GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202303902 Vonnis van 2 december 2024 in de zaak van [Eiseres], wonend in [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. E.E. Palm-Meyer, --tegen-- HET LAND CURAÇAO, zetelend in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. E.A.M.J. van den Berg. Partijen worden hierna [eiseres] en het Land genoemd. 1Het procesverloop 1.
- Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 5 december 2023; de conclusie van antwoord; de producties van [eiseres] van 7 juni 2024; het verzoek om aanhouding met producties van [eiseres] van 7 juni 2024; de akte uitlating voortprocederen van [eiseres] van 19 augustus 2024; de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024, waar zijn verschenen: [eiseres], bijgestaan door mr. Palm-Meyer voornoemd, en namens het Land mr. Van den Berg voornoemd en [belanghebbende 1], werkzaam bij Domeinbeheer. de pleitnotities van [eiseres]. 1.
- Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
- Op 17 november 2011 heeft [eiseres] bij het Bureau Domeinbeheer een verzoek ingediend om een deel van het in huur uitgegeven perceel [perceel 1] en [woning] (hierna: het perceel) met een oppervlakte van 1778 m² aan haar in erfpacht uit te geven. Bij brief van 29 januari 2013 heeft Domeinbeheer [eiseres] medegedeeld dat het verzoek onder zaaknummer 2012/5611 is geregistreerd. Een beslissing op het verzoek is geruime tijd uitgebleven, ondanks rappel van de zijde van [eiseres].
- De vordering en de standpunten van partijen 3.
- [ eiseres] vordert het gerecht om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht te verklaren dat de weigering van het Land aan haar het recht van erfpacht te verlenen, onrechtmatig is; - het Land te veroordelen om binnen 14 dagen na dagtekening van deze uitspraak medewerking te verlenen aan de vestiging van het recht op erfpacht op het perceel gelegen te [perceel 1] en [woning], te [buurt] ter grootte van 1778 vierkante meters aan eiseres, met oplegging van een dwangsom van NAf. 1000,--, per dag met een maximum van NAf. 200.000,--, indien het Land niet binnen 14 dagen na datum van de uitspraak, tot de toekenning van het erfpachtrecht is overgegaan; - te bepalen dat bij onvoldoende medewerking van het Land, het vonnis in de plaats zal treden van de voor het passeren van de leveringsakte vereiste medewerking en handtekening(en) van het Land, en te bepalen dat het vonnis in de daartoe bestemde openbare registers kan worden ingeschreven, indien 14 dagen na de betekening van het vonnis zijn verstreken; - met veroordeling van het Land in de proceskosten, althans tot een vergoeding voor gemaakte proceskosten, waaronder gemachtigden salaris, deurwaarderskosten en betaalde griffierechten. 3.
- Aan de vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij – door vererving – huurder is van het perceel en dat zij op 17 november 2011 bij het Land een verzoek heeft ingediend om een deel van het perceel in erfpacht uitgegeven te krijgen. Door niet op dat verzoek te beslissen, handelt het Land in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee onrechtmatig jegens haar, aldus [eiseres]. 3.
- Het Land heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. 4De beoordeling 4.
- .
- Bij onderscheiden beslissingen van 7 juni 2024, voor zover thans van belang, heeft de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning besloten aan [eiseres] het recht van erfpacht te verlenen op een deel van het perceel met een oppervlakte van 784 m² en aan [eiseres] in huur uit te geven een deel van het perceel met een oppervlakte van 3.859 m². Nu [eiseres] heeft verzocht om aan haar een deel van het perceel met een oppervlakte van 1778 m² in erfpacht uit te geven en bij voormelde beslissingen op dat verzoek aan [eiseres] een deel van het perceel met een oppervlakte van 784 m² in erfpacht is uitgegeven, moeten deze beslissingen ook worden aangemerkt als een weigering om het overige verzochte deel van het perceel aan [eiseres] in erfpacht uit te geven (hierna: de weigering). De vordering van [eiseres] in deze procedure strekt ertoe om alsnog het volledige deel van het perceel van 1778 m² aan haar in erfpacht uit te geven, zoals op 17 november 2011 verzocht. 4.
- Op grond van de artikelen 7 en 8, eerste lid, van de Landsverordening domaniale gronden, gelezen in verbinding met artikel 2 van de Eilandsverordening van de 12de juni 1953 op de uitgifte in erfpacht van gronden behorende aan het Eilandgebied Curaçao, is de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning bevoegd tot uitgifte van gronden in erfpacht volgens de bepalingen van de navolgende artikelen. Volgens vaste rechtspraak (zie GHvJ 12 augustus 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:221) is de beslissing van de minister over de uitgifte van gronden in erfpacht een beschikking ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling en is dat niet anders bij een beschikking waarbij een verzoek tot uitgifte van gronden of water in erfpacht wordt afgewezen. Op grond van artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) mag een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Dit betekent dat bij het uitoefenen van de bevoegdheid om al dan niet overeenkomsten tot vestiging van erfpacht aan te gaan, het Land geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht in acht moet nemen. 4.3 Als regel van publiekrecht heeft volgens vaste rechtspraak (vergelijk onder meer GHvJ 22 november 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:191) te gelden dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig het gevoerde beleid. Voor afwijking van beleid is alleen plaats, indien de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Het bestuursorgaan dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. 4.
- Aan de weigering heeft het Land ten grondslag gelegd dat het het beleid voert dat huurgrond in de regel alleen wordt omgezet in erfpacht voor woondoeleinden. Het beoogde gebruik van het desbetreffende deel van het perceel betreft geen woondoeleinden, aldus het Land. 4.
- Dat dit beleid niet is gepubliceerd, zoals [eiseres] stelt, maakt op zichzelf niet dat het Land daaraan niet is gebonden. Het Land heeft onweersproken gesteld dat het al enige tijd de vaste gedragslijn heeft dat in huur uitgegeven gronden alleen dan in erfpacht worden uitgegeven, voor woondoeleinden. Dat deze vaste gedragslijn niet is geformaliseerd in op schrift gesteld beleid, maakt voor de binding van het Land aan dat beleid geen verschil. Dit betekent dat het beleid in dit geval van toepassing is. 4.
- In hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd is geen grond te vinden voor het oordeel dat het beleid in zijn algemeenheid onredelijk is. [eiseres] heeft voorts niet gesteld dat en waarom het vasthouden aan het gevoerde beleid voor haar gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. 4.
- Voorts is niet in geschil dat als het Land in dit geval handelt in overeenstemming met het gevoerde beleid, het verzoek van [eiseres] om het volledig verzochte deel van het perceel in erfpacht uit te geven, niet voor toewijzing in aanmerking komt. 4.
- De vordering, die ertoe strekt om het recht van erfpacht op het volledig verzochte deel van 1778 m² van het perceel te verkrijgen, dient dan ook te worden afgewezen. Aan de stellingen van partijen over de kwestie of dat deel van het perceel in huur voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd moet worden uitgegeven, gaat het gerecht voorbij. De vordering strekt, zoals hiervoor al is vermeld, niet tot uitgifte van het perceel in huur voor onbepaalde tijd. 4.
- Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiseres] verwezen in de aan de zijde van het Land opgekomen proceskosten. Deze worden tot op heden begroot op nihil, nu de gemachtigde van het Land in dienst is van het Land. 5De beslissing Het gerecht: 5.
- wijst de vordering af; 5.
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van het Land, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.