← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:226

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO zaaknummer: CUR202303736 Beschikking van 16 juli 2024 inzake: [Verzoekster], (hierna: verzoekster), en [Verzoeker], (hierna: verzoeker), allebei wonend in [woonplaats], verzoekers, procederend in persoon, waarin als belanghebbenden worden aangemerkt:

  1. [Minderjarige 1], en 2) [ [Minderjarige 2], beiden geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats], [geboorteland, hierna te noemen: de minderjarigen, in rechte vertegenwoordigd door Voogdijraad Curaçao, in haar hoedanigheid van bijzonder curator; en 3) [ [De moeder], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in [woonplaats] of daarbuiten, hierna te noemen: de moeder. 1Het verloop van de procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met producties, op 20 november 2023 ter griffie ingediend; de beschikking van 1 maart 2024 waarbij de Voogdijraad als bijzonder curator over de minderjarigen wordt benoemd; het rapport van de Voogdijraad ter rolbehandeling van 25 juni 2024 ingediend. Aanwezig waren: verzoekers en een vertegenwoordiger van de Voogdijraad. De moeder is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 1.
  3. De uitspraak is bepaald op heden. 2De feiten 2.
  4. Op [geboortedatum] 2013 zijn de minderjarigen te [geboorteplaats], [geboorteland] uit de moeder geboren. 2.
  5. De biologische vader van de minderjarigen, [de vader], is op 21 juli 2013 overleden. 2.
  6. Verzoekster is de tante vaderszijde van de minderjarigen. 2.
  7. Sinds 2015 verblijven de minderjarigen bij verzoekster. In 2018 zijn de minderjarigen naar Curaçao verhuisd, waar ze bij verzoekers hun verblijfplaats hebben. Ze worden door verzoekers verzorgd en opgevoed. 3Het verzoek 3.
  8. De verzoekers hebben verzocht om de adoptie uit te spreken van de minderjarigen door verzoekers. Aan hun verzoek leggen zij ten grondslag dat de moeder van de minderjarigen verzoekster op 19 juni 2017 schriftelijk heeft gemachtigd om, naar het gerecht begrijpt, onbeperkt de zorg en opvoeding alsmede beslissingen over de minderjarigen te nemen. Volgens verzoekers is er al geruime tijd geen contact tussen de minderjarigen en hun moeder. Het laatste contact tussen verzoekers en de moeder dateerde van 2020, waarbij de moeder te kennen heeft gegeven naar Colombia dan wel de Verenigde Staten te emigreren. Verzoekers stellen dat het in het belang van de minderjarigen is de familierechtelijke betrekking, welke nog tussen de minderjarigen en de moeder bestaat, te verbreken en de reeds bestaande familierechtelijke banden tussen de minderjarigen en verzoekers te bevestigen door middel van adoptie. 3.
  9. De Voogdijraad heeft in het rapport geadviseerd het verzoek toe te wijzen dan wel verzoekster tot voogd van de minderjarigen te benoemen. De Voogdijraad is tot dit advies gekomen, op de grond dat adoptie kennelijk in het belang is van de minderjarigen en vaststaat dat de minderjarigen niets meer van de moeder te verwachten hebben. 3.
  10. Ter onderbouwing van het advies heeft de Voogdijraad in het rapport het volgende vermeld. De moeder heeft, hoewel niet formeel is geregeld dat haar gezag over de minderjarigen is geschorst, nooit een actieve rol in het leven van de minderjarigen gespeeld. Tussen de moeder en de minderjarigen bestaat geen moeder-kindrelatie. Alvorens de minderjarigen naar Curaçao emigreerden, heeft de moeder ervoor gezorgd dat zij middels een notariële akte verzoekster toevertrouwde met de opvoeding en zorg van de minderjarigen. De minderjarigen worden vanaf de leeftijd van twee jaar door verzoekster grootgebracht en zien haar als hun moeder. Verzoekers hebben tijdens hun laatste telefonisch gesprek vernomen dat de moeder voornemens was naar Colombia te emigreren. Hierna hebben ze alle contact met de moeder verloren. Zij weten niet waar de moeder zich bevindt. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de moeder de adoptie niet tegenspreekt, staat wel vast dat de minderjarigen niets meer van de moeder te verwachten hebben. Het is van belang om in het ontstane gezagsvacuüm te voorzien door middel van adoptie of door verzoekster tot de voogd te benoemen. 3.
  11. Voorts vermeldt het rapport van de Voogdijraad het volgende: “Na contact te hebben met de Immigratiedienst Curaçao, vernam de rapporteur dat vereist wordt dat degene die een verzoek voor legalisatie voor een minderjarige indient, de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het minderjarige kind dien te zijn en dat de verzoeker moet kunnen aantonen dat hij bestaanszekerheid aan de minderjarige kan bieden. Daarnaast dient een geldsom van in totaal ongeveer NAf 1300,- per kind betaald te worden voor de indiening van de aanvraag. Verder moet ook een particuliere medische verzekering worden afgesloten. Op dit moment beschikken de minderjarigen niet over een geldige documentatie en hebben zij ook geen medische verzekering. De benoeming van een wettelijke vertegenwoordiger voor de minderjarigen waarborgt hun legalisering op het eiland en hun recht op een verblijfsstatus.” 3.
  12. Gelet op het advies van de Voogdijraad, met inachtneming van wat verzoekers met het verzoek beogen, en gelet op het hierna onder 4.
  13. overwogene, vat het gerecht, in het belang van de minderjarigen, het verzoek van verzoekers mede op als een verzoek van verzoekster op grond van artikel 1:269 lid 1 aanhef en sub e van het Burgerlijk Wetboek (BW) om de moeder te ontzetten van het ouderlijk gezag. 4De beoordeling Rechtsmacht 4.
  14. Nu de minderjarigen in Curaçao woonplaats hebben, komt aan het gerecht op grond van artikel 429c lid 3 van het Burgerlijk Wetboek van Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht toe. Adoptie 4.
  15. Op grond van artikel 1:227 lid 3 BW kan een verzoek tot adoptie slechts worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft en aan de voorwaarden onder artikel 1:228 BW gesteld wordt voldaan. 4.
  16. Het gerecht overweegt als volgt. Het gerecht volgt het advies van de Voogdijraad, waarbij de Voogdijraad tot de conclusie is gekomen dat adoptie in het kennelijk belang is van de minderjarigen en dat de minderjarigen niets meer van de moeder te verwachten hebben. 4.
  17. Voorts dient het gerecht te bezien of aan de voorwaarden van artikel 1:228 BW is voldaan. Het gerecht stelt vast dat aan de voorwaarden onder a tot en met e is voldaan. Daarbij neemt het gerecht mede in aanmerking dat de moeder, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, in de procedure niet is verschenen en het verzoek dan ook niet heeft weersproken. Overigens neemt het gerecht nog in aanmerking dat de moeder niet of nauwelijks met de minderjarigen heeft samengeleefd en de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op grove wijze heeft verwaarloosd, zodat op deze gronden aan eventuele tegenspraak voorbij kan worden gegaan (artikel 1:228 lid 2, aanhef en onder a en b BW). 4.
  18. Blijft over de voorwaarde onder f. De moeder heeft thans nog altijd het gezag over de minderjarigen, ook al is dit is op grond van artikel 1:253r lid 2 aanhef en onder a en b BW gedurende diverse jaren al van rechtswege geschorst. Gelet hierop, en op het hiervoor onder 3.
  19. overwogene, zal het gerecht eerst het verzoek van verzoekster om de moeder uit het gezag te ontzetten beoordelen. Ontzetting uit het gezag 4.
  20. Artikel 1:269 lid 1 BW aanhef en onder e bepaalt dat indien de rechter het in het belang van het kind noodzakelijk oordeelt, hij een ouder van het ouderlijk gezag over zijn of haar kind kan ontzetten op grond van het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen. Ontzetting van het gezag kan op grond van die bepaling worden uitgesproken op verzoek van onder meer een van de bloed- of aanverwanten van het kind tot en met de vierde graad. 4.
  21. Vaststaat dat verzoekster bloedverwant van de minderjarigen tot en met de vierde graad is en derhalve ontvangen kan worden in haar verzoek. 4.
  22. Niet in geschil is dat verzoekster de verzorging en opvoeding van de minderjarigen – op verzoek van de moeder – op zich heeft genomen. Beoordeeld dient dus te worden of er gegronde vrees is voor verwaarlozing van de belangen van de minderjarigen als de moeder de minderjarigen terugeist of terugneemt. 4.
  23. Naar het oordeel van het gerecht is dat het geval. Vaststaat dat de minderjarigen sinds 2015 (vanaf dat zij twee jaar oud waren) bij verzoekster verblijven en door haar worden verzorgd en opgevoed. Sindsdien oefent de moeder feitelijk haar gezag niet uit. Bovendien heeft zij er in 2017 mee ingestemd de zorg en opvoeding volledig over te laten aan verzoekster. De moeder heeft geen enkel contact met de minderjarigen. De minderjarigen beschouwen verzoekster als hun moeder. Verzoekster is bereid de belangen van de minderjarigen te behartigen. Uit onderzoek van de Voogdijraad is gebleken dat de minderjarigen zich bij verzoekers goed ontwikkelen. De stabiliteit, rust en veiligheid die zij nodig hebben genieten ze bij verzoekers. Dit alles maakt dat de moeder ten opzichte van de minderjarigen onmachtig moet worden geacht haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, zodat het in het belang van de minderjarigen wenselijk is dat hun opvoeding en verzorging bij verzoekster wordt voortgezet. Dit leidt het gerecht tot de conclusie dat het niet wenselijk is dat de moeder thans of in de toekomst de minderjarigen terugeist of terugneemt uit hun stabiele en vertrouwde omgeving. Nu er gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van de minderjarigen bestaat als de moeder de minderjarigen terugeist of terugneemt, acht het gerecht het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat de moeder van het ouderlijk gezag wordt ontzet. 4.
  24. Uit het voorgaande volgt tevens dat op grond van artikel 1: 275 lid 2 en (in de geest van lid 3) verzoekster wordt benoemd tot voogd over de minderjarigen, conform ook het advies van de Voogdijraad. 4.
  25. Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal het gerecht de proceskosten compenseren. Indien de beslissing betreffende de ontzetting in kracht van gewijsde is gegaan: 4.
  26. Aan het vereiste dat de moeder niet langer het gezag over de minderjarigen heeft, wordt voldaan op het moment dat de hierna te geven beslissing tot ontzetting van de moeder van het gezag over de minderjarigen in kracht van gewijsde is gegaan. Verzoekers dienen daartoe deze beschikking op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de moeder te betekenen en de beroepstermijn af te wachten. 4.
  27. Gelet op het hiervoor onder 4.
  28. en 4.
  29. overwogene, zal het gerecht het adoptieverzoek onder na te melden opschortende voorwaarde toewijzen. 4.
  30. Verzoekers hebben, zoals blijkt uit de nagezonden verklaringen van 15 juli 2024, naamskeuze gedaan, waardoor de minderjarigen op grond van artikel 1:5l lid 2 BW de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zullen dragen. 5De beslissing Het gerecht: 5.
  31. ontzet de moeder [de moeder] van het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], beiden geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats], [geboorteland]; 5.
  32. benoemt [verzoekster] geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] tot voogdes over de voornoemde minderjarigen; 5.
  33. draagt de griffier op van deze beslissing in het gezagsregister aantekening te doen. 5.
  34. spreekt uit - onder de opschortende voorwaarde dat de onder 5.
  35. en 5.
  36. vermelde beslissing in kracht van gewijsde is gegaan - de adoptie van [minderjarige 1]en [minderjarige 2], beiden geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats], [geboorteland]; door [verzoekster] ([geboorteplaats], [geboortedatum] 1993) en [verzoeker] ([geboorteplaats], [geboorteland] [geboortedatum] 1974), 5.
  37. verstaat dat de geadopteerde minderjarigen voornoemd krachtens naamskeuze de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zullen dragen, 5.
  38. verstaat dat deze uitspraak ter hand wordt gesteld aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van Curaçao, ten behoeve van een latere vermelding overeenkomstig 1:20 lid 1 BW; 5.
  39. draagt de griffier op van deze beslissing in het gezagsregister aantekening te doen. 5.
  40. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.
  41. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. De Haseth, rechter, bijgestaan door mr. I.J.C. Wilson, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.