← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:269

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202402861 Vonnis in kort geding van 17 oktober 2024 in de zaak van [eiseres], wonende in [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. A.M. Faria, tegen de besloten vennootschapDOENZO B.V., gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. W. Dingemanse. Partijen worden hierna [eiseres] en Doenzo genoemd. 1Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift met producties van 29 juli 2024; de producties van gedaagde, de mondelinge behandeling gehouden op 3 oktober 2024 waarbij eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Faria, en namens gedaagde zijn verschenen haar bestuurders de [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1]) en mevrouw [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2]), bijgestaan door mr. Dingemanse; De pleitnotities van partijen en de ter zitting namens eiseres overgelegde productie. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. Eiseres heeft op 13 oktober 2022 van de heer [huurder] een tweekamerappartement op een resort gehuurd, met het adres [het adres]. De huurprijs was NAf 975,00 per maand. Eiseres heeft NAf 975,00 borg betaald. 2.2. In 2023 is het resort overgenomen door gedaagde. De bestuurders van gedaagde zijn [bestuurder 1] en [bestuurder 2]. 2.3. Omdat gedaagde het resort wilde opknappen zijn partijen overeengekomen dat de huurovereenkomst per 1 maart 2024 zou worden beëindigd. Partijen zijn later nader overeengekomen dat de huurovereenkomst zou doorlopen tot 1 april 2024, omdat eiseres nog geen nieuwe woonruimte had. 2.4. Eiseres heeft aangegeven de borg te zullen verrekenen met de huur van maart 2024. Gedaagde ging hiermee niet akkoord. 2.5. Op 4 maart 2024 ontstond er een woordenwisseling tussen [bestuurder 1] en eiseres. Eiseres is vervolgens door gedaagde de toegang tot het appartement ontzegd en gedaagde heeft de sloten vervangen. 2.6. Op 5 en 14 maart 2024 heeft eiseres aangifte gedaan bij de politie van mishandeling en diefstal van haar goederen door [bestuurder 1] en [bestuurder 2]. De aangifte heeft niet geleid tot strafvervolging. 2.7. Gedaagde heeft inboedelgoederen van eiseres uit het appartement gehaald. 2.8. Gedaagde heeft een factuur opgesteld ten bedrage van NAf 4.606,61, gedateerd op 11 maart 2024, ter zake de kosten van de oplevering van het appartement. Onder andere worden kosten in rekening gebracht voor de ontruiming van de woning. 2.9. Eiseres heeft eind maart 2024 inboedelgoederen opgehaald. Zij mocht haar leren hoekbank, een kinderfietsje, een eettafel en twee dozen met daarin onder andere servies, pas van gedaagde meenemen wanneer zij de factuur van 11 maart 2024 betaalde. 2.10. Het kinderfietsje en het bankstel heeft eiseres later aangetroffen in een tweedehandswinkel. Zij mocht deze spullen van de winkeleigenaar zonder betaling meenemen. Eiseres heeft alleen de kinderfiets meegenomen. 2.11. Op 25 september 2024 heeft mevrouw [verklaarder 1] schriftelijk verklaard: [eiseres] woonde toen naast mij (…) In het rapport staat dat ze aan haar haren naar buiten is gesleurd dat is absoluut niet waar. 2.12. De heer [verklaarder 2] heeft, ongedateerd, schriftelijk verklaard: Na een week of twee heb ik gezien dat mevrouw er weer was. Zij kwam haar spullen halen met een witte truck. Ik heb deze helemaal vol zien wegrijden. 2.13. De heer [verklaarder 3] heeft, ongedateerd, schriftelijk verklaard: Ik heb geen mishandeling gezien, ook niet gezien dat mevr blauwe plekken of bloed zou hebben gehad. (…) Twee of 3 weken later ongeveer heb ik met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] het appartement leeggehaald en alles verpakt. Mevrouw [eiseres] was er om haar spullen op te halen. Wij hebben de draagbare spullen naar de weg gebracht. Deze zijn meegegaan met de verhuizers die er waren. Er stonden nog wat zware spullen buiten bij het appartement, deze zijn met de verhuizers meegenomen. De truck zat bom vol. Ik heb geen spullen meer zien staan op het terras en ook niet meer bij de weg toen ze wegreden. Alles was meegenomen. 3De vordering en de standpunten van partijen 3.1. Eiseres heeft gevorderd dat het gerecht, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt tot betaling van (

  1. i)het bedrag van NAf 24.540,00 aan schadevergoeding dan wel als voorschot op de door eiseres vanwege een onrechtmatige daad van gedaagde, geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2024 en (
  2. ii)de proceskosten. 3.2. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zonder recht eenzijdig de huurovereenkomst te ontbinden, eiseres te mishandelen en uit het appartement te verwijderen, haar de toegang tot het appartement te ontzeggen en zonder toestemming enkele van haar persoonlijke eigendommen op straat te zetten en de overige zich toe te eigenen. Haar schade betreft de waarde van deze inboedel, ten bedrage van NAf 23.565,00. Eiseres vordert voorts als schade een bedrag ter hoogte van de borg, omdat zij geen huurgenot heeft gehad in maart 2024. 3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Gezien het overgelegde bewijs van onvermogen zal aan eiseres toestemming worden verleend om kosteloos te mogen procederen. 4.2. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet er sprake zijn van onverwijlde spoed op grond waarvan een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden. 4.3. Het gerecht is van oordeel dat eiseres op grond van haar financiële situatie, zoals door haar is toegelicht ter zitting en is onderbouwd met het overgelegde bewijs van onvermogen, een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. 4.4. Anders dan gesteld door gedaagde, kan de rechtspersoon Doenzo door eiseres in rechte worden aangesproken, nu niet in geschil is dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] hebben opgetreden in hun hoedanigheid van bestuurders van Doenzo. Het gerecht zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling. 4.5. De gestelde mishandeling is naar het oordeel van het gerecht, gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen en het beperkte toetsingskader van het gerecht in kort geding, onvoldoende aannemelijk geworden. Gedaagde heeft de mishandeling betwist en met enkel de aangifte kan dit niet worden aangetoond, te meer nu dit niet tot strafvervolging heeft geleid. Ook uit de door eiseres overgelegde foto, waaruit zou blijken dat zij blauwe plekken heeft, kan niet worden afgeleid dat gedaagde, in de persoon van [bestuurder 1], daarvoor verantwoordelijk is. Daar komt bij dat door gedaagde getuigenverklaringen zijn overgelegd die geen melding maken van mishandeling. 4.6. Dat gedaagde de toegang tot het appartement aan eiseres heeft ontzegd, de woning heeft ontruimd en de sloten heeft vervangen is niet in geschil. Voor de ontruiming van een woning is instemming van de bewoner dan wel een rechterlijke beslissing of een specifieke wettelijke bevoegdheid vereist. Pas dan mag er tot ontruiming worden overgegaan. Vaststaat dat eiseres tegen haar wil uit de woning is gezet, dus zonder haar instemming, en dat van een rechterlijk bevel tot ontruiming geen sprake was. Ook een wettelijke bevoegdheid was er voor gedaagde niet, zeker niet nu nog geen sprake was van een vervangende woonruimte. Dit betekent dat de ontruiming onbevoegdelijk is geschied. Gedaagde heeft daarmee inbreuk gemaakt op het woonrecht van eiseres, hetgeen een onrechtmatige daad oplevert in de zin van artikel 6:162 BW en gedaagde jegens haar schadeplichtig maakt. Dat gedaagde overlast zou veroorzaken of geen huur zou willen betalen, zoals door gedaagde is aangevoerd, maakt dit niet anders. 4.7. Gezien het voorgaande acht het gerecht het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de gevorderde schade, ter hoogte van de borg, wegens gederfd woongenot zal toewijzen. 4.8. Ten aanzien van de gestelde schade, bestaande uit de waarde van de gestelde achtergehouden inboedel, is het gerecht van oordeel dat hiervan, mede gelet op het karakter van de onderhavige procedure, onvoldoende is gebleken. Gedaagde heeft betwist meer spullen dan de leren hoekbank, het kinderfietsje, de eettafel en de twee dozen met daarin onder andere servies onder zich te hebben gehouden. De kinderfiets heeft eiseres inmiddels terug en ook de hoekbank kan zij ophalen. Ter zitting heeft gedaagde verklaard dat eiseres ook de eettafel en de dozen kan ophalen. Voorts is door gedaagde gewezen op getuigenverklaringen waaruit naar voren komt dat eiseres haar inboedel heeft opgehaald, terwijl eiseres zelf ook heeft verklaard spullen te hebben opgehaald en in de opslag te hebben gedaan. 4.9. In dit verband wordt nog overwogen dat het beroep van gedaagde op een retentierecht niet slaagt. Deze bevoegdheid bestond niet, gelet op artikel 3:290 BW jo 6:53 BW, nu geen sprake was van een opeisbare vordering. Gedaagde had immers de huurovereenkomst beëindigd, zodat geen aanspraak meer bestond op de huur van maart 2024. Daarnaast heeft gedaagde, door eiseres niet meer toe te laten tot het appartement, haar de mogelijkheid ontnomen te voldoen aan haar verplichting ingevolge artikel 7:224 lid 2 BW om het appartement op te leveren in dezelfde staat waarin deze is aanvaard. De kosten van de oplevering van het appartement komen dan ook voor eigen risico van gedaagde en kunnen niet van eiseres worden gevorderd. 4.10. Gelet op het voorgaande wordt de vordering toegewezen zoals hierna vermeld. 4.11. Gedaagde zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van eiseres worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 750,00 aan griffierecht, NAf 536,36 aan oproepingskosten en NAf 1.000,00 aan gemachtigdensalaris. 4.12. De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen een rechtsmiddel tegen deze beslissing instelt. 5De beslissing in kort geding Het gerecht: 4.1. veroordeelt Doenzo om aan [eiseres] als voorschot op schadevergoeding te betalen een bedrag van NAf 975,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling, 4.2. veroordeelt Doenzo in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 2.286,36, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na het vonnis tot aan de dag van volledige betaling, 4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D.W.J. Vinkes, rechter, en op 17 oktober 2024 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.