← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:264

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202403407 Beschikking d.d. 28 november 2024 op het verzoek van: [de vrouw], wonend in [woonplaats], verzoekster, hierna te noemen: de vrouw, gemachtigde: mr. E.A. Knoppel, tegen [de man], wonend in [woonplaats], verweerder, hierna te noemen: de man, procederend in persoon. 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. Het procesverloop blijkt uit: de beschikking van 5 maart 2024 waarbij tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken en de beslissing op het verzoek van de vrouw om partneralimentatie is aangehouden; de schriftelijke toelichting van 28 maart 2024 van de vrouw; de producties van 28 april 2024 van de man; de aanvullende akte van 25 juni 2024 van de man; het aanvullend verweer van 27 augustus 2024 van de man; de antwoordakte van 27 augustus 2024 van de vrouw; - de mondeling behandeling op 31 oktober 2024, waar partijen in persoon zijn verschenen, de vrouw bijgestaan door haar gemachtigde, die een toelichting heeft overgelegd. 1.
  2. De uitspraak is bepaald op heden. 2
  3. De verdere beoordeling van het verzoek. 2.
  4. De vrouw heeft het gerecht verzocht te bepalen dat de man aan haar een bedrag van NAf 3.608,34 per maand betaalt voor haar levensonderhoud. 2.
  5. Voor de beoordeling van de vraag of aanspraak op partneralimentatie bestaat, is van belang vast te stellen of degene die alimentatie verzoekt mede gelet op de tijdens het huwelijk genoten welstand als behoeftig moet worden aangemerkt. Daarnaast dient de draagkracht van de alimentatieplichtige te worden vastgesteld. 2.
  6. De vrouw heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat haar maandelijkse lasten in totaal NAf 4.629,03 bedragen en dat zij aan inkomsten NAf 1.020,69 aan AOV ontvangt. 2.2 De man betwist behoefte van de vrouw. Ten aanzien van de door de vrouw opgevoerde kosten, voert de man aan dat de voormalige echtelijke woning inmiddels op naam van de dochter van partijen staat en dat partijen voor de hypotheeklening slechts borg staan. Ten aanzien van de door de vrouw gestelde inkomsten, voert de man het volgende aan. In de ondernemingen van de vrouw gaan geldbedragen om, dus heeft zij daar, anders dan zij stelt, ook inkomsten uit. Met deze inkomsten, de AOV en het bedrag van NAf 2.500,- dat de vrouw van het pensioen van de man ontvangt, is de vrouw niet behoeftig, aldus de man. 2.
  7. Niet in geschil is dat de vrouw NAf 2.500,- per maand van het pensioen van de man ontvangt. Voor zover de vrouw stelt dat zij uit hoofde van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aanspraak op een hoger maandelijks pensioenbedrag heeft, valt dat buiten de kaders van dit geding, dat in de eerste plaats betrekking heeft op de vraag of de vrouw partneralimentatiebehoeftig is. Bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap komt de vraag aan de orde op welke wijze het door de man opgebouwde pensioen dient te worden verdeeld. Het is aan partijen om op dit vlak actie te ondernemen. Verder is niet in geschil dat de vrouw een bedrag van NAf 1.020,69 per maand aan AOV ontvangt. 2.
  8. Hoewel de man betwist dat de vrouw NAf 4.629,03 aan maandelijkse kosten heeft, omdat de echtelijke woning – evenals de daarbij behorende hypotheek – niet meer op naam van partijen, maar op naam van de dochter van partijen staat, gaat het gerecht veronderstellerderwijs uit van de door de vrouw gestelde maandlasten. Onder deze omstandigheden bestaat tussen kosten en inkomsten een negatief verschil van NAf 1.108,
  9. 2.
  10. Niettemin komt het gerecht tot de conclusie dat de vrouw niet behoeftig is. Daartoe overweegt het gerecht als volgt. De man heeft in de stukken en ter zitting gesteld dat de vrouw inkomsten heeft uit ondernemingen. Ter zitting heeft hij deze stelling nader onderbouwd, door te verwijzen naar bankafschriften over de periode van 2020 tot en met 2024 van een bankrekening waarvan hij (mede) rekeninghouder is. Deze bankrekening wordt alleen gebruikt door de vrouw, zo heeft de man onweersproken gesteld. Op die bankrekening zijn gedurende voormelde periode met enige regelmaat geldbedragen gestort, van soms wel NAf 7.000,-, met daarbij onder meer de vermelding dat het gaat om merchandise voor die ondernemingen. Daartegenover heeft de vrouw gesteld dat de bedragen die op die rekening zijn bijgeschreven haar AOV pensioen betreffen en een eenmalige uitkering van de winst van NAf 16.000,- gulden in de Wega di Number Kòrsou. Naar het oordeel van het gerecht heeft de vrouw hiermee evenwel de stelling van de man dat zij inkomsten genereert uit ondernemingen onvoldoende weersproken. De door de man onweersproken gestelde bijschrijvingen op een rekening die alleen door de vrouw wordt gebruikt, betroffen wisselende bedragen, niet steeds zijnde het bedrag van NAf 1.020,69, waren afkomstig van derden en hadden een aan de ondernemingen gerelateerde omschrijving. Aldus heeft de man aannemelijk gemaakt dat de vrouw inkomsten genereert. De vrouw heeft niettemin verder geen enkele inzage of nadere toelichting verschaft, behalve de betwisting dat zij inkomsten genereert uit de ondernemingen met de stelling dat deze ondernemingen niet meer actief zijn dan wel op naam van een derde staan. Dat is, gelet op het vorenoverwogene, onvoldoende. Onduidelijk blijft dan ook of met deze inkomsten voormeld verschil van NAf 1.108,34 per maand (zie 2.5.) kan worden opgevangen. Nu de vrouw heeft nagelaten de benodigde duidelijkheid te verschaffen, dient deze onduidelijkheid voor haar rekening te blijven. Het gerecht gaat er dan ook vanuit dat de vrouw voldoende inkomsten geniet en daarom ook niet behoeftig is. Het verzoek komt reeds om deze reden niet voor toewijzing in aanmerking. De stellingen en weren van partijen ten aanzien van de draagkracht van de man, behoeven dan ook geen bespreking meer. 2.
  11. Nu partijen gewezen echtelieden zijn, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. 3De beslissing Het gerecht: 3.
  12. wijst af het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie; 3.
  13. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en op 28 november 2024 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.