← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:276

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202300728 Vonnis van 16 december 2024 in de zaak van [Eiser], wonende in [woonplaats], eiser, hierna: [eiser], gemachtigden: mrs. R.M.L. Conquet en D.J. Brug, tegen [Gedaagde], wonende in [woonplaats], gedaagde, hierna: [gedaagde], gemachtigde: mr. S.C. Larmonie. 1Het procesverloop 1.

  1. Het verdere procesverloop blijkt uit: het vonnis van 8 april 2024, de akte met producties van [gedaagde] van 7 oktober 2024, de akten van [eiser] en [gedaagde] van 4 november
  2. 1.
  3. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De verdere beoordeling In conventie en reconventie 2.
  4. [ gedaagde] heeft ten bewijze van haar stelling dat de handtekening op het document van de Stichting Verriet van [eiser] afkomstig is het rapport ingebracht van de door het gerecht benoemde (handschrift)deskundige B. van Leeuwen d.d. 29 mei
  5. 2.
  6. De deskundige voornoemd concludeert: “Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de resultaten van het onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de betwiste handtekening een valse of vervalste handtekening betreft dan wanneer het om een authentieke handtekening gaat. In getallen uitgedrukt betekent dit dat de kans op de resultaten 10 tot 100 keer groter is wanneer het om een valse of vervalste handtekening gaat dan wanneer het om een authentieke handtekening gaat.” 2.
  7. Uit deze conclusie volgt ondubbelzinnig dat het naar het oordeel van de deskundige waarschijnlijker is dat de handtekening vals of vervalst is, dan dat deze authentiek en dus afkomstig van [eiser] is. [gedaagde] kan dan ook niet worden gevolgd in haar niet nader onderbouwde contrair luidende conclusie in haar akte van 4 november
  8. Het gerecht heeft geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de deskundige. Deze is deugdelijk gemotiveerd en onderbouwd en geeft inzicht in de gehanteerde onderzoeksmethodiek. 2.
  9. De conclusie is dat [gedaagde] niet heeft bewezen dat de handtekening op de akte van [eiser] afkomstig is. De onderhandse akte levert dan ook geen bewijs op. In dit verband merkt het gerecht op dat niet alleen geen sprake is van dwingend bewijs, maar ook niet van vrij bewijs. Artikel 138 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) maakt op dit punt geen onderscheid tussen dwingend bewijs en vrij bewijs; zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is, levert de akte ‘geen bewijs’ op. [gedaagde] heeft bij akte van 8 januari 2024 reeds aangegeven op geen enkele andere wijze bewijs te kunnen leveren dan door dit handschriftonderzoek. 2.
  10. Nu [gedaagde] niet geslaagd is in het haar opgedragen bewijs, moet worden geconcludeerd dat [eiser] zijn huurrechten niet heeft overgedragen aan de dochter van partijen in 2016 en nog altijd huurder is van de Woning. [gedaagde] moet vanwege het feit dat partijen langer dan tien jaren hebben samengewoond als waren zij gehuwd van rechtswege als medehuurder worden aangemerkt op de voet van artikel 7:233 lid 1 juncto art. 7:236 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). 2.
  11. Partijen doen als medehuurders met hun beider vorderingen in feite een beroep op de zogenaamde scheidingsregeling ex artikel 7:233 lid 5 BW op grond waarvan het gerecht kan worden verzocht te bepalen wie de huurder is (blijft) van de Woning, waarbij het gerecht tevens kan bepalen op welke dag deze huur zal ingaan en op welke zelfde dag de huur met de ander zal eindigen. 2.
  12. Dit vergt een belangenafweging die als volgt uitpakt. Hoewel de gevolgen voor [gedaagde] bij een gedwongen einde van de huur en een vertrek uit de Woning aanzienlijk zijn en onderkend worden, wegen de belangen van [eiser] bij het voortzetten van de huur en het hervatten van de bewoning van de Woning zwaarder om de navolgende redenen. 2.
  13. [ Eiser] heeft, zo is onweersproken gesteld, de Woning na de relatiebreuk op advies van zijn familieleden tijdelijk verlaten om een tijdelijke oplossing te creëren in het gerezen conflict over de Woning en om de gemoederen tot rust te brengen. Hij heeft geen vaste nieuwe woonplek gevonden en trekt nog steeds van het ene huis naar het andere. De bedoeling was altijd om terug te keren, aldus [eiser]. De Huurgrond is destijds aan zijn wijlen moeder uitgegeven. [Eiser] heeft daar vanaf zijn geboorte met zijn moeder gewoond en nog altijd wonen op de Huurgrond meerdere familieleden van hem in verschillende woningen. De Huurgrond is dus al decennia lang in handen van zijn familie, een situatie die nooit veranderd is sinds de uitgifte van de grond aan zijn moeder. De banden tussen de familieleden van [eiser] en [gedaagde] zijn op dit moment verre van goed te noemen, zo is het gerecht ook gebleken uit de onrustige sfeer ter terechtzitting. De risico’s op conflict zijn zeker niet van de lucht als [gedaagde] de huurrechten toebedeeld zou krijgen, nog daargelaten dat [eiser] daarmee gescheiden zou worden van zijn familie met wie hij, net als met de Huurgrond, een nauwe en langdurige band heeft. 2.
  14. Tegenover deze belangen staan de belangen van [gedaagde]. Zij woont sinds 2001 op de Huurgrond, dat is lang, maar veel minder lang dan [eiser] en zijn familie. [gedaagde] baat een onderneming uit in de Woning, net als de dochter van partijen. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] deze onderneming niet elders kan voortzetten. [Eiser] heeft ter terechtzitting desgevraagd toegelicht dat de ontruiming niet ziet op zijn dochter; zij mag in de Woning blijven wonen en haar bedrijf daar blijven exploiteren, aldus [eiser]. Daarmee komen de belangen van [gedaagde] in feite neer op het voortzetten van haar onderneming en de bewoning van de Woning vanwege de lange duur dat zij dit al doet. 2.
  15. Dit belang, hoewel het gerecht het onderkent, weegt echter onvoldoende zwaar tegenover het in stand houden van de bewoning van de Huurgrond door één familie die dit al decennialang doet. 2.
  16. Het voorgaande brengt mee dat het gerecht de in conventie gevorderde verklaring voor recht zal afwijzen, maar zal bepalen dat [eiser] de rechthebbende is van de huurrechten van de Woning met ingang van 1 februari 2025 en dat met ingang van diezelfde datum de wettelijke medehuur door [gedaagde] eindigt. [Gedaagde] wordt daarmee een naar het oordeel van het gerecht redelijke termijn gegund voor vertrek. Een vertrek waarmee zij in elk geval lopende deze procedure als mogelijkheid rekening heeft kunnen houden. Deze beslissing heeft niet alleen werking jegens (mede)huurders, maar ook jegens de verhuurder die hieraan gebonden is (ECLI:NL:HR:2021:1964). 2.
  17. De vordering tot ontruiming van [eiser] kan in zoverre worden toegewezen dat [gedaagde] uiterlijk 31 januari 2025 de Woning zal moeten verlaten. De vordering in conventie zal gelet op het voorgaande in zoverre dan ook worden toegewezen. 2.
  18. Gedwongen ontruiming geschiedt op grond van art. 556 lid 1 Rv door de deurwaarder, die daartoe dit vonnis aan huurder zal moeten betekenen. Als de deuren gesloten zijn of medewerking aan de ontruiming wordt geweigerd, kan de deurwaarder op grond van artikel 557 Rv jo. artikel 444 lid 2 Rv de sterke arm van politie en justitie inroepen. Het gerecht zal de vordering ter zake daarom toewijzen als hierna vermeld en reeds op voorhand toestemming geven voor de daarvoor op grond van artikel 444 lid 2 Rv noodzakelijke vertegenwoordiging. 2.
  19. Het gerecht ziet geen aanleiding [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een vergoeding voor het gebruik van de Woning nu uit de stukken (productie 6 bij het verzoekschrift en de ter terechtzitting overgelegde producties van [gedaagde]) en het verhandelde ter terechtzitting voldoende is gebleken dat zij gedurende de jaren na het vertrek van [eiser] in 2019 de huur is blijven betalen aan de Stichting Verriet (waartoe zij als medehuurder overigens ook hoofdelijk gehouden was ingevolge art. 7:233 lid 2 BW) en ook steeds de nutskosten voor haar rekening heeft genomen, [eiser] destijds vrijwillig vertrokken is, ermee instemde dat [gedaagde] en zijn dochter achterbleven en haar pas recent, op 4 januari 2023, heeft verzocht de Woning te ontruimen. Dit deel van de vordering zal dus worden afgewezen. 2.
  20. Al het voorgaande leidt tevens tot de conclusie dat de vordering in reconventie (ook in gewijzigde zin, zoals weergegeven in de akte van [gedaagde] van 8 januari 2024) moet worden afgewezen. 2.
  21. Omdat [gedaagde] (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie. De kosten van [eiser] in conventie en reconventie worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 341,45 aan oproepingskosten, NAf 450 aan griffierecht en NAf 3.750 ( 3 punten vanwege de sterke verwevenheid van conventie en reconventie x tarief 5), in totaal NAf 4.541,
  22. De kosten voor het deskundigenbericht zijn reeds door [gedaagde] voldaan en blijven ingevolge de proceskostenveroordeling voor haar rekening. 2.
  23. De gevorderde en niet betwiste buitengerechtelijke incassokosten acht het gerecht conform het Procesreglement toewijsbaar tot 1,5 punt van het toepasselijke liquidatietarief. Dit komt neer op een bedrag van NAf 1.
  24. 2.
  25. De gevorderde wettelijke rente kan worden toegewezen als na te melden. 2.
  26. De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof. 3De beslissing Het gerecht: In conventie 3.
  27. bepaalt dat [eiser] de rechthebbende is van de huurrechten van de woning aan de [adres] met ingang van 1 februari 2025 en dat met ingang van diezelfde datum de wettelijke medehuur door [gedaagde] eindigt; 3.
  28. beveelt [gedaagde] om uiterlijk op 31 januari 2025 de woning gelegen aan de [adres], met al het hare, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden onder afgifte van de sleutels aan [eiser]; 3.
  29. verstaat dat, indien [gedaagde] niet aan de veroordeling onder 3.
  30. voldoet, de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent reeds nu toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 jo. 444 lid 2 Rv; In reconventie 3.
  31. wijst de vordering af; In conventie en reconventie 3.
  32. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van NAf 4.541,45; 3.
  33. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te voldoen NAf 1.875 aan buitengerechtelijke incassokosten; 3.
  34. bepaalt dat de proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald; 3.
  35. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  36. wijst af wat verder is gevorderd. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.B. Hubben, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.