← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:265

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO zaaknummer: CUR202402982 Beschikking van 19 november 2024 inzake: [bewindvoerder], wonend in [woonplaats], verzoeker, hierna ook te noemen: de bewindvoerder, procederend in persoon, als bewindvoerder over het vermogen van zijn moeder: [rechthebbende], geboren op [geboortedatum] 1939 op [geboorteplaats], hierna te noemen: rechthebbende, waarin als belanghebbende wordt aangemerkt de andere zoon van de rechthebbende: [belanghebbende], wonend in [woonplaats], procederend in persoon. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met producties, op 5 april 2024 ter griffie ingediend; het verweerschrift zijdens de belanghebbende op 29 augustus 2024 ter griffie ingediend; de mondelinge rolbehandeling op 22 oktober 2024 waarbij de bewindvoerder en de rechthebbende aanwezig waren. 1.2. De uitspraak is bepaald op heden. 2Het verzoek en de beoordeling 2.1. Het verzoek strekt ertoe de bewindvoerder te machtigen voor het doen van een jaarlijkse schenking van NAf 4.000 namens de rechthebbende aan de bewindvoerder, ingaande 2024. Een zelfde schenking aan de belanghebbende moet volgens de bewindvoerder worden “bevroren” en op de spaarrekening van de rechthebbende blijven staan, vanwege de vertroebelde relatie tussen de rechthebbende en de belanghebbende. 2.2. Aan het verzoek legt de bewindvoerder ten grondslag dat hij, naar aanleiding van het beschikbaar gekomen eigen vermogen van de rechthebbende door woningverkoop, gebruik wil maken van de mogelijkheid tot belastingvrij schenken aan eigen kinderen door de rechthebbende. 2.3. De belanghebbende verzet zich tegen het verzoek en voert -kort samengevat- daartoe aan dat het vermogen van de rechthebbende, in haar belang, en ten behoeve van haar aangewend dient te worden. Ze dient voldoende financiële middelen te hebben voor haar dagelijkse zorg en voor het geval dat ze in een latere stadium verpleging of hulpmiddelen nodig zal hebben. Een periodieke schenking in de vorm van een voorschot op de erfenis is volgens de belanghebbende niet in het belang van de rechthebbende. 2.4. Op grond van artikel 1:441 lid 2 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de rechter in eerste aanleg voor het beschikken over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt. 2.5. Vaststaat dat het doen van schenkingen uit het vermogen van de rechthebbende een beschikkingsdaad betreft. Voorts is de rechthebbende niet tot het geven van toestemming in vorenbedoelde zin in staat. De rechthebbende is als gevolg van haar medische toestand niet in staat haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. 2.6. Bij de uitoefening van zijn taak dient de bewindvoerder zich te richten naar de wensen van de rechthebbende, voor zover deze wensen zich verdragen met een doelmatige belegging van het vermogen. In het geval de rechthebbende niet in staat is zijn of haar wil te uiten, zoals hier het geval is, dient de vraag te worden beantwoord of de rechthebbende tot de betreffende schenking(

  1. en)zou zijn overgegaan als hij of zij in staat zou zijn geweest zijn of haar wil te bepalen. Deze vraag kan in beginsel bevestigend worden beantwoord indien er sprake is van een schenkingstraditie. 2.7. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een schenkingstraditie. Voorts is gesteld noch gebleken dat de schenking voor het overige in het belang is van de rechthebbende, bijvoorbeeld in die zin dat deze haar leefomgeving zou verbeteren. Onder deze omstandigheden ziet het gerecht geen aanleiding om af te wijken van voormelde hoofdregel. Daarbij neemt het gerecht mede in aanmerking dat vooralsnog geen inzicht is geboden in het na de schenking(
  2. en)resterende vermogen van de rechthebbende, dat het eventuele resterende vermogen in de eerste plaats in het belang van de rechthebbende dient te worden aangewend, zoals voor haar verzorging en oudedagsvoorziening, en dat de bewindvoerder niet de enige erfgenaam van de rechthebbende is, zo het al in het belang van de rechthebbende kan worden geoordeeld om op haar overlijden en nalatenschap vooruit te lopen. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen. 2.8. Voor zover de bewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge rolbehandeling te kennen heeft gegeven aanspraak te willen maken op een vergoeding, omdat hij als bewindvoerder kosten maakt, zoals kosten voor tickets voor zijn jaarlijkse reis uit Nederland naar Curaçao, geeft dat geen grond voor een ander oordeel. In artikel 1:447 lid 1 BW is de beloning voor de bewindvoerder geregeld. De beloning wordt verrekend bij de uitkering aan de rechthebbende van de netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen. Dit geschiedt bij het afleggen van de periodieke rekening en verantwoording. 2.9. Het is het gerecht voorts ambtshalve gebleken dat de bewindvoerder verzuimd heeft om een schriftelijke rekening en verantwoording uiterlijk op 15 april 2024, zoals opgenomen in de beschikking van 6 april 2023, in te dienen bij het gerecht. Dit maakt dat het gerecht haar toezichthoudende taak in onvoldoende mate kan uitoefenen. Gelet hierop zal het gerecht de zaak verwijzen naar de hierna vermelde dinsdagrol voor indiening rekening en verantwoording zijdens de bewindvoerder. Het gerecht merkt hierbij op dat de bewindvoerder, nu hij in Nederland woont, de rekening en verantwoording ook vóór deze roldatum via het e-mailadres van het gerecht gea-ejcur@caribjustitia.org, kan indienen. 3De beslissing Het gerecht: 3.1. wijst het verzoek van de bewindvoerder af; 3.2. verwijst de zaak naar de dinsdagrol van 14 januari 2025 om 8.30 uur voor akte indiening rekening en verantwoording zijdens de bewindvoerder. Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. I.J.C. Wilson, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.