← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:244

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202400923 Vonnis van 19 augustus 2024 in de zaak van [Eiseres], wonend in [woonplaats], eiseres, gevolmachtigde: mr. M.J. Bernardina, tegen [Gedaagde], wonend in [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: mr. J.E. Lovert. Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd. 1Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 13 maart 2024, de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie,, de conclusie van antwoord in reconventie, de nadere producties van [gedaagde], de pleitnotities van [gedaagde] de mondelinge behandeling van 27 juni 2024. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. Partijen hebben samengewoond en op 20 november 2003 een samenlevingsovereenkomst (hierna: SLO) gesloten. In de overeenkomst is bepaald dat het Nederlands recht daarop van toepassing is. 2.2. In de SLO is met betrekking tot de roerende zaken bepaald: ‘1. Indien zaken voor gezamenlijke rekening zijn verkregen zullen deze door partijen als gemeenschappelijk eigendom worden aangemerkt. (…)2. In alle gevallen waarin tussen partijen verschil van mening bestaat over de eigendom van de zaak en geen van beiden het recht daarop kan bewijzen, wordt die zaak geacht gemeenschappelijk eigendom te zijn, ieder voor de helft. (…)3. Inboedelzaken worden geacht steeds voor gezamenlijke rekening te zijn verkregen, tenzij schriftelijk anders blijkt. Onder inboedelzaken wordt verstaan het geheel van de huisraad en de tot stoffering en meubilering van de woning dienende roerende zaken, met uitzondering van verzamelingen van boeken en voorwerpen van kunst, wetenschap en geschiedkundige aard. (…)’. In de SLO is voorts overeengekomen dat ieder van partijen zonder verrekening van de waarde recht heeft op toedeling van de goederen die van ieders eigen kant bij het begin van de samenleving in het gemeenschappelijk vermogen zijn ingebracht. 2.3. Aan de SLO is een bijlage gehecht. De aanhef luidt: ‘STAAT VAN AANBRENGSTEN behorende bij het samenlevingscontract de dato 20 november tweeduizend drie tussen: de heer [gedaagde] en mevrouw [eiseres]. De navolgende inboedelzaken behoren in privé toe aan mevrouw [eiseres] voornoemd:’ Daarna volgt een opsomming van zaken (meubels, kunst en elektronica) per kamer/ruimte (woonkamer, eetkamer, TV kamer, masterbedroom, hal, tuin). 2.4. Tijdens de samenleving zijn meerdere huisdieren, te weten twee kleine honden, een papegaai en een Duitse herder, gekocht. 2.5. Bij brief van 13 juli 2023 heeft [eiseres] de SLO ontbonden. 2.6. [ gedaagde] heeft de woning op 2 oktober 2023 verlaten. Daarbij heeft hij de huisdieren meegenomen. 2.7. Bij vonnis in kort geding van 8 november 2023 heeft het gerecht [gedaagde] veroordeeld tot afgifte aan [eiseres] van de twee kleine honden. Daaraan heeft [gedaagde] voldaan. 3De vorderingen in conventie en in reconventie 3.1. [ eiseres] vordert in conventie dat het gerecht:

  1. a)de vordering tot revindicatie van haar eigendom, zoals opgenomen in de bijlage bij de SLO, toewijst;
  2. b)de vordering tot revindicatie van de papegaai toewijst;
  3. c)[gedaagde] veroordeelt de verhuiskosten te voldoen die zijn gemoeid met het verhuizen van de gerevindiceerde goederen naar de woning van [eiseres];
  4. d)[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [ eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat zij eigenaar is van de in de bijlage bij de SLO vermelde zaken en van de papegaai. [gedaagde] houdt de bedoelde zaken en de papegaai onrechtmatig onder zich. 3.3. [ gedaagde] vordert in reconventie dat het gerecht:
  5. a)[eiseres] veroordeelt tot betaling van NAf 320.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2023 tot de dag van voldoening;
  6. b)voor recht verklaart dat de kleine honden, de Duitse herder en de papegaai eigendom zijn van [gedaagde] en [eiseres] te bevelen binnen zeven dagen na vonnisdatum de kleine honden af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAf 250 per dag of dagdeel dat niet aan het bevel wordt voldaan;
  7. c)voor recht verklaart dat de goederen die staan vermeld in productie 5 bij het verzoekschrift de eigendom zijn van [gedaagde];
  8. d)[eiseres] veroordeelt tot het betalen van een in goede justitie te bepalen financiële bijdrage aan de verhuis- en herinrichtingskosten van [gedaagde];
  9. e)[eiseres] te veroordelen in de proceskosten. 3.4. [ gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat hij aanspraak heeft op vergoeding van de door hem gedane investeringen in de woning van [eiseres]. Daarnaast stelt hij dat hij de eigenaar is van de in zijn productie 5 vermelde zaken en dat [eiseres] deze thans onrechtmatig onder zich houdt. Alle onder 3.3.
  10. b)van de vordering vermelde dieren zijn door hem aangeschaft en zijn zijn eigendom. De Duitse herder en de papegaai zijn reeds in zijn bezit. 3.5. Partijen hebben over en weer verweer gevoerd dat, voor zover van belang, bij de beoordeling wordt betrokken. 4De beoordeling de vordering in conventie de zaken vermeld in de bijlage bij de SLO 4.1. Zoals hiervoor onder 2.1. is vermeld, is op de SLO Nederlands recht van toepassing. Op grond van artikel 157 lid 2 van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (NRv) levert een authentieke akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. De bij de SLO behorende bijlage ‘de staat van aanbrengsten’, waar [eiseres] haar revindicatievordering op baseert, is een authentieke akte. Dit betekent dat deze akte tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de verklaring dat de daarop vermelde inboedelzaken in privé toebehoren aan [eiseres] (artikel 157 lid 2 NRv). Daartegen staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 1 NRv). Nu [gedaagde] dit betwist, is het aan hem hiervan tegenbewijs te leveren. 4.2. [ gedaagde] heeft in dit verband de gang van zaken met betrekking tot de in die bijlage vermelde zaken als volgt toegelicht. Hij had een woning in België. [eiseres] verbleef vaak bij hem en partijen wilden in Curaçao in de woning van [eiseres] gaan samenwonen. [eiseres] reisde in 2004 vooruit naar Curaçao en was daar reeds ingeschreven. [gedaagde] zou pas later (niet binnen zes maanden) verhuizen, maar wilde al wel zaken uit zijn woning als meubels, kunst en consumentenelektronica naar Curaçao verschepen, zodat [eiseres] de woning kon inrichten. Dit betekende dat invoerrechten zouden moeten worden betaald. Op advies van de interim-directeur van de douane, mw [interim-directeur 1], zijn partijen overeengekomen de te verhuizen zaken van [gedaagde] op naam van [eiseres] te zetten, om die invoerrechtenheffing te voorkomen. Alleen met dat doel is die bijlage opgesteld; alle daarin vermelde zaken waren van [gedaagde] en het was niet de bedoeling van partijen dat [gedaagde] hiervan afstand zou doen. Ter onderbouwing van de stelling dat de zaken zijn eigendom waren heeft [gedaagde] foto’s overgelegd. Het zijn foto’s van zijn woning in België waarop onder andere meubels en kunst die in de bijlage staan vermeld te zien zijn. Daarnaast heeft [gedaagde] verklaringen overgelegd van derden die de zaken hebben gezien in zijn woning. 4.3. [ eiseres] heeft deze voorstelling van zaken niet concreet betwist. In dit verband heeft zij ter zitting enkel verklaard dat zij niet bij alle aankopen (in België) van de in de bijlage vermelde zaken feitelijk aanwezig kon zijn omdat zij moest werken, maar dat is niet relevant voor de eigendom. Immers, ook indien zij bij aankopen aanwezig was volgt daar niet uit dat zij die zaken feitelijk heeft gekocht en betaald. Dat heeft zij zelfs niet gesteld, laat staan onderbouwd en dat is ook nergens uit gebleken. Gelet hierop en op het feit dat in de bijlage de zaken per kamer/ruimte worden opgesomd en door [eiseres] niet is weersproken dat dit de kamers/ruimtes zijn in het huis van [gedaagde] in België, acht het gerecht met de door [gedaagde] voorgestelde gang van zaken met betrekking tot de eigendom van de in de bijlage vermelde zaken, het tegenbewijs geleverd. 4.4. Nu [eiseres] anderszins onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van de gestelde eigendom van de inboedelzaken uit de bijlage en zij ter zake geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, volgt uit het vorenoverwogene dat vast is komen te staan dat de inboedelzaken in eigendom aan [gedaagde] toebehoren. Gelet hierop, zal de vordering van [eiseres] tot revindicatie van deze zaken wordt afgewezen. de papegaai (en de kleine honden) 4.5. [ gedaagde] vordert in reconventie onder andere een verklaring voor recht dat de kleine honden zijn eigendom zijn en afgifte van die kleine honden. De vraag of [gedaagde] eigenaar is van de kleine honden (in reconventie) wordt gezamenlijk beoordeeld met de vraag in conventie naar eigendom van de papagaai. 4.6. Het gerecht overweegt dat in artikel 3:2a van het Nederlands Burgerlijk Wetboek (NBW) is bepaald dat dieren geen zaken zijn, maar dat –samengevat- bepalingen met betrekking tot zaken wel op dieren van toepassing zijn. De bepalingen met betrekking tot de eigendom van de roerende zaken in de SLO zijn dan ook van toepassing op de kleine honden en de papegaai. 4.7. [ eiseres] stelt dat de kleine honden en de papegaai haar zijn geschonken door [gedaagde]. Die schenking, zo stelt zij, is lastig te bewijzen, maar uit het feit dat gedurende de samenwoning alleen zij de dieren verzorgde, zij als enige bepaalde welke (medische) verzorging de dieren nodig hadden en alle (medische) kosten voor haar rekening nam, blijkt dat dat de dieren aan haar zijn geschonken, zeker gelet op het feit dat [gedaagde] ook een Duitse herder heeft, waar dit allemaal niet voor gold. Alleen die Duitse herder is van [gedaagde] zelf, aldus [eiseres]. 4.8. [ gedaagde], op zijn beurt, stelt dat hij de dieren heeft gekocht en hij weerspreekt dat hij ze aan [eiseres] heeft geschonken. Omdat de dieren niet aan haar geschonken zijn, kan [eiseres] door het houden van de dieren voor [gedaagde] nooit zomaar eigenaar zijn geworden. [gedaagde] heeft er ook op gewezen dat de opbrengst van de verkoop van een pup van één van de kleine honden alleen naar hem is gegaan. 4.9. Beide partijen stellen de eigenaar te zijn van de papegaai en de kleine honden. Nu geen van beiden het aanbod heeft gedaan het eigendomsrecht te bewijzen worden de kleine honden en de papegaai beschouwd als gemeenschappelijk eigendom, zoals overeengekomen in de SLO (zie r.o. 2.2.). De vordering in conventie tot revindicatie van de papegaai wordt daarom afgewezen. de verhuiskosten 4.10. De gevorderde verhuis- en inrichtingskosten worden reeds afgewezen omdat deze vordering niet is onderbouwd. de vordering in reconventie de investering in de woning van [eiseres] 4.11. [ gedaagde] vordert betaling van NAf 320.000 als vergoeding voor de investeringen die hij heeft gedaan in de woning van [eiseres]. [gedaagde] stelt in dit verband dat de woning in 2004 en in 2014 substantieel is verbouwd en dat hij de verbouwingskosten voor zijn rekening heeft genomen. In dit verband heeft hij overgelegd: 1) een betalingsafschrift van 9 september 2008 waaruit blijkt dat van de stichting derdengelden notaris Burgers aan hem een bedrag van NAf 265.066,41 betaalbaar is gesteld, 2) een betaalbaarstelling van NAf 147.981,10 van zijn levensverzekering van 19 december 2014, 3) een overzicht van betalingen van 2004 tot en met 18 oktober 2023 van in totaal NAf 265.491,55 en 4) een kredietovereenkomst van 19 augustus 2014, waaruit blijkt dat hij recht [gedaagde] hypotheek heeft verleend op onroerend goed ten bedrage van NAf 70.925. Hij vordert (afgerond) nominale vergoeding van de in de woning van [eiseres] geïnvesteerde twee laatste bedragen. 4.12. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning van [eiseres] in 2004 en 2014 is verbouwd/gerenoveerd en dat dit is gefinancierd door [gedaagde]. Het gerecht overweegt dat investeringen door de ene partner in de woning van de andere partner verbeteringen zijn die een vermogensverschuiving met zich meebrengen. In de SLO is over deze situatie niets bepaald en de beantwoording van deze vraag dient dan ook te geschieden aan de hand van het Curaçaose recht, en wel de artikelen 1:87 BW gelezen in verbinding met artikel 1:87a BW. Daarin is bepaald dat ingeval van twee personen die hebben samengeleefd als ware zij gehuwd, een van hen ten laste van het vermogen van de ander een goed dat tot diens vermogen behoort verbetert, voor de eerstgenoemde partner een plicht tot vergoeding ontstaat. Op grond van lid 2, aanhef en onder a, is het gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan in het daarin vermelde geval evenredig aan het uit het vermogen van de ander afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor verbetering van het goed. Op grond van lid 5 wordt, indien de vergoeding overeenkomstig het in lid 1 tot en met 4 bepaalde niet nauwkeurig worden vastgesteld, de vergoeding geschat. 4.13. [ eiseres] heeft als meest verstrekkend verweer gevoerd dat de vordering is verjaard. Het gerecht overweegt ter zake als volgt. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor de verjaring van vergoedingsrechten tussen echtgenoten geen korte verjaringstermijn van vijf jaar geldt, omdat van echtgenoten niet kan worden verwacht dat zij tijdens het huwelijk rechtsmaatregelen tegen elkaar treffen (ECLI:NL:HR:2022:1936). Nu hier te lande in artikel 1:87a BW de bepalingen over vergoedingsrechten in artikel 1:87 BW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op als gehuwd samenwonenden, sluit het gerecht ook met betrekking tot de verjaring van die vergoedingsrechten aan op hetgeen door de Hoge Raad voor gehuwden is bepaald. Dat betekent dat de vordering van [gedaagde] niet is verjaard. 4.14. Het gerecht zal nu overgaan tot het schatten van een eventuele door [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigde vergoeding. Dat doet het gerecht omdat gelet op de stellingen van partijen en (het ontbreken van) onderbouwing daarvan, een eventueel verschuldigde vergoeding niet nauwkeuring overeenkomstig het toepasselijk wettelijk kader kan worden vastgesteld. Zo hebben partijen geen inzicht gegeven in de waarde van de woning voorafgaand aan de verbouwingen en evenmin in de waarde van de woning na het beëindigen van de relatie. Bij de schatting betrekt het gerecht het volgende. 4.15. [ gedaagde] heeft gesteld dat hij in 2004 en 2014 substantiële verbouwingen aan de woning heeft gefinancierd. Hij heeft onweersproken gesteld dat de verbouwingswerkzaamheden in 2004 bestonden uit onder meer het plaatsen van een aanbouw, het leggen en vervangen van tegels, bouw van een trap, afwerking van de vloeren, betegeling garage en oprit, plaatsen van badkamers en toiletten, een nieuwe keuken met inbouwapparatuur en een walk-in-closet. In 2014 betroffen de werkzaamheden onder meer de uitbreiding van het dak, een plaatsen van een balkon op de tweede verdieping en het vernieuwen van het balkon beneden, aldus [gedaagde] nog altijd onweersproken. 4.16. [ eiseres] heeft betwist dat de door [gedaagde] gestelde kosten alle zagen op verbetering van de woning. [gedaagde] heeft twintig jaar in de woning gewoond en in die periode is het nodige onderhoud gepleegd. Een groot deel van de door [gedaagde] gestelde kosten betreffen dan ook onderhoudskosten. Onderhoudskosten zijn kosten van de gemeenschappelijke huishouding, dus de daarmee gemoeide door [gedaagde] gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, aldus [eiseres]. 4.17. Ten aanzien van de onderbouwing van de vordering van [gedaagde] en in aanmerking genomen het verweer ter zake van [eiseres], overweegt het gerecht als volgt. In de eerste plaats kunnen de door [gedaagde] overgelegde stukken, hiervoor onder 4.11 vermeld als 1), 2) en 4), niet gelden als deugdelijke onderbouwing van de vordering. Deze stukken zien niet op betalingen, maar op aan [gedaagde] ter beschikking gestelde bedragen (zoals op grond van de levensverzekering en hypotheek). Voor zover al voldoende gesteld en onderbouwd is dat hij die bedragen heeft aangewend voor verbouwingen van de woning van [eiseres], is gesteld noch gebleken dat die bedragen niet al deel uitmaken van het bedrag vermeld op stuk 3). Ten aanzien van het in dat stuk gegeven overzicht van verrichte betalingen van in totaal NAf 265.491,55 heeft te gelden dat gelet op de betwisting van [eiseres], niet vast is komen te staan dat dit alle kosten betreft in verband met de verbouwingen in 2004 en 2014. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in dit overzicht een groot aantal kostenposten is opgenomen dat aan te merken is als kosten in verband met regulier onderhoud. Bovendien betreffen het ook kosten voor andere perioden dan 2004 of 2014 en [gedaagde] niet heeft gesteld dat ook in die periode op zijn kosten de woning is verbouwd. Al met al schat het gerecht dat een bedrag van NAf 150.000,- kan worden toegeschreven aan verbetering van de woning. Verder gaat het gerecht er bij het schatten van een eventuele vergoeding vanuit dat het aandeel van [gedaagde] in de woning als gevolg van het bekostigen van verbouwingen voor een bedrag van NAf 150.000,- 1/4 bedraagt. Daarbij heeft het gerecht de in het door [gedaagde] overgelegde taxatierapport van 2014 vermelde waarden voor en na verbouwing van de woning tot uitgangspunt genomen. Uitgaande van de in dat rapport vermelde waarde van de woning na de laatste verbouwing van NAf 625.000,- komt het gerecht tot een geschatte vergoeding van 1/4 van die waarde, te weten NAf 156.250,-. De vordering van [gedaagde] komt dan ook tot dit bedrag voor toewijzing in aanmerking. de dieren 4.18. [ gedaagde] vordert een verklaring voor recht dat alle dieren zijn eigendom zijn. Dat hij de eigenaar is van de Duitse herder, is door [eiseres] niet betwist. In r.o. 4.7. tot en met 4.9. heeft het gerecht geoordeeld dat de eigendom van de papegaai en de kleine honden niet is vast te stellen in de zin van de SLO. Zijn gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot afgifte van de kleine honden worden afgewezen, behoudens met betrekking tot de eigendom van de Duitse herder. de zaken die staan vermeld op productie 5 van [gedaagde] 4.19. [ gedaagde] heeft in productie 5 een aantal zaken opgesomd (genummerd 1 tot en met 28) waarvan hij stelt dat hij de eigenaar is. Ter zitting is gebleken dat de zaken met nummers 3, 5 tot en met 15, 19 en 20 ook in de bijlage bij de SLO (productie 4 van [eiseres]) staan. Uit hetgeen in r.o. 4.4. met betrekking tot die zaken is vastgesteld, volgt dat deze zaken als eigendom van [gedaagde] kunnen worden beschouwd. Voor de overige zaken geldt, conform de SLO, dat als het inboedelzaken betreft, deze worden geacht te zijn verkregen voor gezamenlijke rekening, tenzij schriftelijk anders blijkt. De gevraagde verklaring voor recht kan als onweersproken worden gegeven voor zover betrekking hebbend op de zaken met de nummers 1 tot en met 4, 16, 27 en 28 omdat dit geen inboedelgoederen als bedoeld in de SLO zijn; de zaak met nummer 21 omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de inboedel van de woning; de zaken met nummers 20 en 22 tot en met 24, omdat [gedaagde] schriftelijk bewijs van betaling door hem (of zijn onderneming) heeft overgelegd. De gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de zaken met de nummers 17, 18, 25 en 26 wordt afgewezen. 4.20. Ook de door [gedaagde] gevorderde verhuis- en inrichtingskosten worden reeds afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. In conventie en in reconventie de proceskosten 4.21. Gelet op het feit dat partijen ex-samenwoners zijn, zullen de proceskosten wordt gecompenseerd. 4.22. De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof. ten slotte 4.23. Zoals hiervoor is overwogen, zijn op grond van de SLO enkele zaken gemeenschappelijk eigendom. Hoewel geen van partijen daarvan de verdeling heeft gevorderd, zullen, om een eind te maken aan de geschillen tussen partijen, toch de kleine honden, de papegaai, het donkerbruine dressoir (slaapkamer, nr 17), de TV, 65 inch en home theater (nr 18), de CD-rekken

(4x)en CD’s (nr 25) en CD’s latin music (nr 28) moeten worden verdeeld. Het gerecht houdt partijen voor dat in geval de rechter wordt geadieerd om een tussen partijen bestaande gemeenschap te verdelen, deze bij het vaststellen van een verdeling rekening dient te houden naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. In deze procedure is tot zoverre gebleken dat [eiseres] veel affiniteit heeft met de kleine honden en papegaai en dat zij zich daar ook zeer verantwoordelijk voor voelt. In aanmerking genomen de uitkomst van deze procedure, ter beslechting van het na dit vonnis nog altijd tussen partijen bestaande geschil en ter voorkoming van nieuwe rechterlijke procedures, geeft het gerecht partijen de suggestie mee dat aan [eiseres] de kleine honden en de papegaai worden toebedeeld en dat aan [gedaagde] de hiervoor vermelde zaken met de nummer 17, 18, 25 en 26 worden toebedeeld, zonder verrekening. 5De beslissing Het gerecht: in conventie 5.1. wijst de vordering af; in reconventie 5.2. veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] het bedrag van NAf 156.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2023 tot de dag van voldoening; 5.3. verklaart voor recht dat de Duitse herder eigendom is van [gedaagde]; 5.4. verklaart voor recht dat aan [gedaagde] in eigendom toebehoren de volgende in productie 5 vermelde zaken:
(1)gereedschapskist 2x
(2)diverse gereedschappen en werkbank
(3)schilderijen in totaal 4x waarvan 2x nog bij [eiseres]
(4)beelden 2x waarvan 1x nog bij [eiseres]
(16)schilderij: rood abstract
(20)archiefkast
(21)bureau praktijk
(22)ijskast/french door
(23)generator
(24)alarm camera’s; 5.
  1. wijst het overig gevorderde af; in conventie en in reconventie 5.
  2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.
  3. verklaart de veroordeling in r.o. 5.
  4. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.