← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:310

Parketnummer: 555.00088/24 Uitspraak: 6 november 2024 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdacht], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboortedatum], wonende in [woonplaats], thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober

  1. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mr. R.A. Gonet en mr. R.B.K. Polsbroek, advocaten in Curaçao. De officier van justitie, mr. E. van der Zee, heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat het Gerecht het onder feit 1 primair en feit 3 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Haar vordering behelst voorts de verbeurdverklaring van de in beslag genomen personenauto [automerk/model] met kenteken [kentekennummer] en de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen vuurwapen en de munitie. De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 primair hij op of omstreeks 15 april 2024 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en al dan niet na kalm en rustig overleg): rijdende in een [automerk/model], althans een auto, de auto van voornoemde [slachtoffer] heeft getracht klem te rijden, en/of; (vervolgens) de auto met als bestuurder voornoemde [slachtoffer] (op enige afstand) heeft achtervolgd, en/of; (vervolgens) uit een (rijdende) auto met een vuurwapen, een of meermalen op de zich in een (weg)rijdende auto bevindende [slachtoffer] heeft geschoten, althans in en/of in de richting van, de (achterzijde) van die (weg)rijdende auto heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (2:262/259/2:275/276 j° 1:119 Wetboek van Strafrecht) subsidiair hij op of omstreeks 15 april 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar opzettelijk genoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "wil je ook problemen", althans woorden van gelijke dreigende card en/of strekking geuit en/of (daarbij) opzettelijk dreigend: getracht heeft om de auto van voornoemde [slachtoffer] klem te rijden, en/of; (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] achtervolgd, en/of; (vervolgens) uit een (rijdende) auto met een vuurwapen een of meermalen op de (achterzijde van de) rijdende auto van voornoemde [slachtoffer] geschoten; (artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht) Feit 2 primair hij op of omstreeks 16 april 2024 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en al dan niet na kalm en rustig overleg): rijdende in een [automerk/model], althans een auto, de auto met als bestuurder voornoemde [slachtoffer] (op enige afstand) heeft achtervolgd, en/of; (vervolgens) uit een (rijdende) auto met een vuurwapen, een of meermalen op de zich in een (weg)rijdende auto bevindende [slachtoffer] heeft geschoten, althans in en/of in de richting van, die (weg)rijdende auto heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (2:262/259/2:275/276 j° 1:119 Wetboek van Strafrecht) subsidiair hij op of omstreeks 16 april 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar opzettelijk dreigend: rijdende in een [automerk/model], althans een auto, de auto met als bestuurder voornoemde [slachtoffer] (op enige afstand) achtervolgd, en/of; (vervolgens) uit een (rijdende) auto met een vuurwapen, een of meermalen op de zich in een (weg)rijdende auto bevindende [slachtoffer] geschoten, althans in en/of in de richting van, die (weg)rijdende auto geschoten; (artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht) Feit 3 Hij op of omstreeks 18 april 2024, althans in of omstreeks de periode van 15 april 2024 tot en met 18 april 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten [vuurwapen] van het kaliber 38, althans een vuurwapen en/of een hoeveelheid aan munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad. (artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930) Vrijspraak van de feiten 1 en 2 Met de raadslieden en de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat voor het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde: Uit de verklaringen van de aangever, de getuige, de drie verdachten, de camerabeelden en overige processen-verbaal in het dossier leidt het Gerecht de volgende gang van zaken af. Op 15 april 2024 vindt bij tankstation op de Schottegatweg Noord een treffen plaats tussen het voertuig waarin de verdachte en twee medeverdachten zitten (een[automerk/model]) en het voertuig van de aangever (een [automerk/model]). De verdachte [verdachte] is de bestuurder, de verdachte [medeverdachte 1] is passagier nasst de bestuurder gezeten en de verdachte [medeverdachte 2] zit achterin de auto achter de passagier. Van de ontmoeting bij het tankstation zijn camerabeelden veilig gesteld die ter terechtzitting zijn afgespeeld. De aangever stopt eerst schuin achter de auto van de verdachten en rijdt vervolgens langszij bij de bestuurderszijde, stopt daar en spreekt [verdachte] aan. De aangever vraagt aan [verdachte] waarom hij hem even daarvoor op de Suffisantweg had klemgereden en achtervolgd. [verdachte] antwoordt dat hij wilde zien wie in de auto reed en dat het een vergissing was. Vanaf dat moment lopen de verklaringen uiteen. De aangever verklaart dat hij zag dat [verdachte] zijn linkerhand tegen zijn heup plaatste alsof hij daar een vuurwapen had. Deze verklaring vindt enigszins steun in de verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] die echter nog iets verder gaat. [medeverdachte 2] verklaart dat hij zag dat [verdachte] een vuurwapen tussen zijn benen vandaan haalde en daarmee begon te zwaaien richting de aangever. [verdachte] noch [medeverdachte 1] verklaren over het gebaren op de mogelijke aanwezigheid van een vuurwapen dan wel het zwaaien met een vuurwapen door [verdachte]. De verklaringen van de aangever en van [medeverdachte 2] zijn weliswaar niet geheel gelijkluidend, maar duiden erop dat zich een vuurwapen in de auto van de verdachten heeft bevonden, hetgeen te rijmen is met het feit dat even later een schot vanuit de auto van de verdachten is gelost. Vervolgens rijdt de aangever weg van het tankstation en rijdt de auto bestuurd door [verdachte] er direct achter aan. Op de Punto Cardonweg ter hoogte van het voormalig UTS-gebouw in Monte Carmelo horen de aangever en de getuige die bij hem in de auto zat een schot c.q. een hard geluid. Beiden hebben niet waargenomen door wie is geschoten. De aangever verklaart dat hij het schot heeft gehoord precies op het moment dat de auto van de verdachten hem van achteren aan het naderen was en daarna voorbij reed. Er blijkt een kogelperforatie te zitten in de achterbumper van de auto van de aangever, hetgeen later door forensisch onderzoek wordt bevestigd. Enkele dagen later vinden verbalisanten op de bewuste locatie op de Punto Cardonweg ter hoogte van het voormalig UTS-gebouw een huls op straat aan. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het Gerecht komen vast te staan dat vanuit de auto waarin de verdachten zaten een schot is gelost op de auto van de aangever. De officier van justitie gaat uit van het scenario dat [verdachte] en [medeverdachte 1] als medeplegers van het schieten op de auto hebben te gelden, in welk scenario [medeverdachte 1] het schot heeft afgevuurd. Aldus de officier van justitie is ten aanzien van [medeverdachte 2] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om hem als medepleger van het schieten op de auto aan te merken. Het Gerecht ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wie van de drie verdachten heeft geschoten. Nu de aangever en de getuige niet hebben gezien wie heeft geschoten, is relevant wat de verdachten ter zake hebben verklaard. [verdachte] heeft aanvankelijk ten overstaan van de hulofficier van justitie en in zijn eerste verhoor een summiere verklaring afgelegd dat hij niet had geschoten. In zijn tweede verhoor heeft hij verklaard dat op het moment dat ze de aangever bij het voormalig UTS-gebouw voorbij reden [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) zijn hand uit de auto had gestoken en met een vuurwapen geschoten had. In zijn derde verhoor herhaalt [verdachte] deze verklaring en zegt dat hij zag dat [medeverdachte 2] zijn hand uit het raam aan de zijde van [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) stak en met een zwarte [vuurwapenmerk/model] schoot. Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij geen schot heeft gehoord, maar het Gerecht schuift deze verklaring gelet op zijn eerdere verklaringen alsmede de overige inhoud van het dossier als ongeloofwaardig terzijde. [medeverdachte 1] verklaart in zijn politieverhoor dat ze hadden besloten de aangever achterna te rijden en dat hij een knal gelijkend op een kaliber 38 vuurwapen had gehoord en dat als de verdenking zo is dat één van hen het heeft gedaan dat dan [medeverdachte 2]([medeverdachte 2]) de enige persoon is die het gedaan kan hebben. Bij gelegenheid van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de man die achterin zat, [medeverdachte 2], heeft geschoten en dat de man achterin daarbij zijn hand vóór hem stak om te schieten en dat de autoruit naar beneden was. Tot slot legt ook [medeverdachte 2] aanvankelijk vrij summiere verklaringen af ten overstaan van de hulpofficier van justitie en in zijn eerste verhoor bij de politie, respectievelijk inhoudende dat één van de mannen voorin had geschoten en dat hij een knal had gehoord. In zijn tweede verklaring zegt [medeverdachte 2] dat [verdachte](het Gerecht: [verdachte]) de [automerk/model] achtervolgde en dat hij op het moment dat de [automerk/model] ter hoogte van de kerk was en linksaf sloeg een harde knal hoorde en dat hij niet zag wie had geschoten. Voorts zegt hij dat de ramen op de plek waar hij zat niet open en dicht kunnen. Tijdens het derde politieverhoor verklaart [medeverdachte 2] dat [verdachte] hem had verzocht de schuld op zich te nemen, dat hij nadat hij het schot hoorde zag dat de ruit aan de kant van [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) open stond en dat hij zelf linkshandig is en onmogelijk via het raam naast [medeverdachte 1] kan hebben geschoten. Hoewel de verklaringen van de verdachten elkaar op onderdelen ondersteunen en in overeenstemming zijn met wat de aangever en de getuige hebben verklaard, kan de vraag wie het schot heeft gelost op basis van de verklaringen -ook in onderling verband bezien- niet worden beantwoord. De verdachten wijzen immers onderling naar elkaar en voor geen van de verklaringen biedt het dossier voldoende aanvullende bewijskracht. Ook aan het nader onderzoek verricht door het Team Forensische Opsporing aan de auto waarin de verdachten reden, waarvan op 14 oktober 2024 verslag is gedaan, kan onvoldoende (aanvullende) bewijswaarde met betrekking tot het daderschap worden ontleend: Het inbeslaggenomen voertuig is een zwartkleurige personenauto van het merk [automerk/model] voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]. Het voertuig is een linkse besturing en voorzien van twee portieren. Het is mogelijk dat de passagier op de achterbank vanuit het rechterportier van de [automerk/model] schoot, hoewel dit gezien de ruimtebeperkingen en de risico's niet vaak voorkomt. We sluiten de mogelijkheid niet volledig uit, maar er zijn verschillende factoren die in acht moeten worden genomen, zoals: Beperkte bewegingsvrijheid: De krappe ruimte kan de schietpositie bemoeilijken. Zichtlijnen: Het kan uitdagend zijn om een goed zicht op het doel te krijgen. Controle over het wapen: Er is een verhoogd risico op onopzettelijk afgaan van het wapen. Verlies van stabiliteit: Het leunen of draaien kan de stabiliteit van de schutter beïnvloeden. Deze factoren moeten zorgvuldig worden overwogen bij het evalueren van deze mogelijkheid. Hoewel het theoretisch mogelijk is voor de passagier op de achterbank om te schieten vanuit het rechterportier van de [automerk/model], moeten verschillende belangrijke factoren in overweging worden genomen. De beperkte ruimte binnen het voertuig, samen met de noodzaak om het lichaam te draaien en de arm naar voren te steken, creëert aanzienlijke fysieke en visuele beperkingen. Deze beperkingen kunnen het moeilijk maken om effectief te richten en het vuurwapen gecontroleerd te hanteren, vooral in een dynamische situatie waarbij het voertuig in beweging is. De kans op nauwkeurigheid en controle tijdens het schieten is daardoor aanzienlijk verminderd. In tegenstelling tot de passagier op de achterbank heeft de mede inzittende op de rechterstoel een duidelijke strategische en praktische advantage/voordeel. Deze positie biedt een beter gezichtsveld, meer bewegingsvrijheid en de mogelijkheid om het vuurwapen met beide handen te hanteren. Hierdoor kan de mede inzittende gericht en gecontroleerd schieten vanuit het rechterportier. De fysieke ruimte en het perspectief van de mede inzittende vergroot de kans dat hij of zij daadwerkelijk betrokken is bij het schietincident, aangezien het schieten vanuit deze positie effectiever kan worden uitgevoerd dan vanaf de achterbank. Het Gerecht heeft in dit verband ook acht geslagen op een proces-verbaal van bevindingen voorruiten [automerk/model] [kentekennummer] d.d. 16 oktober 2024, waarin de verbalisant relateert dat zowel de voorruit aan de bestuurderskant als die aan de kant van de passagier optimaal werken; beide ruiten gaan door middel van een schakelaar naar beneden open en naar boven dicht. Uit de onderzoeken aan de [automerk/model] kan worden afgeleid dat het minder waarschijnlijk is dat [medeverdachte 2] vanaf de achterbank heeft geschoten en dat [medeverdachte 1] op de passagiersplek naast de bestuurder in de beste positie verkeerde om te schieten. Dit is evenwel onvoldoende om te kunnen vaststellen welke verdachte het schot heeft gelost. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat overigens niets bekend is geworden over de exacte toedracht van het schieten (waaronder de posities van beide voertuigen ten opzichte van elkaar). In theorie is het ook nog mogelijk, hoewel gezien zijn positie minder voor de hand liggend, dat de bestuurder [verdachte] heeft geschoten. Alles overziend is het Gerecht van oordeel dat het bewijs tekortschiet om buiten gerede twijfel een uitspraak te doen over het daderschap. Evenmin kan daarom vastgesteld worden of sprake was van medeplegen. In dat verband merkt het Gerecht op dat in het scenario dat [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] heeft geschoten wel het medeplegen van [verdachte] zou kunnen worden aangenomen nu buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat hij op dat moment een vuurwapen in zijn bezit had, maar dat andersom -in geval van daderschap van [verdachte]- er niet voldoende aanknopingspunten zijn om tot medeplegen door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] te concluderen. De verdachte zal daarom ook van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: feit 3: hij op of omstreeks 18 april 2024, althans in of omstreeks de periode van 15 april 2024 tot en op met 18 april 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten [vuurwapenmerk/model] van het kaliber 38, althans een vuurwapen en/of een hoeveelheid aan munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad. Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
  2. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 16 april 2024 voor zover inhoudende: Op 15 april 2024 reed ik in mijn zwarte [automerk/model] [kentekennummer]. Toen ik wegreed zag ik in mijn achteruitkijkspiegel, dat bedoelde auto zijnde de "[automerk/model], in de buurt van Monte Carmelo, achter mij aan kwam rijden. Ter hoogte van het voormalige "UTS" gebouw gelegen in de Monte Carmelo, hoorde ik plotseling een knal alsof men met een vuurwapen had geschoten. Bedoelde harde knal had ik gehoord precies toen de " [automerk/model] mij aan het naderen was en daarna voorbijreed. Bij het politiebureau te Rio Canario, zag ik een kogelperforatie in de achterbumper van mijn zwartgelakte "[automerk/model]".
  3. Proces-verbaal van forensisch onderzoek van een zwartgelakte auto van het merk [automerk/model] voorzien van het kentekenplaat [kentekennummer]. Dit in verband met schietincident plaats gehad hebbende te Punta Cardonweg ter hoogte het voormalige gebouw van UTS, op maandag 15 april
  4. Tijdens onderzoek zag ik verbalisant een schotperforatie in de achterbumper van de [automerk/model].
  5. Proces-verbaal van plaatsaanduiding PD 15.04.2024 en in beslag genomen huls d.d. 23 april 2024, voor zover inhoudende: Uit voorgezet onderzoek is komen vast te staan dat het schietincident gepleegd op 15 april 2024, plaats vond op de Punta Cardonweg, op de splitsing ter hoogte van het voormalige UTS-gebouw. Aldaar op 22 april 2024 troffen wij verbalisanten een huls op straat aan. Het betrof een huls winchester
  6. Een proces-verbaal van afgeven huls bij TFO d.d. 24 april 2024, voor zover inhoudende: Aanbiedingsbrief 000076/2024 Vernoemd huls die op 22 april 2024 op de Punta Cardonweg werd aangetroffen werd op 24 april 2024 afgegeven aan de collega [verbalisant 1] van het Bureau Team Forensische Opsporing. Het betrof een huts van het kaliber 40 [vuurwapenmerk/model] .
  7. Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 20 april 2024, voor zover inhoudende: Op bedoelde dag reed ik samen met [verdachte] (het Gerecht begrijpt: de verdachte), de man die met mij was aangehouden, en nog een andere man in de auto van [verdachte]. Wij gingen tanken bij Vanddis te Rio Canario. De [automerk/model] kwam aanrijden en ging schuin achter de auto van [verdachte] staan en kort daarna aan de zijde van [verdachte]. Ik zag hoe [verdachte] een vuurwapen van tussen zijn benen tevoorschijn haalde, zijn portier opendeed en tegen de bestuurder van deze [automerk/model] zei dat hij alleen wou zien wie in die auto reed, terwijl [verdachte] dit tegen de bestuurder van de [automerk/model] zei, zwaaide [verdachte] met het vuurwapen heen en weer in de richting van de bestuurder van de [automerk/model].
  8. Proces-verbaal van inbeslagname d.d. 18 april 2024, voor zover inhoudende: Op 18 april 2024, omstreeks 09:25 uur werd in het kader van het onderzoek Sut, onder andere de verdachte [verdachte], door de leden van het Arrestatie Team, buiten heterdaad aangehouden. Bij aanhouding van de verdachte [verdachte] trad hij als bestuurder op van een zwarte gelakte [automerk/model] voorzien van de kentekenplaat [kentekennummer]. In deze [automerk/model] werden de navolgende spullen aangetroffen en inbeslaggenomen; Een

(1)munitie kaliber 19 9x19 S&B, deze werd in de console aan de linkerzijde van het stuurwiel aangetroffen; Een geladen zwarte vuistvuurwapen [vuurwapenmerk/model], deze was verscholen in de middenconsole, onder de radio, aan de mede inzittende kant. 7. Proces-verbaal afgeven in beslag genomen vuurwapen en munitie bij TFO 18 april 2024, voor zover inhoudende: Op 18 april 2024 werd in het kader van het onderzoek Sut, de verdachte [verdachte], buiten heterdaad aangehouden. Bij aanhouding van de verdachte [verdachte] werd een vuurwapen en een
(1)munitie in zijn auto aangetroffen en inbeslaggenomen. Nadat verdachte [medeverdachte 1] werd aangehouden, werd een huiszoeking verricht bij zijn adres te [adres] en tijdens deze huiszoeking werd onder andere vijf
(5)munitie en een
(1)huls aangetroffen en in verband met het verder onderzoek in beslaggenomen. Voorrnoemd vuurwapen en de munitie werden op 18 april 2024 afgegeven aan de inspecteur [verbalisant 2] van het Bureau Team Forensische Opsporings. Het vuurwapen betreft [vuurwapenmerk/model] kaliber 38 geladen met zes
(6)munitie kaliber 38 en de aangetroffen munitie zijn vier
(4)van het kaliber 38, twee
(2)van kaliber 9mm en een huls van het kaliber
  1. Proces-verbaal onderzoek TFO in beslag genomen [vuurwapenmerk/model] en patronen d.d. 24 april 2024, voor zover inhoudende: De in beslag genomen [vuurwapenmerk/model] (aanbiedingsbrief 001222.24) is van het merk [vuurwapenmerk/model] , kaliber .38 Long, voorzien van het serienummer
  2. Tevens zijn er tien
(10)scherpe patronen van het kaliber .38 special, voorzien van de bodemstempel "[stempel]", een
(1)huls van het kaliber .38 special voorzien van de bodemstempel " [stempel]" en twee
(2)scherpe patronen van het kaliber 9 x 19 mm waarvan een
(1)voorzien is van de bodemstempel " [stempel]" en een
(1)voorzien van de bodemstempel " [stempel]", voor onderzoek aangeboden. Door mij, verbalisant, werden twee van de inbeslaggenomen scherpe patronen (onder aanbiedingsformulier 001205-24) gebruikt om met dit vuurwapen proef te schieten. Het aangeboden vuurwapen werkt optimaal en de scherpe patronen werden tijdens het proefschieten normaal tot ontbranding gebracht. De voor onderzoek aangeboden [vuurwapenmerk/model] is een vuurwapen in de zin van de vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd; De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen zijn munitie in de zin van de vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd; De scherpe patronen van het kaliber .38 special werden normaal tot ontbranding gebracht. Voornoemd [vuurwapenmerk/model] en scherpe patronen van het kaliber .38 special zijn deugdelijk.
  1. De verklaring die de verdachte [verdachte] heeft afgelegd tijdens de voorgeleiding bij de voorgeleiding bij de hulpofficier, vastgelegd in het proces-verbaal van bevinding tijdens voorgeleidingen d.d. 18 april 2024, voor zover inhoudende: Ik H [verbalisant 3], inspecteur van politie, verklaar het volgende. De verdachte [verdachte] werd bij mij voorgeleid. Tijdens de voorgeleiding verklaarde [verdachte] spontaan aan mij: Dat het vuurwapen dat in zijn auto werd aangetroffen zijn eigendom is.
  2. De verklaring die de verdachte heeft afgelegd tijdens zijn tweede verhoor op 18 april 2024, voor zover inhoudende: De scherpe patronen die bij mij thuis zijn aangetroffen zijn van mij.
  3. De verklaring die de verdachte [medeverdachte 2] heeft afgelegd tijdens zijn derde verhoor op 8 mei 2024, voor zover inhoudende: De [vuurwapenmerk/model] die in de auto waarin ik en [verdachte] reden bij onze aanhouding is van [verdachte]. Hij bewaart die [vuurwapenmerk/model] daar als wij op straat rijden en op die dag voordat wij door de politie werden aangehouden had [verdachte] die [vuurwapenmerk/model] aan mij gegeven om het daar voor hem te bewaren. Bewijsoverwegingen Om de vraag te kunnen beantwoorden of de verdachte op 15 april 2024 en op 18 april 2024 een vuurwapen voorhanden heeft gehad, stelt het Gerecht voorop dat daarvoor vereist is dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van deze goederen en dat hij daarover beschikkingsmacht had. Bij die beoordeling is onder andere relevant waar het wapen is aangetroffen, de wijze waarop het is opgeborgen, wie wanneer toegang had tot het wapen en de verklaring die verdachte hierover heeft afgelegd. Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot het schietincident op 15 april 2024 -in het bijzonder het feit dat er die dag een schot is gelost vanuit de auto waarin de verdachte zat en de verklaring van verdachte [medeverdachte 2]- acht het Gerecht het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op die datum een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Het vuurwapenbezit op 18 april 2024 is door de verdachte direct bij zijn voorgeleiding bekend en deze bekentenis wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2]. Het feit dat de verdachte in latere verklaringen bij de politie en ter terechtzitting heeft ontkend dat het vuurwapen van hem was doet daar niet aan af en is onder de gegeven omstandigheden onvoldoende om hem van de bewustheid van de aanwezigheid van het vuurwapen vrij te pleiten. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Het onder feit 3 bewezen verklaarde is, zowel ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen, als ten aanzien van het voorhanden hebben van de munitie, voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Oplegging van straf Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor “bezit van een vuurwapen in de auto” waarbij sprake is van een first offender als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren gegeven. De verdachte heeft op twee dagen een vuurwapen en munitie voorhanden gehad in de auto, éénmaal samen met een mededader. Het ongecontroleerd bezit van een vuurwapen is gevaarzettend en leidt maar al te vaak tot schietincidenten met dodelijke afloop. Het feit veroorzaakt bovendien gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. Tegen vuurwapenbezit dient daarom streng te worden opgetreden. Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (deels) een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Ten voordele van de verdachte weegt mee dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het Gerecht heeft acht geslagen op het rapport van de psychologen S. Wichard MSc en drs. H. Linkels d.d. 22 juni 2024 en het vroeghulprapport van de Reclassering d.d. 5 juni
  4. Volgens de psychologen is de verdachte te beschouwen als volledig toerekeningsvatbaar en wordt de recidivekans als gemiddeld ingeschat. Als interventie voor inperking van het recidivegevaar wordt reclasseringstoezicht geadviseerd inclusief therapieën en trainingen gericht op gedragsverandering. Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te noemen deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. In beslag genomen voorwerpen Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Met het vuurwapen en de munitie is het bewezenverklaarde begaan. Bovendien is het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd met de wet en het algemeen belang. Het Gerecht zal de voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer. Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen personenauto [automerk/model] met kenteken [kentekennummer]. Daarbij neemt het Gerecht in het bijzonder in aanmerking dat niet is komen vast te staan dat het de verdachte is geweest die vanuit de desbetreffende auto heeft geschoten dan wel als medepleger daarbij betrokken is geweest. Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:74 en 1:75 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het Gerecht: verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde feit heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 18 (achttien) maanden; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht; bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd; als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat - de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Curaçao, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt; beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen vuurwapen en van de munitie; gelast de teruggave van de in beslag genomen personenauto [automerk/model] met kenteken [kentekennummer] aan de verdachte; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 6 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. uitspraakgriffier: Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 24 juni 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Sut”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 300.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.