← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:246

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202402996 Beschikking van 2 december 2024 in de zaak van [Verzoeker], wonend in [woonplaats], verzoeker, verweerder in het zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. E.L. Virginie, tegen [Verweerder] h.o.d.n. Overval Preventie Team, wonend in [woonplaats], verweerder, verzoeker in het zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhi. Partijen worden hierna de werknemer en de werkgever genoemd. 1Het procesverloop 1.

  1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 6 augustus 2024, met producties, het verweerschrift, alsmede een zelfstandig tegenverzoek, met producties, de nadere producties van de werknemer, de nadere producties van de werkgever, de mondelinge behandeling van 4 november 2024, de pleitnotities. 1.
  2. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
  3. Op 17 november 2015 is de werknemer voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de werkgever in de functie van Supervisor tegen een netto maandsalaris van NAf 2.
  4. 2.
  5. Op 10 en 13 november 2023 is er ingebroken in het kantoorgebouw van de werkgever. 2.
  6. Op 13 november 2023 heeft de werknemer in opdracht van de werkgever de overgebleven bedrijfseigendommen, waaronder werkuniformen, in bewaring genomen. 2.
  7. Op 24 november 2023 is een deel van de bedrijfseigendommen afgezet bij de door de werkgever opgegeven locaties. 2.
  8. In januari 2024 heeft de werknemer twee vuilniszakken met daarin werkuniformen afgegeven bij zijn collega. 2.
  9. Op 30 januari 2024 heeft de werknemer op verzoek van de werkgever een laptop, een tablet, vier polo’s, een vest en twee petten bij de werkgever ingeleverd. 2.
  10. Bij e-mail van 2 februari 2024 heeft de werkgever het volgende aan de werknemer bericht, voor zover van belang: “(…) Management heeft besloten je te detacheren bij een cliënt als disciplinaire maatregel en verzocht rekening en verantwoording over de overgebleven eigendommen af te leggen. Tevens op je laptop en tablet in te leveren e.d. We hebben je herhaaldelijk benaderd om ons hierover verantwoording af te leggen, nadat bleek dat ook uniformen e.d. (voorraad) terug ingeleverd moesten worden, die jij onder je beheer had. Je hebt hiervoor ruimschoots de tijd gehad. (…) Uiteindelijk heeft op 30 januari de bespreking plaatsgevonden met mijn assistent-manager [assistent-manager 1] en is afgesproken dat er afgecheckt zou worden of de door jou ingeleverde eigendommen correct zijn. Nu gebleken is dat dit niet klopt en sprake is nog van ontbrekende eigendommen van het bedrijf, nodigen we je uit om je op maandag 5 februari 2024 a.s. om 14.00 uur te melden op kantoor. (…) Je zult en moeten begrijpen dat ontbrekende bedrijfseigendommen, als diefstal, zullen worden aangemerkt en dit gedrag geenszins in ons bedrijf zal worden getolereerd.” 2.
  11. Op 5 februari 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de werknemer en de werkgever. 2.
  12. Bij brief van 6 februari 2024 heeft de werkgever de werknemer op staande voet ontslagen. In deze brief staat, voor zover van belang: “(…) Middels deze brief delen wij je mede dat je per heden op staande voet bent ontslagen wegens diefstal/verduistering van bedrijfseigendommen van Overval Preventie Team. (…) Na je herhaaldelijk in november en december 2023 te hebben gevraagd de resterende voorraden, waaronder uniformen, petten e.d. in te leveren, heb jij verzaakt ons een opgave te doen komen, sterker nog de overgebleven voorraden in te leveren op kantoor. Intussen had jij je ook ziek gemeld en hebben wij je half december 2023 gedetacheerd op een andere locatie en verzocht je wapen, laptop, e.d. in te leveren, hetgeen je ook niet had gedaan. (…) Uit de inventarislijst blijken nog meer bedrijfseigendommen te zijn verdwenen, namelijk: 5 petten 5 broeken 11 polo’s 4 jackets Kluissleutels Body Cam 3x (…) Feit is dat er sprake is van nog ontbrekende bedrijfseigendommen, waarvan na inventarisatie, blijkt dat je deels hebt ingeleverd en de rest bewust niet, terwijl er ruimschoots de mogelijkheid daartoe is geboden. Dit beschouwen wij als diefstal en rechtvaardigt een ontslag op staande voet. In jouw agressief gedrag van gisteren is deze conclusie alleen maar bevestigd. (…)” 2.
  13. Bij arbeidsovereenkomst van 1 mei 2024 is de werknemer in dienst getreden bij O.B.D., een beveiligingsbedrijf. 2.
  14. Bij brief van 17 juni 2024 heeft de werknemer een beroep gedaan op de nietigheid van het aan hem gegeven ontslag op staande voet. 3Het verzoek inzake het verzoek van de werknemer 3.
  15. De werknemer verzoekt – samengevat – dat het gerecht: I. voor recht verklaart dat het ontslag op staande voet nietig is; II. bepaalt dat de werkgever het loon van de werknemer dient door te betalen vanaf 6 februari 2024 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging; III. de werkgever veroordeelt tot afgifte van een positief getuigschrift; IV. de werkgever veroordeelt in de (na)kosten. inzake het zelfstandig tegenverzoek van de werkgever 3.
  16. De werkgever verzoekt – naar het gerecht begrijpt en indien het gegeven ontslag op staande voet nietig wordt verklaard – dat het gerecht de arbeidsovereenkomst ontbindt en de werknemer veroordeelt tot betaling aan de werkgever van EUR 2.827,70 en NAf 3.645 aan schadevergoeding, met veroordeling van de werknemer in de proceskosten. 4De beoordeling inzake het verzoek van de werknemer en het zelfstandig tegenverzoek van de werkgever Toetsingskader 4.
  17. Bij de beoordeling van het verzoek stelt het gerecht voorop dat het ontslag op staande voet moet worden gezien als een uiterst middel om een arbeidsovereenkomst te beëindigen. Om die reden worden aan het ontslag op staande voet zware eisen gesteld. Voor een werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer, die ten gevolge hebben dat van een werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren. Daarnaast is nodig dat de reden voor het ontslag onverwijld aan de werknemer is medegedeeld. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag dienen alle omstandigheden van het geval, inclusief de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, in onderling verband en samenhang in aanmerking te worden genomen. De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387). Geen sprake van dringende redenen 4.
  18. Het gerecht stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Aan de orde is de vraag of sprake is van dringende redenen zoals hiervoor bedoeld. 4.
  19. De werkgever stelt dat de werknemer op terechte gronden op staande voet is ontslagen. Volgens de werkgever was de werknemer in zijn functie als Supervisor onder meer belast met het bijhouden van een inventarislijst. Na de inbraken op 10 en 13 november 2023 heeft de werkgever samen met de werknemer maatregelen genomen door de overgebleven bedrijfseigendommen bij hem thuis onder te brengen. De werkgever vertrouwde erop dat de werknemer een inventarisatie zou maken van alle spullen die hij in bewaring had genomen. In de periode daarna heeft de werkgever de werknemer verzocht om de onder de werknemer in bewaring gestelde eigendommen in te leveren. De werknemer heeft steeds mondjesmaat spullen ingeleverd, behalve de uniformen. De werkgever heeft de werknemer daarop aangesproken en hem tevergeefs verzocht om een inventarislijst aan te leveren. De werknemer heeft vervolgens twee vuilniszakken afgeleverd, maar er waren nog steeds bedrijfseigendommen die ontbraken. Ondanks dat hem herhaaldelijk de kans is geboden en hij erop is geattendeerd dat er nog steeds bedrijfseigendommen niet waren ingeleverd, heeft hij nagelaten de ontbrekende bedrijfseigendommen in te leveren. Dat kan worden opgevat als diefstal, hetgeen een geldige en dringende reden is om de werknemer te ontslaan, aldus steeds de werkgever. 4.
  20. De werknemer voert daartegen aan dat hij niet was belast met het opstellen van een inventarislijst van de uniformen en benodigdheden zoals de werkgever wil doen voorkomen. Sterker nog, er was nooit eerder een dergelijke lijst opgemaakt, laat staan dat het beheer daarvan aan hem werd toevertrouwd. De werknemer heeft in de periode na de inbraak alle bedrijfseigendommen die hij in zijn bezit had, ingeleverd. Voorafgaand aan het ontslag op staande voet had de werknemer geen enkel eigendom van de werkgever in zijn bezit, behalve zijn uniform dat hij tijdens zijn dienstverband gebruikte en ter zitting reeds aan de werkgever heeft overhandigd. Dat de werknemer de bedrijfseigendommen op verschillende data heeft ingeleverd, is omdat hij in die periode voor de werkgever werkte en bepaalde spullen nodig had om zijn werkzaamheden uit te voeren. Hij was als Supervisor verantwoordelijk voor het voorzien van het personeel van uniforme kleding zodat zij hun werk konden uitvoeren. Deze uniformen heeft de werknemer in januari 2024 aan zijn collega overgedragen. Hij heeft geen enkel belang om uniformen en/of andere eigendommen van de werkgever achter te houden. Hij kan er niets mee, omdat het logo van de werkgever er duidelijk zichtbaar op is. De werknemer heeft zich met hart en ziel ingezet voor de werkgever en heeft alles gedaan wat van een goede werknemer verwacht mag worden. 4.
  21. Naar het oordeel van het gerecht kan de aangevoerde dringende reden het bij brief van 6 februari 2024 gegeven ontslag op staande voet niet dragen. De werkgever heeft weliswaar gesteld dat de werknemer heeft nagelaten om alle bedrijfseigendommen die hij na de inbraken in bewaring had genomen in te leveren, maar hij heeft deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting van de werknemer niet nader onderbouwd. Dat had met inachtneming van voormelde maatstaf op haar weg gelegen. Zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, kan niet vastgesteld worden of, en zo ja welke, bedrijfseigendommen de werknemer bewust geweigerd zou hebben om in te leveren. De brief van 6 februari 2024 bevat weliswaar een opsomming van bedrijfseigendommen die zijn verdwenen, welke opsomming bij pleitnota is aangepast, maar de werkgever heeft onvoldoende onderbouwd op basis van welke informatie hij tot deze conclusie is gekomen. De werkgever heeft in dit verband weliswaar verwezen naar de inkooplijst c.q. facturen van 15 maart 2023 van de door hem bestelde uniformen, maar daarmee kan niet de conclusie worden getrokken dat de werknemer de thans ontbrekende uniformen zou hebben achtergehouden. Er is immers nadien tweemaal ingebroken in het kantoorgebouw van de werkgever, waardoor alleen al daarom niet kan worden aangenomen dat de werknemer alle op de voormelde inkooplijst c.q. facturen voorkomende bedrijfskleding na de inbraken in bewaring zou hebben genomen. Dat de werknemer geen inventarislijst heeft bijgehouden van de bedrijfseigendommen die hij heeft meegenomen is, wat daar ook van zij, niet van zodanige aard dat deze tot gevolg kan hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de dienstbetrekking te laten voortduren. Tussenconclusie 4.
  22. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Het door de werknemer verzochte verklaring voor recht dat het aan de werknemer gegeven ontslag op staande voet nietig is, zal daarom worden toegewezen. Ontbinding arbeidsovereenkomst 4.
  23. De werkgever heeft verzocht om, voor het geval het gegeven ontslag op staande voet nietig wordt verklaard, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsrelatie. 4.8 Naar het oordeel van het gerecht is genoegzaam komen vast te staan dat de goede verstandhouding tussen de werkgever en de werknemer, die noodzakelijk is voor een samenwerking, blijvend is komen te ontbreken. Daarbij komt dat de werknemer thans werkzaam is bij O.B.D., een (andere) beveiligingsbedrijf. Dit leidt ertoe dat de dienstbetrekking dadelijk, dat wil zeggen met ingang van de datum van dit vonnis zal worden geëindigd wegens veranderingen in de omstandigheden. Omdat de werknemer inmiddels een andere baan heeft, ziet het gerecht geen aanleiding om een billijke vergoeding toe te kennen. Loondoorbetalingsverplichting 4.9 Vervolgens dient de vordering tot doorbetaling van loon worden beoordeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemer met ingang van 1 mei 2024 in dienst is getreden van een andere werkgever. Daarmee was de werknemer niet meer bereid, althans in elk geval niet feitelijk in staat om de met de werkgever overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Dit leidt ertoe dat de werkgever gelet op het bepaalde in artikel 7A:1614b, gelezen in samenhang met artikel 7A:1614d BW, geen loon is verschuldigd vanaf 1 mei
  24. Het gerecht zal aldus de werkgever veroordelen tot betaling van het loon van de werknemer vanaf 6 februari 2024 tot 1 mei
  25. Uitgegaan wordt daarbij van een maandsalaris van NAf 2.200 netto. De verzochte wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW zal worden toegewezen als verzocht nu gronden voor matiging gesteld noch gebleken zijn. De wettelijke rente zal vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking eveneens worden toegewezen. Positief getuigschrift 4.
  26. De werkgever heeft ter zitting toegezegd een positief getuigschrift aan de werknemer te zullen afgeven, waardoor dit verzoek van de werknemer ook voor toewijzing in aanmerking komt. Schadevergoeding 4.
  27. Het verzoek van de werkgever om de werknemer te veroordelen tot betaling aan hem van EUR 2.827,70 aan schadevergoeding wegens ontbrekende bedrijfseigendommen, zal in het verlengde van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.
  28. is overwogen worden afgewezen. 4.
  29. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding van NAf 3.645, die betrekking heeft op zijn uniform en de attributen van de werknemer die hij ook niet zou hebben ingeleverd, stelt het gerecht vast dat de werknemer zijn uniform ter zitting aan de werkgever heeft overhandigd. Verder heeft de werkgever zijn stelling dat de werknemer in het bezit is van attributen die aan de werkgever toebehoren, tegenover de gemotiveerde betwisting van de werknemer ter zitting, niet nader onderbouwd zodat dat niet is komen vast te staan. Daarmee komt ook deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Proceskosten 4.
  30. Omdat de werkgever inzake het verzoek van de werknemer (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van de werknemer worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 50 aan griffierecht en NAf 1.000 aan gemachtigdensalaris. De nakosten worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld. 4.
  31. Het gerecht ziet in de uitkomst van de procedure inzake het zelfstandig tegenverzoek van de werkgever aanleiding om de proceskosten te compenseren als hierna in de beslissing vermeld. Uitvoerbaar bij voorraad 4.
  32. De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof. 5De beslissing inzake het verzoek van de werknemer Het gerecht: 5.
  33. verklaart voor recht dat het aan de werknemer gegeven ontslag op staande voet nietig is; 5.
  34. veroordeelt de werkgever tot betaling van het loon van de werknemer over de periode 6 februari 2024 tot 1 mei 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van betaling; 5.
  35. veroordeelt de werkgever tot afgifte van een positief getuigschrift aan de werknemer; 5.
  36. veroordeelt de werkgever in de proceskosten van de werknemer van NAf 1.050, te vermeerderen met NAf 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met NAf 150 in geval van betekening; 5.
  37. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  38. wijst af het meer of anders verzochte; inzake het zelfstandig tegenverzoek van de werkgever 5.
  39. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 2 december 2024; 5.
  40. wijst af het meer of anders verzochte; 5.
  41. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. I. Tubben, rechter, bijgestaan door mr. H. Akbuz, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.