← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:247

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR201601356 Beschikking opheffing plaatsing d.d. 5 juli 2024 Inzake de minderjarige: [Minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], Belanghebbenden: [De moeder], de moeder van de minderjarige, [De vader], de vader van de minderjarigen. 1De procedure en het verzoek 1.

  1. De minderjarige staat sinds 24 februari 2016 onder toezicht. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van het gerecht van 24 januari 2024 verlengd met een jaar, ingaande 24 februari 2024, met handhaving van de plaatsing in [verblijfsplaats]. Bij beschikking van 23 januari 2024 heeft het Hof onder meer de beschikking van het gerecht van 16 maart 2022, waarbij de ondertoezichtstelling is verlengd en de plaatsing in [verblijfsplaats] is gehandhaafd, bevestigd. 1.
  2. Op 13 juni 2024 is namens de gezinsvoogd een verzoek om een bespreking ingediend. Aan dat verzoek heeft de gezinsvoogd ten grondslag gelegd dat de minderjarige sinds een incident dat heeft plaatsgevonden in [verblijfsplaats], thuis is, en dat de vader de minderjarige wegens een gebrek aan vertrouwen niet terug wil brengen. 1.
  3. Bij de bespreking van 26 juni 2024 zijn verschenen de minderjarige, de gezinsvoogd, mevrouw [medewerkster UOJZ 1], mevrouw [medewerkster UOJZ 2], werkzaam bij UOJZ, en mevrouw [medewerkster UOJZ 3], werkzaam bij [verblijfsplaats]. De minderjarige is apart gehoord. 1.
  4. De uitspraak is bepaald op heden. 2De beoordeling 2.
  5. Ter zitting is het volgende besproken. Vanwege een ontstane situatie met een andere minderjarige in [verblijfsplaats], is op enig moment op politieassistentie verzocht. Een van de agenten die ter plaatse is gekomen, heeft de minderjarige een klap in het gezicht gegeven. Volgens de minderjarige is dit gebeurd omdat hij op zijn telefoon keek, volgens [verblijfsplaats] omdat de minderjarige niet direct op instructie van de politieagent is gaan zitten. De volgende dag is de minderjarige met de moeder naar de huisarts gegaan en vervolgens niet meer naar [verblijfsplaats] teruggekeerd. De vraag die nu voorligt, is of de plaatsing bij [verblijfsplaats] gehandhaafd dient te worden, en de minderjarige dus terug moet, of dat de plaatsing wordt opgeheven, al dan niet onder plaatsing van de minderjarige elders. Noodzaak uithuisplaatsing? 2.
  6. Het gerecht stelt voorop dat het loslaten van een uithuisplaatsing in het geval van de minderjarige niet wenselijk is. Bij voormelde beschikking van het gerecht van 24 januari 2024 heeft het gerecht nog de verlenging van de uithuisplaatsing bevolen, zich daarbij baserend op het rapport van de gezinsvoogd en het verhandelde ter zitting in die procedure. Ook het Hof heeft in zijn beschikking van 24 januari 2024 overwogen dat en waarom een uithuisplaatsing verantwoord is: “2.
  7. De jongen [minderjarige] wil wel permanent naar huis. De Voogdijraad, de gezinsvoogden en [verblijfsplaats] adviseren echter handhaving van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Zij vrezen dat [minderjarige] thuis te weinig structuur zal krijgen. Met zijn school zal het waarschijnlijk minder goed gaan. En zij vrezen dat in geval van een conflict thuis de vader zal ‘ontploffen.’ 2.
  8. Het Hof stemt hiermee in. De vader is te gepassioneerd en te driftig om zijn kinderen permanent behoorlijk te kunnen verzorgen en opvoeden. Dat is inmiddels wel genoegzaam gebleken, ook ten aanzien van de vier andere (inmiddels meerderjarige) kinderen die, mede wegens het temperament van de vader, eveneens onder toezicht werden gesteld. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn noodzakelijk ter bescherming van de kinderen, ook van [minderjarige]. Het Hof heeft er onvoldoende vertrouwen in dat begeleiding van de vader, zo al mogelijk, tot genoegzame verbetering zal leiden, en heeft in elk geval de overtuiging bekomen dat thans geen situatie is bereikt waarin beëindiging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verantwoord is.” Het is het gerecht niet gebleken van enige wijziging in de omstandigheden, zodat het gerecht geen reden ziet om niet vast te houden aan de recent door het gerecht en het Hof gegeven beslissingen, en de daaraan ten grondslag gelegde motiveringen. Handhaving plaatsing [verblijfsplaats]? 2.
  9. Ten aanzien van handhaving van de plaatsing bij [verblijfsplaats] overweegt het gerecht als volgt. Uit de verklaringen van betrokkenen tijdens de bespreking, is het volgende naar voren gekomen. Vast staat dat een politieagent de minderjarige in [verblijfsplaats] een klap in het gezicht heeft gegeven. Hierbij waren diverse medewerkers van [verblijfsplaats] aanwezig. Na dit incident, dat eind van de middag plaatsvond, zijn alle minderjarigen naar hun kamer gestuurd om zich klaar te maken voor de nacht. Normaal gebeurt dit rond negen uur ’s avonds, nu dus enkele uren eerder. Vanuit [verblijfsplaats] heeft niemand die middag of avond nog contact gehad met de minderjarige. De volgende ochtend is de moeder, die vervoer verzorgt van minderjarigen die in [verblijfsplaats] verblijven naar hun school, op aangeven van een derde naar de minderjarige toegegaan nadat zij het nieuws van de klap had gehoord. Zij heeft de minderjarige naar de dokter gebracht. Op enig moment die dag heeft een medewerker van [verblijfsplaats] telefonisch contact opgenomen met de vader, die op dat moment aan het werk was. Verder is er geen contact geweest tussen de ouders en [verblijfsplaats] over het incident. 2.
  10. Onder deze omstandigheden kan het gerecht zich goed inleven in het door onder meer de minderjarige gevoelde gebrek aan vertrouwen. De minderjarige heeft een heftige gebeurtenis meegemaakt, in een instelling waarin hij niet vrijwillig verblijft, maar vanwege een uithuisplaatsing bij een rechterlijke beschikking. Wat de reden voor het geven van een klap voor de betrokken politieagent ook is geweest, vast staat dat de minderjarige zelf niet betrokken was bij vandalisme of enige andere daad van geweld. Zomaar een klap krijgen van een politieagent heeft in de regel een grote impact op een jongen van de leeftijd van de minderjarige. Niet is gebleken dat op enig moment na dit incident navraag bij de minderjarige is gedaan hoe het met hem gaat en of hij nog last ondervindt van de gevolgen van de klap en medische behandeling nodig heeft. Het had op de weg gelegen van bijvoorbeeld een teamleider om de minderjarige apart te nemen of in elk geval nog ’s avonds bij hem langs te gaan om te vragen hoe het met hem gaat. Verder is niet dezelfde dag nog contact opgenomen met de ouders van de minderjarige. Ook dat had van [verblijfsplaats] verwacht mogen worden na zo’n ingrijpende gebeurtenis. Ten slotte is er vanwege [verblijfsplaats] geen contact meer geweest met de politie over het geven van de klap. [verblijfsplaats] heeft aangifte gedaan tegen de minderjarige die vandalisme heeft gepleegd, maar is niet namens de minderjarige voor hem opgekomen in verband met het politiegeweld dat hij heeft ondergaan. Al deze omstandigheden samen maken dat het invoelbaar is dat de minderjarige geen vertrouwen meer heeft in [verblijfsplaats]. Hem is op geen enkele wijze enige troost, hulp of steun geboden, terwijl hij onder verantwoordelijkheid van [verblijfsplaats] een ingrijpende gebeurtenis heeft meegemaakt. Dat had wel van [verblijfsplaats] verwacht mogen worden, als instelling waar de minderjarige geplaatst is en waar hij zich veilig moet voelen. Zoals al gezegd, het gaat om een minderjarige die niet vrijwillig in [verblijfsplaats] verblijft. Hij is daar, omdat hij daar bij een rechterlijke beschikking geplaatst is. Dat brengt voor [verblijfsplaats] een extra verantwoordelijkheid met zich mee. Dit alles leidt het gerecht ertoe de plaatsing bij [verblijfsplaats] op te heffen. Plaatsing elders? 2.
  11. De gezinsvoogd heeft te kennen gegeven dat de redenen voor uithuisplaatsing nog altijd bestaan. Mocht het gerecht aanleiding zien om de plaatsing bij [verblijfsplaats] op te heffen, dan ziet de gezinsvoogd als mogelijk alternatief begeleid wonen. De bezwaren tegen plaatsing thuis, die reden zijn geweest voor de eerdere beslissingen van het gerecht en het Hof, bestaan volgens de gezinsvoogd nog altijd. Plaatsing in een andere instelling ligt, gelet op de leeftijd van de minderjarige, niet voor de hand, aldus de gezinsvoogd. 2.
  12. Nu de plaatsing in [verblijfsplaats] zal worden opgeheven, gelet op de leeftijd van de minderjarige geen plaatsing in een andere instelling is aangewezen, en overige mogelijkheden nog niet zijn onderzocht, zal het gerecht nu geen uithuisplaatsing bepalen. Dat betekent dat de minderjarige voorlopig thuis zal blijven. Dit is geen wenselijke situatie, zoals het gerecht hiervoor al heeft overwogen. Mede vanwege het ontbreken van een alternatief neemt het gerecht toch deze beslissing. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de vakantie in aantocht is, en dat de opheffing van de plaatsing voorlopig geen consequenties zal hebben voor de schoolprestaties van de minderjarige. Verder zal het gerecht op korte termijn een evaluatiezitting bepalen. Daarbij zal de periode thuis geëvalueerd worden. Maar in het bijzonder zal deze evaluatiezitting worden gebruikt om mogelijke alternatieve plaatsingen te bespreken, zoals in een begeleid wonen project. De gezinsvoogd zal dan ook de tussenliggende periode moeten benutten om te onderzoeken wat de mogelijkheden van begeleid wonen voor de minderjarige zijn, gezien zijn betrekkelijk jonge leeftijd, en hoe daarbij gegarandeerd kan worden dat de minderjarige naar school blijft gaan. 3De beslissing Het Gerecht: 3.
  13. heft op de plaatsing van [minderjarige] in [verblijfsplaats] met ingang van 5 juli 2024; 3.
  14. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  15. verwijst de zaak naar de zitting van 11 september 2024 om 14.00 uur voor een evaluatie. Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B de Haseth, rechter, en uitgesproken ter zitting van 5 juli 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.