GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak op grond van artikel 79, eerste lid, van de Lar in het geding tussen: [eiser], wonende in Curaçao, eiser, gemachtigde: mr. drs. E. Kleist, en de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, verweerder, gemachtigden: mrs. E.A.M.J. van den Berg en G.N. Hollander. Partijen zullen hierna worden aangeduid als eiser en de minister. Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek aan de minister om handhavend op te treden (de bestreden beschikking). 1.2 De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. 1.3 Zonder dat daarvoor een onderzoek op een zitting nodig is, is het voor het Gerecht duidelijk dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Het Gerecht doet deze uitspraak daarom buiten zitting. Artikel 79, eerste lid, aanhef en onder b, van de Lar biedt die mogelijkheid. Beoordeling door het Gerecht Wat is relevant om te weten in deze zaak? 2.1 Eiser is eigenaar van de percelen [A] en [B]. Volgens eiser wordt de toegangsweg naar zijn percelen geblokkeerd door auto’s die worden geparkeerd door bewoners van de – volgens eiser illegaal gebouwde - woningen op de percelen [C] en [D]. 2.2 Eiser heeft vanwege deze situatie aan de minister op 24 oktober 2019, 31 augustus 2020 en 8 december 2022 brieven gestuurd waarin hij om handhaving verzoekt. Vanwege het uitblijven van een reactie op de laatstgenoemde brief, heeft eiser op 19 februari 2024 beroep ingesteld bij het Gerecht. Welke wettelijke bepalingen zijn van toepassing in deze zaak? 3.1 De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang. 3.2 Op grond van artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht. 3.3 Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lar wordt onder een beschikking verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is. Op grond van het tweede lid van deze bepaling wordt met een beschikking gelijk gesteld een weigering om een beschikking te geven. Als in de wet geen beslistermijn is opgenomen, is sprake van een weigering als hiervoor bedoeld als niet binnen een redelijke tijd een beschikking is gegeven. Dat volgt uit het derde lid van artikel
- 3.4 Artikel 16a, tweede lid, van de Lar bepaalt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een beschikking te geven. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. 3.5 Toegepast op deze zaak, komt het Gerecht tot de volgende beoordeling. Moet de minister op het verzoek om handhaving beslissen?
- In het verweerschrift stelt de minister zich primair op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De minister voert hiertoe allereerst aan dat eiser in het verleden eerder om handhaving heeft verzocht, ook op die verzoeken niet is gereageerd en eiser daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Nu deze weigering om te beslissen daarmee formele rechtskracht heeft gekregen, is de minister niet gehouden om op het nieuwe handhavingsverzoek te beslissen. Als tweede argument voor niet-ontvankelijkheidverklaring voert de minister aan dat eiser geen verzoek heeft ingediend op grond van de Landsverordening Openbare Orde waardoor ook geen sprake kan zijn van een fictieve weigering om te beslissen op een dergelijk verzoek. De minister stelt zich subsidiair op het standpunt dat het handhavingsverzoek van eiser niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat geen sprake is van illegale bouw, dan wel handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
- Het Gerecht stelt voorop dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een reactie van de minister op zijn handhavingsverzoek. Het Gerecht stelt vervolgens vast dat de minister niet heeft beslist op dit handhavingsverzoek. Voor zover de minister heeft willen betogen dat niet op het handhavingsverzoek hoefde te worden beslist omdat het niet-ontvankelijk is en ook inhoudelijk geen kans van slagen heeft, volgt het Gerecht deze redenering niet. Ook in die gevallen, zal de minister namelijk op het handhavingsverzoek moeten beslissen. De niet-ontvankelijkheidverklaring of afwijzing van een verzoek levert namelijk ook een beschikking op in de zin van de Lar. Dat volgt uit vaste rechtspraak van dit Hof. Dat betekent dat de minister de niet-ontvankelijkheidverklaring of afwijzing van het verzoek moet neerleggen in een beschikking waartegen eiser indien gewenst vervolgens bezwaar of beroep kan instellen. Op die manier is de rechtsbescherming van eiser gewaarborgd. Dat de minister inmiddels in zijn verweerschrift op het verzoek heeft gereageerd, maakt het voorgaande niet anders. Een verweerschrift is immers geen beschikking en biedt niet de rechtsbescherming die een beschikking biedt.
- Het Gerecht stelt vast dat eiser ongeveer veertien maanden na zijn verzoek van 8 december 2022 beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beschikking op dit verzoek. Uitgaande van een redelijke termijn voor de minister van in dit geval drie maanden om op het verzoek van eiser te beslissen, heeft eiser pas na elf maanden beroep ingediend. Naar het oordeel van het Gerecht is dat onredelijk laat. Het beroep van eiser moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
- Nu het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, ziet het Gerecht geen aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. Het Gerecht gaat er wel vanuit dat de minister op korte termijn, te denken valt aan één maand na deze uitspraak, alsnog beschikt op het handhavingsverzoek van eiser. Tot het nemen van een beschikking op dat verzoek is de minister immers wel gehouden, zoals het Gerecht hiervoor al heeft overwogen. Beslissing Het Gerecht: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus gegeven door mr. drs. S. Lanshage, rechter in het Gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024 te Curaçao, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier. Tegen deze beslissing staat verzet open binnen twee weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak. Zie artikel 80 van de Lar.