingen wij een algemeen bericht dat er een beroving gaande was bij de minimarket [bedrijf] te Dr. Maalweg. En dat vervolgens de verdachten in een witkleurige stationwagen vandaar waren vertrokken. Verder werd ons op de hoogte gesteld dat de drie overvallers gewapend waren. A: Bij begaven ons meteen in de opgegeven richting van de vluchtauto. A: Met een politiepatrouille auto waren [verdachte] en [medeverdachte 1] ook betrokken. V: Wat gebeurde er op de Kaminda Duvert Boy Nicolina? A: Op een gegeven moment tijdens de achtervolging van de vluchtauto op de Duvert Boy Nicolina zag ik de politiepatrouille aan de linkerzijde van de vluchtauto rijden. Vervolgens zag ik de vluchtauto aan de rechterzijde van de weg gaan stoppen. De politieauto stopte ook ter hoogte van de vluchtauto schuin op de weg. lk zag dat [verdachte] uitstapte. Ik stopte de door mij bestuurde VKC patrouille auto nagenoeg gelijktijdig. lk zag dat [verdachte] en [betrokkene 2]de vluchtauto met getrokken en gericht vuurwapen benaderde. lk stapte vervolgens ook uit de auto en met getrokken en gericht vuurwapen begaf ik mij in de richting van de vluchtauto. lk hoorde vervolgens schoten. Ik vuurde vervolgens 4 a 5 schoten achtereenvolgens met mijn dienstvuurwapen op de vluchtauto af, terwijl ik stapvoets achteruit liep. Op dat moment zag ik de vluchtauto optrekken terwijl ik meerdere schoten hoorde afgaan. V: Hoe vaak heeft u op de auto geschoten? A: Vier
(4)a vijf
(5)schoten. V: Waar richtte u op tijdens het schieten? A: 1k heb op de achterklep geschoten.
- Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. het autopsierapport van [slachtoffer 1], # 20211004.1130-2120-BVA, pg. 446 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 4 oktober 2021 ondertekend en gesloten door [verbalisant 1], Landsrechercheur:
- Een proces-verbaal van analyse processen verbaal vuurwapengebruik # 2206-20220421.1333-BVA, pg. 437 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 22 april 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 1], Landsrechercheur: Uit de conclusie van dit proces-verbaal blijkt onder andere: dat er ongeveer 13 x is geschoten. dat [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] gericht op de vluchtauto hebben geschoten. dat het onderhavige voertuig tenminste acht
(8)keren door een van buiten mechanisch preforerende inwerking, namelijk door afgevuurde kogels werd geraakt. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het schietincident d.d. 27 september 2021 Op basis van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken komt het Gerecht tot de volgende vaststellingen. Op 27 september 2021 ontvangen meerdere agenten, waaronder de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], een melding van een gewapende overval door drie mannen. De overvallers hebben vuurwapens. Na een achtervolging wordt de vluchtauto rond 18.30 uur door ten minste drie patrouilleauto’s tot stoppen gebracht op de berm voor huisnummer [huisnummer] aan de Kaminda Duvert "Boy" Nicolina. De patrouilleauto’s staan achter en naast de vluchtauto, maar sluiten deze niet volledig in. De verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stappen uit en lopen in de richting van de vluchtauto. Kort voordat zij deze bereiken, geeft de bestuurder van de vluchtauto gas en rijdt weg. De verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schieten vrijwel tegelijkertijd van korte afstand meerdere malen gericht op de vluchtauto, met als doel deze tot stilstand te brengen. Dit mislukt, waarna de achtervolging wordt voortgezet. Tijdens deze tweede achtervolging veroorzaakt de vluchtauto gevaar op de weg en raakt meerdere voertuigen. Uiteindelijk verongelukt de vluchtauto ter hoogte van pompstation Hoenderberg. De auto blijkt door acht kogels te zijn geraakt. Door forensisch onderzoek komt vast te staan dat deze kogels afkomstig zijn uit de dienstwapens van de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Eén van de kogels heeft het lichaam van [slachtoffer 1] van achteren doorboord, met diens dood tot gevolg. Het is niet vast te stellen uit welk dienstwapen de fatale kogel afkomstig is. De twee andere overvallers, [slachtoffer 2] en[slachtoffer 3], blijven ongedeerd en worden aangehouden. Op de bodem van de vluchtauto wordt een (speelgoed)wapen aangetroffen. Overwegingen ten aanzien van de bewezenverklaring Opzet Het Gerecht vindt – net als het openbaar ministerie en de raadslieden – dat het dossier geen enkel bewijs bevat voor de aanwezigheid van vol opzet bij de verdachte om de vluchtende overvallers te doden. Het Gerecht hecht geloof aan de verklaringen van de agenten dat zij de vluchtauto wilden stoppen en de gewapende overvallers aanhouden. Maar er kan ook sprake zijn van (poging tot) doodslag wanneer de verdachte niet de intentie had om iemand te doden, maar wel bewust de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. In dat geval is er juridisch gezien sprake van “voorwaardelijk opzet”. Of hiervan sprake is, dient het Gerecht te beoordelen aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval. Op basis van het dossier en hetgeen besproken is tijdens de zitting, met name de verklaringen van de verdachten en het sporenonderzoek, stelt het Gerecht vast dat de verdachte, samen met zijn medeverdachten, van korte afstand meerdere keren gericht heeft geschoten op een wegrijdende auto. Gezien de plaats van de inschoten, namelijk ter hoogte van de kofferbak en de achterruit, bestond er een aanmerkelijke kans dat de inzittenden in vitale delen van het lichaam zouden worden geraakt. Het feit dat in de besloten en relatief kleine ruimte van de auto drie personen dicht bij elkaar zaten, zoals de verdachten konden waarnemen, maakt deze kans nóg groter. Door ondanks dit risico zijn vuurwapen te gebruiken en gericht op de auto te schieten, heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard. Hieruit volgt dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van alle drie de inzittenden. Medeplegen Het Gerecht vindt bovendien bewezen dat sprake is van medeplegen door de verdachte en zijn medeverdachten. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Dit kan onder meer kan worden afgeleid uit de gedragingen van de betrokkenen tijdens het incident, de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en de bijdrage van de verdachte, die in het geheel van gedragingen van voldoende gewicht moet zijn. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten vrijwel gelijktijdig, bijna synchroon, tot het gebruik van hun vuurwapens zijn overgegaan. Zij handelden naar eigen zeggen ook met een gemeenschappelijk doel, te weten het stoppen van de vluchtauto en het aanhouden van de verdachten. Dat er door de snelle opeenvolging van de gebeurtenissen geen tijd was voor overleg doet hieraan niet af. Agenten zijn immers geoefend in het als groep nemen van snelle actie. Zij waren het blijkbaar eens over de wijze waarop zij in een dergelijke situatie gezamenlijk dienden te handelen. Dit gezamenlijke handelen zonder expliciet overleg vooraf is dermate kenmerkend voor politieoptreden, dat dit naar het oordeel van het Gerecht een nauwe samenwerking vooronderstelt en – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Door aldus in nauwe samenwerking te handelen, hebben de verdachte en diens medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de situatie die tot de doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1] en de poging tot doodslag op de beide andere inzittenden heeft geleid, ieder voor zich, maar ook gezamenlijk, een rol gespeeld die van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. Dat niet kan worden vastgesteld wie van de agenten het dodelijke schot heeft gelost, is daarmee niet meer van belang. Het Gerecht vindt dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Vervolgens staat het Gerecht voor de vraag of het schieten gerechtvaardigd was en/of dat er omstandigheden zijn waardoor het schieten aan de verdachte niet kan worden verweten. Standpunten De verdediging heeft bepleit dat de verdachte heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn ambt. Een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond ex artikel 1:114 Sr dient te leiden tot het oordeel dat de (poging tot) doodslag, hoewel bewezenverklaard, niet wederrechtelijk is en de verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat dit verweer niet slaagt. Op basis van de Ambtsinstructie politie mag gebruik worden gemaakt van een vuurwapen ter aanhouding, als het gaat om ernstige feiten of vuurwapengevaarlijke verdachten. Maar dit gebruik moet altijd redelijk en gematigd zijn, oftewel voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. En dat was hier niet het geval, gelet op de grote risico’s voor zowel de verdachten in de vluchtauto als voor omstanders, en mede gelet op het feit dat er alternatieven waren. Inleidende overweging Het Gerecht stelt voorop dat het vervolgen van een agent voor het gebruik van een vuurwapen in de uitoefening van het werk een gevoelige zaak is. Agenten moeten onder moeilijke en gevaarlijke omstandigheden hun werk doen om de samenleving te beschermen. Waar een ander bij gevaarlijke situaties kan terugtreden, wordt van een agent juist verwacht – door de samenleving én door zijn collega’s - dat hij onmiddellijk actie onderneemt. Daarbij is vaak sprake van een snelle opeenvolging van niet altijd eenvoudig te duiden gebeurtenissen. Daartegenover staat dat van agenten gevergd mag worden dat zij hun geweldsmonopolie met de grootst mogelijke zorgvuldigheid toepassen. Vooral het gebruikmaken van het dienstwapen moet steeds als laatste optie worden gekozen. De keerzijde van het recht (en soms de plicht) van agenten om bij het uitoefenen van hun taken geweld uit te oefenen, is dat burgers tegen een onrechtmatige toepassing ervan moeten worden beschermd. Het is aan het Gerecht om deze belangen tegen elkaar af te wegen. Oordeel van het Gerecht Het Gerecht overweegt ter zake het volgende. De aanleiding voor deze strafzaak was een gewapende overval op een Chinese toko. De meldkamer heeft een oproep doen uitgaan om de gevluchte overvallers aan te houden. De verdachte heeft aan dit verzoek gehoor gegeven. Op grond van artikel 12 van de Ambtsinstructie Politie mogen agenten – kort gezegd - hun vuurwapen gebruiken bij de aanhouding van verdachten van een ernstig feit zoals een overval, wanneer deze ongeïdentificeerd zijn, proberen te vluchten en vuurwapens dragen. Het Gerecht concludeert derhalve dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden in beginsel gebruik mocht maken van zijn dienstwapen. Het gebruik van het dienstwapen moet echter in alle omstandigheden voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent dat de genomen actie passend moet zijn voor de situatie en er geen andere, minder ingrijpende manier moet zijn om het beoogde resultaat te bereiken. Gewapende overvallen komen in Curaçao veelvuldig voor, en de bestrijding ervan vormt een belangrijke taak voor de politie. Dat de politie hierbij zelf een risico loopt, is evident. Waar sprake is van vuurwapens, en zeker in een stressvolle situatie als een achtervolging of een aanhouding, kunnen immers gemakkelijk gewonden of zelfs doden vallen. Dat het in deze zaak uiteindelijk om nepvuurwapen(s) bleek te gaan, kon de verdachte niet weten. De overvallers onttrokken zich aan hun aanhouding. Daarop reageerden de verdachte en zijn medeverdachten in eerste instantie door hen te achtervolgen en hen met optische- en geluidssignalen tot stoppen te manen. Pas nadat de vluchtauto inderdaad was gestopt, de agenten waren uitgestapt maar de vluchtauto plotseling weer begon te rijden, werd er gebruik gemaakt van het dienstwapen en geschoten. De vraag of er op dat moment andere mogelijkheden waren, moet worden beoordeeld naar de lokale situatie, waar het minder eenvoudig is om voortvluchtigen op afstand te volgen door middel van digitale opsporing of ondersteuning vanuit de lucht. Bovendien is er bij een langdurige achtervolging op de kleine en bochtige wegen van Curaçao een aanzienlijke kans op gevaar voor derden en om de vluchtenden permanent uit het oog te verliezen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben alle drie verklaard dat ze schoten om de auto te laten stoppen. Niet alleen moesten de verdachten aangehouden worden, ze wilden ook een nieuwe achtervolging dwars door Curaçao voorkomen, met alle risico’s van dien. Ze konden de verdachten ook niet laten ontkomen, aangezien die niet geïdentificeerd waren en bovendien in hun beleving gewapend over het eiland reden. Het Gerecht begrijpt deze overwegingen van de agenten, en oordeelt dat aan de agenten onder de gegeven omstandigheden niet zondermeer andere, minder ingrijpende manieren ter beschikking stonden om het beoogde resultaat, de aanhouding van de gewapende overvallers, te bereiken. Het Gerecht beoordeelt het schieten op dat moment, toen de vluchtauto wegreed, daarom als proportioneel en subsidiair. Dat betekent niet dat het Gerecht in alle opzichten meent dat de verdachte de juiste keuzes heeft gemaakt. Het is mogelijk dat men de overvallers ook had kunnen aanhouden met behulp van minder schoten, die specifiek op de banden waren gericht. Het Gerecht vindt echter dat terughoudendheid moet worden betracht bij de strafrechtelijke beoordeling van geweldshandelingen van agenten in functie. De rechter mag niet op alle punten, achteraf oordelend en los van de omstandigheden van het geval, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van een beslissing in de hitte van de strijd. Het Gerecht vindt, alles afwegende, dat de verdachte bij het toepassen van geweld heeft gehandeld in overeenstemming met de Ambtsinstructie Politie en met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat het beroep op de rechtvaardigingsgrond slaagt. Het bewezenverklaarde is niet strafbaar. De nabestaanden Het Gerecht realiseert zich dat deze uitkomst voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] teleurstellend is. Zij hebben hun nog zeer jonge zoon en kleinzoon verloren. Op de terechtzitting is duidelijk gebleken hoe ingrijpend het leven van de nabestaanden na de dood van [slachtoffer 1] is veranderd, en hoe schrijnend hun verdriet is. Dat voor een strafrechtelijke veroordeling geen plaats is, betekent niet dat het overlijden van [slachtoffer 1] niet zeer moet worden betreurd. Ten overvloede Gedurende dit proces is eens te meer duidelijk geworden dat het gebruik van een vuurwapen – met name op een rijdende auto - zeer risicovol is. Uit het dossier is gebleken dat er geen sprake is van consistente training van de agenten op dit gebied. Het Gerecht beveelt aan dat hier door de betreffende leidinggevenden meer aandacht aan wordt besteed. Wellicht kan daarmee een nieuw dodelijk ongeval als dit worden voorkomen. Schadevergoeding De moeder van het slachtoffer, [benadeelde partij 1], en de opa van het slachtoffer, [benadeelde partij 2], hebben zich als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering van de moeder bedraagt Naf 11.054,30 aan materiele schade in verband met de begrafenis, en Naf 10.000 aan immateriële schade. De vordering van de opa bedraagt Naf 10.000 aan immateriële schade. Nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel wordt uitgesproken, kunnen de benadeelde partijen niet in de vorderingen worden ontvangen. Het Gerecht zal beide vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. BESLISSING Het Gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 primair bewezen verklaarde niet strafbaar; ontslaat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging; verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.C. Groenendaal, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer (zittingsgriffier), en op 11 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. uitspraakgriffier: