← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:234

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202400791 Vonnis in kort geding van 17 september 2024 in de zaak van de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO, zetelend in Curaçao, eiser, gemachtigde: mr. H.W. Braam, tegen de stichting SINT ELISABETH, gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. J.E. Lovert, Partijen worden hierna het Land en de Stichting genoemd. 1Het procesverloop 1.

  1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift met producties van 4 maart 2024; de producties van partijen van 12 april 2024; de mondelinge behandeling van 15 april 2024; de mededeling van partijen van 14 mei 2024 dat zij geen minnelijke regeling hebben bereikt; de producties van het Land van 16 augustus 2024; de producties van de Stichting van 19 augustus 2024; de voortgezette mondelinge behandeling van 20 augustus 2024; de pleitnotities van partijen. 1.
  2. Vonnis is nader bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
  3. Op 14 mei 1971 hebben de rechtsvoorgangers van partijen een beginselovereenkomst gesloten waarbij de rechtsvoorganger van de Stichting de eigendom van een stuk grond (het perceel waarop nadien het poligebouw is gebouwd) aan de rechtsvoorganger van het Land heeft overgedragen voor de prijs van NAf 1,-, mits de bestemming van polikliniek werd gehandhaafd. Daarbij is verder afgesproken dat, nadat het poligebouw gebouwd is en in eigendom van de rechtsvoorganger van het Land is overgegaan, het bestuur van de rechtsvoorganger van de Stichting verantwoordelijk zal zijn voor het beheer en de exploitatie van de polikliniek. 2.
  4. Op 10 augustus 1973 hebben de rechtsvoorgangers van partijen een mantelovereenkomst gesloten met betrekking tot de exploitatie van het te bouwen poligebouw. 2.
  5. Op 30 januari 1995 hebben de rechtsvoorgangers van partijen een samenwerkingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de exploitatie van het ziekenhuis en de polikliniek. 2.
  6. Op 11 augustus 2010 heeft de Stichting Bureau Ziektekosten Voorzieningen een beheerovereenkomst gesloten met de rechtsvoorganger van de Stichting ter zake de verbouwing en renovatie van het poligebouw. 2.
  7. Sinds de ingebruikname van het Curaçao Medical Center (hierna: CMC) in november 2019 worden het voormalige ziekenhuisgebouw en het poligebouw niet meer gebruikt voor de zorg en behandeling van patiënten. In februari 2022 heeft Aqualectra de elektriciteitsaansluiting van het poligebouw afgesloten. 2.
  8. Bij brief van 11 januari 2024 heeft de gemachtigde van het Land de beheer- en exploitatieovereenkomsten met de Stichting opgezegd en de Stichting verzocht om het poligebouw te ontruimen met inlevering van de sleutels bij het Land. 2.
  9. Bij brief van 17 januari 2024 heeft de gemachtigde van de Stichting het Land meegedeeld dat zij de opzegging niet accepteert omdat de gegeven opzegtermijn in strijd is met de bepalingen van de samenwerkingsovereenkomst en de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 2.
  10. Bij brief van 2 februari 2024 heeft de gemachtigde van het Land volhardt in de opzegging van de exploitatie- en beheersovereenkomsten en de Stichting tot uiterlijk 29 februari 2024 de tijd gegeven om het poligebouw volledig te ontruimen en de sleutels aan het Land af te geven. Daaraan heeft de Stichting geen gevolg gegeven. 2.
  11. Bij brief van 15 mei 2024 heeft de gemachtigde van het Land de Stichting, voor zover hier relevant, als volgt medegedeeld: “ voor zover nodig en wellicht ten overvloede, wordt de overeenkomst c.q. de overeenkomsten tussen het Land en Sint Elisabeth/Sint Elisabeth Hospitaal betreffende het gebouw van de poli, ontbonden en wel per direct. De reden voor de ontbinding is gelegen in de volgende feiten: - Het land heeft het gebouw nodig voor de huisvesting van o.a. haar afdeling G&GZ (“dringend eigen gebruik”) - Het gebouw wordt door Sint Elisabeth niet meer gebruikt als poli/voor poliklinische doeleinden, maar als deposito.”
  12. De vordering en de standpunten van partijen 3.
  13. Het Land vordert dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting zal bevelen om het poligebouw te ontruimen, en wel binnen 1 week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, met afgifte van de sleutels aan het Land en met machtiging van het Land om, desnoods met behulp van de deurwaarder, de ontruiming zelf te bewerkstelligen, alsmede met veroordeling van de Stichting in de kosten van deze procedure. 3.
  14. Het Land legt aan zijn vordering ten grondslag dat het poligebouw eigendom is van het Land en dat de Stichting het poligebouw zonder recht of titel gebruikt, als opbergplaats voor meubilair, medische administratie, medisch archief en een aantal andere spullen. Daartoe voert het Land aan dat de tussen de rechtsvoorgangers van partijen gesloten overeenkomsten duurovereenkomsten betreffen, en de eventuele daaruit voortvloeiende vorderingen van de Stichting inmiddels zijn verjaard, althans dat daaraan geen betekenis meer toekomt, dat deze overeenkomsten inmiddels rechtsgeldig zijn opgezegd en dat deze opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Volgens het Land is het algemeen bekend dat sinds de komst van het CMC het poligebouw niet meer als zodanig wordt gebruikt en overigens ook nooit meer als polikliniek zal fungeren. Ten slotte valt volgens het Land een belangenafweging in zijn voordeel uit, nu de Stichting geen rechtens te respecteren belang heeft bij de occupatie en het gebruik van het poligebouw. Het poligebouw fungeert slechts als opslagplaats. De opgeslagen spullen dienen elders te worden opgeslagen en de Stichting heeft ruim voldoende tijd gehad om daarvoor zorg te dragen, aldus het Land. 3.
  15. De Stichting heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het Land dan wel afwijzing van de vordering. De Stichting betwist dat de overeenkomsten geen gelding meer hebben. Volgens de Stichting doet het feit dat het Land zelfstandig heeft besloten een nieuw ziekenhuis op te richten en de poliklinische zorg aan CMC uit te besteden, niet af aan de afspraken die partijen hebben gemaakt, te weten dat het perceel waarop het poligebouw is gebouwd aan het Land wordt overgedragen, mits de bestemming van polikliniek wordt gehandhaafd. Deze overeengekomen voorwaarde voor de eigendomsoverdracht van het perceel is volgens de Stichting bovendien ook in de notariële akte van levering opgenomen en wel als persoonlijke verplichting. Voorts heeft de Stichting gesteld dat de door het Land gedane opzeggingen onregelmatig zijn. In dat kader heeft de Stichting betoogd dat partijen afgesproken hebben dat de overeenkomsten tussentijds niet eenzijdig kunnen worden opgezegd en dat tussentijdse opzegging slechts mogelijk is door beide partijen gezamenlijk na voorafgaande arbitrage. De Stichting heeft verder aangevoerd dat het poligebouw en het oude ziekenhuis onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat sprake is van een gedeelde ingang. Deze toegangsweg ligt op het perceel waarop het poligebouw is gevestigd en is thans de enige toegangsweg tot de percelen en de gebouwen van de Stichting. Een onvoorwaardelijke ontruiming van het poligebouw, zoals het Land met dit geding voor ogen staat, schaadt rechtstreeks de belangen van de Stichting. Dit omdat het behoud van de toegang tot haar eigendommen wordt ontnomen, aldus de Stichting en bovendien thans onvoldoende valt in schatten wat de beslissing van het Hof zal zijn over de openstaande schulden van het Land aan de Stichting en de gevolgen daarvan. Ten slotte heeft de Stichting een aantal praktische bezwaren opgesomd waardoor zij niet eenvoudig het poligebouw kan ontruimen. Daarbij heeft de Stichting betoogd dat er meubilair, de medische administratie en het medisch archief in het poligebouw aanwezig is. Ontruiming hiervan zonder elektriciteitsaansluiting, en dus in het donker, de warmte en zonder gebruik van een lift, is een nagenoeg onmogelijke opgave. Voorts bevindt zich in het souterrain van het poligebouw een radioactieve bron, die op zorgvuldige wijze dient te worden gesaneerd, hetgeen tijd in beslag neemt, aldus de Stichting. 4De beoordeling 4.
  16. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering 4.
  17. Voor een toewijzing van een vordering tot ontruiming, zoals de voorliggende vordering, bestaat in kort geding onder meer aanleiding indien aannemelijk is dat ook de bodemrechter zal oordelen dat de Stichting zonder recht of titel in het poligebouw verblijft. Het gerecht is van oordeel dat dat in deze zaak het geval is. Daartoe overweegt het gerecht als volgt. 4.
  18. Zowel in de beginselovereenkomst, als in de overige tussen partijen gesloten overeenkomsten met betrekking tot het poligebouw, zijn partijen ervan uitgegaan dat de Stichting gebruik mocht maken van het poligebouw, dat in eigendom is van het Land, omdat zij verantwoordelijk was voor het beheer en de exploitatie van de daarin gevestigde polikliniek. Tussen partijen staat vast dat de Stichting de exploitatie van de polikliniek in 2019 heeft gestaakt, dat sindsdien CMC – op een andere locatie – deze taak heeft overgenomen en dat de Stichting ook in de toekomst de exploitatie niet meer op zich zal nemen. Onder deze omstandigheden is het gerecht met het Land van oordeel dat voormelde overeenkomsten op dit punt als zodanig hun betekenis hebben verloren, en daarmee ook hun geldingskracht tussen partijen. Ook aan de door de Stichting gestelde persoonlijke verplichting voor het Land om het poligebouw als zodanig te blijven gebruiken, komt niet de betekenis toe die de Stichting daar kennelijk gehecht aan wenst te zien, reeds omdat de Stichting niet heeft gesteld wat de (juridische) consequentie moet zijn van het niet nakomen van deze verplichting. Gelet op het vorenstaande, heeft de Stichting geen recht of titel waarop zij het gebruik en de occupatie van het poligebouw kan baseren. Dit brengt met zich dat de ontruimingsvordering in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. 4.
  19. Afweging van de belangen van partijen, geeft geen grond voor een ander oordeel. Tussen partijen staat vast dat de staat van onderhoud van het poligebouw de afgelopen periode zwaar achteruit is gegaan en dat de huidige situatie van leegstand daarin een grote rol heeft gespeeld. Verder heeft het Land zijn stelling dat concrete plannen bestaan om het poligebouw te verbouwen in het kader van het huisvestingsproject van de medewerkers van de publieke instellingen van G&GZ, met stukken onderbouwd. Dat de verhuizing volgens de Stichting niet noodzakelijk is omdat de medewerkers reeds elders zijn gehuisvest, doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat uitgangspunt is dat de eigenaar het recht heeft over zijn gebouw te beschikken zoals hij wil. Bovendien staat de verbouwing van het poligebouw niet op zich, maar is het onderdeel van het “Masterplan Otrobanda”, zoals het Land onweersproken heeft gesteld. Verder neemt het gerecht in aanmerking dat de Stichting op zichzelf erkent dat zij op enig moment het poligebouw zal moeten ontruimen en dat zij vanaf in elk geval 11 januari 2024 weet dat dit ook de daadwerkelijke wens is van het Land. Zij heeft dus al geruime tijd gelegenheid gehad om op zoek te gaan naar een oplossing voor de praktische uitdagingen die zich volgens haar bij de ontruiming voordoen. Maar ook de praktische bezwaren die door de Stichting zijn opgeworpen, staan een ontruiming niet in de weg. Met name omdat het Land ter zitting te kennen heeft gegeven dat wat het Land betreft het radioactief materiaal, nu dit voldoende veilig is ingekapseld en afgeschermd, in de bunker kan blijven totdat dit door een daartoe gecertificeerd bedrijf zal worden gesaneerd, onder het voorbehoud van wie de kosten hiervan zal moeten dragen. Ten aanzien van het medisch archief heeft het Land de Stichting ter zitting diverse handreikingen gedaan, waaronder die dat de Stichting dit archief tijdelijk in de kelder achter slot en grendel opgeslagen kan houden, om de gelegenheid te krijgen een definitieve oplossing te zoeken. Voor wat betreft de toegang tot de gebouwen van de Stichting heeft het Land, afgezien van de omstandigheid dat uit het door het Land overgelegde rapport voldoende is gebleken dat er meerdere toegangswegen zijn, ter zitting ook ter zake handreikingen gedaan richting de Stichting. Al met al is het gerecht er voldoende van overtuigd dat de praktische bezwaren met inachtneming van na te melden beslissing en ook in goed overleg tussen partijen overkomelijk zullen blijken. 4.
  20. De slotsom is dat de vordering van het Land op na te melden wijze zal worden toegewezen. De door het Land verzochte termijn van één week na de betekening van het vonnis, acht het gerecht evenwel in dit geval onredelijk kort. Het gerecht zal aan het ontruimingsbevel een termijn verbinden van twee maanden na betekening van het vonnis, om de Stichting (en het Land) de gelegenheid te geven de praktische aspecten rondom de ontruiming afdoende te regelen. Het gerecht zal daarbij ook bepalen dat de Stichting nog gedurende de periode van een jaar de beschikking dient te behouden over de kelder voor de opslag van het medisch archief. Daarmee heeft de Stichting naar het oordeel van het gerecht voldoende tijd om een oplossing te zoeken. Ten aanzien van het radioactief afval zal het gerecht bepalen dat dit buiten de ontruimingsvordering valt, nu partijen zich op dit punt ten opzichte van elkaar nog moeten verstaan. 4.
  21. Omdat de Stichting in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de het Land worden tot aan deze uitspraak begroot op: explootkosten NAf 357,95 gemachtigdensalaris NAf 1.500,00 griffierechten NAf 450,00 + totaal: NAf 2.307,95 4.
  22. De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
  23. De beslissing in kort geding Het gerecht: 5.
  24. beveelt de Stichting om het poligebouw te ontruimen binnen twee maanden na betekening van dit vonnis en om het poligebouw onder afgifte van de sleutels daarvan ter vrije beschikking te stellen van het Land, met dien verstande dat de kelder nog gedurende een jaar door het Land ter beschikking dient te worden gesteld aan de Stichting voor de opslag van het medisch archief; 5.
  25. bepaalt dat de beslissing onder 5.
  26. niet ziet op het in poligebouw opgeslagen radioactief afval; 5.
  27. verstaat dat de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden als de Stichting in gebreke blijft met de ontruiming, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent alvast toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 en 444 lid 2 Rv; 5.
  28. veroordeelt de Stichting in de proceskosten aan de zijde van het Land tot op heden begroot op NAf 2.307,95; 5.
  29. verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  30. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en op 17 september 2024 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.