← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2024:317

Parketnummer: 500.00332/19 Uitspraak: 21 augustus 2024 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI) Leeuwarden (Nederland). Onderzoek van de zaak Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzittingen van 10 januari 2024, van 5 april 2024, van 31 mei 2024 en van 31 juli 2024. De verdachte is ter terechtzittingen van 10 januari 2024 en van 31 juli 2024 verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.N. Sulvaran, advocaat in Curaçao. De verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht om ter terechtzitting van 5 april 2024 te verschijnen en bij de behandeling op 31 mei 2024 is de verdachte vanwege technische problemen met het tot stand brengen van een directe beeld- en geluidsverbinding tussen het gerechtsgebouw en de PI Leeuwarden niet aanwezig geweest. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich ter terechtzitting van 31 juli 2024 gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. De officier van justitie, mr. D. van Zetten, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Haar vordering behelst voorts: - de toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen tot een bedrag van NAf 18.415,08 en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 31 juli 2024 - ten laste gelegd: FEIT 1: MEDEPLEGEN MOORD C.Q. DOODSLAG [slachtoffer] dat hij op of omstreeks 27 september 2016, althans op een tijdstip in of omstreeks de maand september 2016, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, met (een) (automatisch(e)) vuurwapen(
  2. s)op die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is geraakt en aan zijn verwondingen is overleden; (artikel 2:262/2:259 j° artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht) FEIT 2: VUURWAPENBEZIT dat hij op of omstreeks 27 september 2016, althans op een tijdstip in of omstreeks de maand september 2016, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad een of meer (zware) (automatische) vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930; (artikel 5 j° 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930 j° artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht). Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Vrijspraak Inleidende feiten en omstandigheden Het Gerecht gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 27 september 2016 omstreeks 07:54 uur was naar aanleiding van een schietincident een melding bij de Centrale Meldkamer binnengekomen. Het schietincident vond plaats op de parkeerplaats ter hoogte van de christelijke kerk House of Worship gelegen aan de Erosweg. Door de politiearts A.H.E. Maduro werd ter plaatse omstreeks 09:00 uur de dood van het slachtoffer geconstateerd. Het slachtoffer bleek, na de lijkherkenning verricht op de plaats delict, in leven de man [slachtoffer], bijgenaamd [bijnaam], geboren te [geboorteplaats], te zijn. Hij zat in de bestuurdersstoel van een wit gekleurd personenvoertuig van het merk Kia, model Sportage, en zijn lichaam vertoonde verschillende inschotwonden. De linkervoor-, linkerachter-, en rechterachterruit van het voertuig waren door kogels ingeslagen. Op de plaats delict werd bij het verrichten van forensisch onderzoek 15 patroonhulzen van het kaliber 9 mm aangetroffen en in beslag genomen. Bij nader munitieonderzoek vertoonden de systeemsporen dan wel het kraslijnenbeeld in de hulzen zeer sterke gelijkenis met hulzen die uit pistolen van het merk Pietro Beretta zijn verschoten en is gebleken dat de 15 hulzen vermoedelijk uit één pistool van het kaliber 9 mm zijn verschoten. Door Dr. L.M. Althaus, arts tevens medisch forensisch expert, werkzaam bij het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V. (het ADC) werd op 28 september 2016 gerechtelijke sectie op het lichaam van het slachtoffer verricht. Hij heeft onder meer geconcludeerd dat het lichaam (met name in het hoofd en de bovenkant van het lichaam) meerdere in- en uitschotwonden vertoonde die tot verschillende verwondingen hebben geleid. Als doodsoorzaak is vastgesteld: centrale regulering falen door perforerende geweerschoten in het hoofd in combinatie met het scheuren van de aorta door een geweerschot. Op de parkeerplaats van House of Worship waren meerdere personen aanwezig die een verklaring over hetgeen zij hebben waargenomen hebben afgelegd. [getuige] werd op 27 september 2016 door de politie als getuige gehoord. Hij heeft bij gelegenheid van dit verhoor onder meer verklaard dat hij op 27 september 2016 omstreeks 07:40 uur bij House of Worship was aangekomen om zijn kind bij de school in het gebouw van House of Worship af te zetten. Nadat hij zijn auto op de parkeerplaats van House of Worship had geparkeerd en uitstapte, hoorde hij opeens op vuurwerk gelijkend geluid. Hij draaide zich om en zag een man - van ongeveer 1.70 meter en mager postuur, gekleed in een lichtblauw hemd, en met een zwarte pet en een geel masker op zijn gezicht dat tot bij zijn neus bedekte - die met een pistool met geelkleurige loop op een wit gekleurd voertuig van het merk Kia, model Sportage, dat op de parkeerplaats van de school stond, schieten. Hierna stapte de man aan de bijrijderskant van een bruin- of grijs gekleurd voertuig van het merk [automerk/model], in waarin achter het stuur een man - met donkere huidskleur, van mager postuur, met een rode pet en een zwarte zonnebril op en die best lang leek - zat. Hierna reed voornoemd voertuig met volle vaart het parkeerterrein af, de Erosweg op en in de richting van de wijk Bonam. Hij had veel schoten, volgens hem zeven à acht schoten met tussenpozen, gehoord. [getuige 2] Ook [getuige 2] werd op 27 september 2016 door de politie als getuige gehoord. Zij heeft bij gelegenheid van dit verhoor onder meer verklaard dat zij op 27 september 2016 haar kind op de school bij House of Worship ging afzetten en dat zij haar auto naast een voertuig van het merk Kia, model Sportage, had geparkeerd. Terwijl zij met haar auto met de voorzijde naar de uitgang stond hoorde zij alsof vuurwerk werd afgestoken. Toen zij zich had omgedraaid zag zij een man - lang en fors, met bedekt hoofd en gekleed in een bleekblauw T-shirt - naast haar staan die op de Kia Sportage aan het schieten was, waarin een man zat. Zij reed verder in de richting van de voorkant van het kerkgebouw en zag dat een grijs gekleurd voertuig van het merk [automerk/model], met kentekenplaat [kentekenplaatnummer], met volle vaart de parkeerplaats uitreed in de richting van de kerk van de wijk Bonam. De bestuurder van voornoemd voertuig had een zonnebril op. Zij had ongeveer vijf à zes schoten achter elkaar gehoord. [getuige 3] [getuige 3] werd eveneens op 27 september 2016 door de politie als getuige gehoord. Zij heeft bij gelegenheid van dit verhoor onder meer verklaard dat zij op 27 september 2016 omstreeks 07:20 uur het parkeerterrein van House of Worship op reed om haar zoon op school af te zetten. Zij hoorde opeens enkele knallen. Toen zij zich omdraaide zag zij op het parkeerterrein een donker grijs gekleurd voertuig van het merk [automerk/model], met kentekenplaat [kentekenplaatnummer 1], waarin twee mannen - beiden van mager postuur, van ongeveer tussen 1.60 en 1.80 meter en geheel in het zwart gekleed waarbij beiden iets op hun hoofd, geel en blauw van kleur, wat hun gezichten bedekte - aan beide kanten achter in de auto stapten. Eén van de mannen stapte achter de bestuurder en de andere man stapte achter de bijrijder in de auto. Hierna reed de auto met volle vaart het parkeerterrein af in de richting van de wijk Bonam. [getuige 4] Tot slot werd [getuige 4] op 27 september 2016 door de politie als getuige gehoord. Hij heeft bij gelegenheid van dit verhoor onder meer verklaard dat hij op 27 september 2016 omstreeks 07:36 uur zijn kind bij de school was gaan afzetten en terwijl hij naar het achterportier liep om zijn kind uit de auto te halen, meteen het geluid alsof men vuurwerk aan het afsteken was hoorde. Toen hij over zijn auto keek zag hij rook en dat twee mannen - één van de mannen had iets lijkende op een rood T-shirt om zijn hoofd gewikkeld en de andere man had een geel of groen T-shirt om zijn hoofd gewikkeld - zich paniekerig gedroegen. Hij zag dat een voertuig van het merk [automerk/model], tot stilstaand kwam en dat de twee mannen in deze auto stapten. De [automerk/model] verliet de parkeerplaats en nam de afslag in de richting van de kerk van Bonam. Kort na het schietincident werd een brandend voertuig van het merk [automerk/model], tegenover Hofi Pachi Sprockel aangetroffen. Met het oog op de getuigenverklaringen dat de fatale schoten vanuit een grijs gekleurd voertuig van het merk [automerk/model], met kentekenplaat [kentekenplaatnummer 1] zijn gelost, rees het vermoeden dat het in brand gestoken voertuig het voertuig betrof waarin de verdachten van de plaats delict waren gevlucht. Na het raadplegen van het digitale registratiesysteem ‘Actpol’ van de politie is onder meer gebleken dat een voertuig van het merk [automerk/model], met kentekenplaat [kentekenplaatnummer 2] als gestolen stond geregistreerd. Dit voertuig werd op 27 september 2016 tussen 04:00 uur en 06:00 uur voor een woning gelegen aan de Kashutuin 32 gestolen en hiervan is door [aangever] aangifte gedaan. Bij nader onderzoek in het kentekenregister is gebleken dat de kentekenplaat [kentekenplaatnummer 1] aan een ander voertuig toebehoorde, namelijk een wit gekleurd voertuig van het merk [automerk/model]. Het Gerecht plaatst bij voornoemde getuigenverklaringen de kanttekening dat de getuigen ten opzichte van elkaar verschillend hebben verklaard over het aantal personen dat het misdrijf heeft gepleegd, waardoor niet goed kan worden vastgesteld hoeveel daders betrokken waren bij het schietincident. Dat betekent overigens niet dat een individuele getuigenverklaring reeds om die reden terzijde moet worden geschoven, nu deze omstandigheid niet zonder meer met zich brengt dat bedoelde getuigen niet of niet (geheel) naar waarheid hebben verklaard. Het dwingt het Gerecht wel tot een uiterst kritische toets van het bewijs. Vervolgens is in het derde kwartaal van 2016 bij de politie via het Team Criminele Inlichtingen (hierna: het TCI) bij het Recherche Samenwerkingsteam (RST) de informatie binnengekomen dat [betrokkene 1], met wie wordt bedoeld [betrokkene 1], verantwoordelijk is voor de moord op [slachtoffer], dat [betrokkene 1] vermoedt dat [slachtoffer] een tip aan de politie heeft gegeven, dat door deze tip twee jongens met 180 kilogram cocaïne en een groot aantal vuurwapens zijn aangehouden, met wie wordt bedoeld twee [betrokkenen] die op 13 september 2016 zijn aangehouden, en dat de cocaïne en de vuurwapens van [betrokkene 1] waren. Deze informatie werd door het TCI als betrouwbaar aangemerkt. Vervolgens is via het TCI in het derde kwartaal van 2016 de informatie binnengekomen dat [slachtoffer] in opdracht van de [betrokkenen], met wie wordt bedoeld [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], is geliquideerd omdat het vermoeden bestaat dat hij een partij cocaïne van de broers aan de politie heeft getipt en dat de [betrokkenen] een groot geldbedrag aan één van de uitvoerders van de liquidatie bijgenaamd [verdachte], met wie wordt bedoeld [verdachte], de verdachte, hebben betaald. Een oordeel over de betrouwbaarheid van deze informatie kon niet door het TCI worden gegeven. Daaropvolgend is via het TCI in het vierde kwartaal van 2016 de informatie binnengekomen dat een man, bijgenaamd [verdachte] [slachtoffer] heeft vermoord vanwege de problemen die hij met [betrokkene 1] had. Deze informatie werd door het TCI als betrouwbaar aangemerkt. In voornoemd kwartaal is eveneens via het TCI de informatie binnengekomen dat [verdachte] lid is van de Army, dat hij het daar voor het zeggen heeft, dat hij gevaarlijk en onberekenbaar is, en dat hij in het bezit is van een vuurwapen. Ook deze informatie werd door het TCI als betrouwbaar aangemerkt. Vervolgens is in het eerste kwartaal van 2018 via het TCI de informatie binnengekomen dat [betrokkene 2], met wie wordt bedoeld [betrokkene 2], [verdachte] heeft betaald om [slachtoffer] te liquideren en dat [slachtoffer] met de politie zou hebben gepraat. Deze informatie werd door het TCI als betrouwbaar aangemerkt. Tot slot is in voornoemd kwartaal eveneens via het TCI de informatie binnengekomen dat een man bijgenaamd [verdachte] in opdracht van de gebroeders [betrokkenen], met wie wordt bedoeld [betrokkene 4], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], een man bijgenaamd [slachtoffer] heeft vermoord, dat de [betrokkenen] bang zijn dat [verdachte] alles tegen de politie zal vertellen en dat zij de opdracht hebben gegeven om [verdachte] in de gevangenis te vergiftigen zodat hij niets meer kan vertellen. Deze informatie werd door het TCI als betrouwbaar aangemerkt. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of het de verdachte is die dit misdrijf heeft gepleegd, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en). Door de navolgende personen zijn er in de afgelopen jaren verklaringen afgelegd die de verdachte belasten, te weten: de bedreigde getuige H41, de getuige [getuige 5] en de getuige [getuige 6]. Bedreigde getuige H41 Om te beginnen is de belastende getuigenverklaring van de bedreigde getuige H41 van belang. Het Gerecht onderkent dat, nu de verdediging onbekend is met de identiteit van de bedreigde getuige H41, het voor haar onmogelijk is om te achterhalen of deze persoon wellicht redenen heeft om in strijd met de waarheid belastend te verklaren. Het Gerecht stelt op grond van het onderliggende dossier vast dat de procedure die in acht is genomen bij de totstandkoming van de verklaringen van de bedreigde getuige H41 in overeenstemming is met de voorschriften en waarborgen die zijn neergelegd in artikel 261, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Vervolgens is de vraag aan de orde of het Gerecht de verklaringen van de bedreigde getuige H41 gelet op de geldende bewijsregels bruikbaar acht voor het bewijs. Op grond van het bepaalde in de artikelen 385, tweede lid, en 387, derde lid, Sv mag het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate berusten op de verklaring van een anonieme getuige. Ten aanzien van de verklaringen van de bedreigde getuige H41 geldt dat volgens artikel 385, vierde lid, Sv deze alleen dan als bewijsmateriaal kunnen worden gebezigd, indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend. De bedreigde getuige heeft voor het eerst in juli 2017 bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Die verklaring, met betrekking tot het schietincident dat op 27 september 2016 bij House of Worship heeft plaatsgevonden, houdt het volgende in. (-) [verdachte] vertelde dat ze drugs moesten uitladen, die voor [betrokkenen] en [slachtoffer] bestemd waren. [betrokkene] en [slachtoffer] zijn zwagers van elkaar. Daarna zouden [betrokkene] en [slachtoffer] ieder hun eigen weg gaan. Later is [betrokkene] op de weg opgepakt. Het vermoeden is dat [slachtoffer] hem heeft aangegeven. Daarom moest [slachtoffer] dood. [verdachte] is goed bevriend met [betrokkene]. [betrokkene] heeft de opdracht gegeven om [slachtoffer] te vermoorden. [betrokkene] had twee Venezolanen hiervoor ingezet en [verdachte] heeft als bestuurder opgetreden. De auto is in de brand gestoken en de Venezolanen zijn gelijk naar Venezuela vertrokken. De getuige [getuige 5] [getuige 5] is door de politie als getuige gehoord op 26 oktober 2017 en op 17 januari 2018. Hij verklaart op 26 oktober 2017 als volgt. (-) hetgeen ik over de moordzaak bij de House of Worship weet is dat [verdachte] met deze moordzaak te maken heeft. Het had te maken met drugs. Het slachtoffer had te maken met drugs die waren verdwenen of kwijt waren geraakt. Dat was de reden waarom hij vermoord moest worden. De groepering Army, dus [verdachte] en zijn vrienden, hadden dit contract aangenomen, gezien het feit dat ze ook zelfstandig werken. Zij moesten dit voor een persoon doen. Ik weet niet wie de opdrachtgever is. Deze persoon bracht [verdachte] in de problemen met de NLS; (-) ik weet niet wie is vermoord, maar ik had gehoord dat men de naam ‘[slachtoffer]’ had genoemd; (-) ik weet niet met wie [verdachte] op deze moordzaak had gewerkt; (-) ik ben aan deze informatie gekomen door mijn medegedetineerde, men noemt hem ‘[getuige 6]’. [getuige 5] verklaart vervolgens, bij gelegenheid van het verhoor op 17 januari 2018, te volharden in zijn getuigenverklaring van 26 oktober 2017. De getuige [getuige 6] [getuige 6] is door de politie als getuige gehoord op 22 maart 2018, op 9 april 2018, op 14 april 2018, op 20 april 2018, op 31 mei 2018, op 6 juni 2018 en op 7 juni 2018. Tevens zijn er processen-verbaal van bevindingen van 5 april 2018 van een gesprek van [getuige 6] met de politie en van 5/6 april 2018 van gesprekken van [getuige 6] met de officier van justitie in Curaçao, mr. S.A. van de Vliet. Zo verklaart [getuige 6], gevraagd naar details over het onderzoek van de schietpartij die in 2016 bij de House of Worship heeft plaatsgevonden, op 22 maart 2018 als volgt. (-) de medegedetineerde ‘[getuige 7]’ (het Gerecht begrijpt: [getuige 7]) zat met [verdachte] in de luchtruimte te roken, toen was [verdachte] net in de gevangenis gekomen. Ik heb gehoord toen [verdachte] aan [getuige 7] vroeg of hij een man genaamd of bijgenaamd ‘[betrokkene 5]’ (het Gerecht begrijpt [betrokkene 5]) kende. [getuige 7] antwoordde aan [verdachte] dat deze man in de omgeving van zijn woning vertoeft. Hierbij had [verdachte] tegen [getuige 7] gezegd dat hij en [betrokkene 5], [slachtoffer] hadden vermoord; (-) ik weet niet wie de man genaamd of bijgenaamd [betrokkene 5] is; (-) [verdachte] had geen details van de moord op [slachtoffer] aan [getuige 7] verteld; (-) [verdachte] had dit aan [getuige 7] verteld vanaf het begin toen hij in de gevangenis kwam. Het was de dag nadat hij was aangekomen; (-) het klopt dat [verdachte] samen met de man genaamd of bijgenaamd [betrokkene 5] [slachtoffer] had vermoord. De reden was dat [slachtoffer] de politie had gemeld over het drugsvervoer van de zonen van [betrokkene 1]. Mijn reden van wetenschap is, dat ik had gehoord toen [verdachte] dit aan de medegedetineerde [getuige 7] had verteld. Tijdens het verhoor van 9 april 2018, nogmaals gevraagd naar de door de verdachte vertelde details over de moord op [slachtoffer], verklaart [getuige 6] als volgt. (-) [verdachte] vertelde details, hij zei dat [betrokkene 5] als bestuurder van de auto optrad en dat hij degene is die uit de auto was gestapt en [slachtoffer] had vermoord; (-) [verdachte] had dit aan [getuige 7] verteld vanaf het begin, toen hij in de gevangenis kwam. Het was de dag nadat hij was aangekomen; (-) op het moment dat [verdachte] dit vertelde was hij gewoon aan het bluffen; (-) er waren geen andere medegedetineerden aanwezig toen [verdachte] dit aan [getuige 7] vertelde; (-) [verdachte] had verteld dat de gebruikte auto een [automerk/model], betrof die zij in de woonwijk Tera Kòrá hadden gestolen en vervolgens in de omgeving van de wijk Bonam/Brievengat in braak (het Gerecht begrijpt: brand) hadden gestoken; (-) ik weet niet wie de man genaamd of bijgenaamd [betrokkene 5] is. Tot slot verklaart [getuige 6], geconfronteerd met de omstandigheid dat hij telkens heeft verklaard dat hij niet weet wie de man bijgenaamd [betrokkene 5] is, maar [betrokkene 5] bij een met hem gehouden meerkeuze fotoconfrontatie op 6 juni 2018 heeft herkend als [betrokkene 5], op 7 juni 2018 als volgt. (-) ik heb inderdaad eerst aangegeven dat ik de man bijgenaamd [betrokkene 5] niet kende. Hierop wil ik eerlijk zijn, eerst wilde ik niet aangeven dat ik [betrokkene 5] kende, maar nadat ik hierover had gedacht, heb ik de beslissing genomen om toch mijn medewerking hiervoor te verlenen. Zodoende heb aangegeven dat ik [betrokkene 5] ken. Weging van het getuigenbewijs Allereerst geldt dat de belastende verklaringen afkomstig zijn van getuigen die hebben verklaard dat zij, na het schietincident van 27 september 2016, maanden later, een en ander van de verdachte zelf over het misdrijf hebben gehoord (de bedreigde getuige H41), dan wel uit diens mond heeft opgetekend (de getuige [getuige 6]) dan wel via een ander (de getuige [getuige 5]). In alle drie de gevallen zou de belastende informatie afkomstig zijn uit één en dezelfde bron, te weten: de verdachte. Het Gerecht is van oordeel dat deze omstandigheden reeds tot behoedzaamheid dwingen. In dat verband is mede van belang dat na het schietincident veel media-aandacht is geweest voor deze zaak, en dat gelet op de inhoud van (enkele van) de getuigenverklaringen, de vraag rijst wat de bron van wetenschap van de getuigen is geweest, te weten de verdachte zelf, zoals de getuigen H41 en [getuige 6] verklaren, of ook informatie die in de media is verspreid of van derden afkomstig is. Op basis van het voorgaande stelt het Gerecht vast dat geen van deze getuigen, aldus de bedreigde getuige H41, [getuige 5] en [getuige 6], ten aanzien van hetgeen op 27 september 2016 heeft plaatsgevonden uit directe, eigen waarneming of ondervinding hebben verklaard. Nu de verdachte zelf elke vorm van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer en dat door hem ooit een gesprek als het onderhavige met iemand is gevoerd stellig heeft ontkend, is dus extra behoedzaamheid geboden bij de interpretatie van hetgeen uit de belastende getuigenverklaringen valt af te leiden. Het Gerecht stelt daartoe voorop dat bij toetsing van de verklaring van [getuige 6] het Gerecht allereerst is gebleken, waar het de vermeende betrokkenheid van de verdachte en de daarbij vermelde feiten en omstandigheden betreft, zijn verklaring geen steun vindt in de verklaringen van [getuige 7] ([getuige 7]) en van [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]). Dat blijkt uit het navolgende. [getuige 7] is als getuige door de politie gehoord op 4 januari 2024, derhalve bijna 6 jaar na de door [getuige 6] afgelegde verklaringen. Hij verklaart als volgt. (-) in reactie op de aan hem, [getuige 7], getoonde foto van [getuige 6], verklaart hij: “Ik ken deze persoon helemaal niet. Ook de naam zegt mij niets.”; (-) geconfronteerd met de omstandigheid dat [getuige 6] in de periode tussen december 2016 en maart 2018, dezelfde periode als hij, in de SDKK zat opgesloten, verklaart hij: “Ik ken deze man wel van deze gevangenis.”; (-) in reactie op de aan hem getoonde foto van [verdachte], de verdachte, verklaart hij: “Die man zat ook bij ons in de gevangenis. De naam, [verdachte], zegt mij niets. Ik ken zijn namen ook niet. Ik kende hem niet. Ik zag hem pas in de gevangenis.”; (-) geconfronteerd met de verklaring van [getuige 6] dat [verdachte] aan hem gedurende zijn verblijf in celblok 4, het een en ander over het schietincident met dodelijke afloop welke op 27 september 2016 op de parkeerplaats van House of Worship heeft plaatsgevonden en de man [slachtoffer], bijgenaamd [slachtoffer], [slachtoffer] of [slachtoffer], ter plaatse op een gruwelijke wijze van zijn leven werd beroofd, verklaart hij: “Ik kende die man, [slachtoffer] bijgenaamd [slachtoffer] of [slachtoffer], niet. Ik wist niet dat hij was doodgeschoten. Er is niets tegen mij gezegd. Ik wil niets met die mannen te maken hebben. Ik wil hun problemen niet hebben en ik ben geen vrienden met die mannen. [verdachte] heeft niets tegen mij gezegd. Ik heb geen contact gehad met [getuige 6]. Ik weet niet waarom hij gezegd heeft dat [verdachte] mij heeft verteld dat hij en [betrokkene 5], de man [slachtoffer], hadden vermoord.”; (-) op de vraag wie [betrokkene 5] is, verklaart hij: “Die man ken ik helemaal niet.”; (-) geconfronteerd met de verklaring van [getuige 6] dat [verdachte] hem de details over de gebruikte auto had verteld, verklaart hij: “Hij heeft mij niets gezegd.”. [betrokkene 5], bijganaamd ‘[betrokkene 5]’, is tweemaal als verdachte door de politie verhoord, te weten op 22 februari 2024, derhalve eveneens bijna 6 jaar nadat zijn naam door [getuige 6] werd genoemd. Hij is eveneens door de rechter-commissaris in het kader van een terugwijzing in de strafzaak tegen de verdachte op 12 juni 2024 verhoord. Zo verklaart [betrokkene 5] op 22 februari 2024 als volgt. (-) in reactie op de aan hem getoonde foto van [getuige 6], verklaart hij: “Ik ken hem niet. Niet van de straat, niet van de gevangenis, nergens.”; (-) in reactie op de aan hem getoonde foto van [verdachte], verklaart hij: “Ik ken hem van TV en de krant. Hij is de man die betrokken is bij hetgeen jullie mij van verdenken. Dat heb ik gelezen en gezien, maar ik ken hem niet persoonlijk. Ik ken hem onder geen enkele naam. Ik heb hem, dat ik weet, nooit ontmoet.”; (-) in reactie op de aan hem getoonde foto van het slachtoffer, verklaart hij: “Ik herken deze persoon niet. Ik ken hem niet. Ik heb hem, dat ik weet, nooit ontmoet. Ik weet niet wat er met [slachtoffer] is gebeurd. Ik kan mij van het nieuws herinneren dat [slachtoffer] op dinsdag 27 september 2016 omstreeks 07:30 uur op de parkeerplaats van de kerk House of Worship te Erosweg is vermoord, maar dat is het enige wat ik ervan afweet. Verder weet ik helemaal niets. Ik heb geen enkele betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer].”; (-) op de vraag waarom [getuige 6] een verklaring bij de politie over zijn betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] zou afleggen, verklaart hij: “Ik ken die gast niet.”; (-) geconfronteerd met de verklaring van [getuige 6] dat hij heeft gehoord toen [verdachte] aan [getuige 7] vroeg of hij een man genaamd of bijgenaamd [betrokkene 5] kende, dat [getuige 7] antwoordde dat deze man in de omgeving van zijn woning vertoeft en dat [verdachte] tegen [getuige 7] heeft gezegd dat hij en [betrokkene 5] [slachtoffer] hadden vermoord, verklaart hij: “Ze liegen, 200%. Ik weet hier helemaal niets van. Ik ken niemand van de mensen waar jullie naar gevraagd hebben. Niets van dit alles.”. Bij deze verklaringen is [betrokkene 5] ook tijdens diens verhoor bij de rechter-commissaris op 12 juni 2024 gebleven. Bij requisitoir heeft de officier van justitie betoogd dat, ‘gelet op het feit dat de opdrachtgevers binnen dit onderzoek de familie [betrokkene 1,2 en 3] betreft, niet is uit te sluiten dat de getuige [getuige 7] en [betrokkene 5] een dreigend signaal van de familie [betrokkene 1,2 en 3] hebben gekregen om hun mond dicht te houden’. Reeds uit deze formulering en het feit dat in de zin die volgt staat dat dit een hypothese is, gaat het Gerecht aan dit betoog voorbij. Dat [getuige 6] en [betrokkene 5] op enig moment door wie dan ook zouden zijn bedreigd om hun mond dicht te houden biedt het dossier immers geen enkel aanknopingspunt. Dan volgt de verklaring van [getuige 6] bij de rechter-commissaris op 20 juni 2024 in het kader van een terugwijzing in de strafzaak tegen de verdachte. Met de raadsvrouw, volgt het Gerecht de officier van justitie niet in haar conclusie dat [getuige 6] tegenover de rechter-commissaris in zijn bij de politie afgelegde verklaringen, zoals hiervoor aangehaald, heeft volhard. Het Gerecht is in de kern van oordeel dat zijn op 20 juni 2024 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring te veel vragen oproept om deze als voldoende betrouwbaar voor het bewijs te kunnen bezigen. Zo heeft hij tegenover de rechter-commissaris verklaard dat de hele afdeling (het Gerecht begrijpt: cellenblok 4 van de gevangenis) over de situatie sprak en heeft hij niet bevestigd dat hij [verdachte] tegen [getuige 7] hoorde zeggen dat hij, aldus [verdachte] en [betrokkene 5], [slachtoffer] hadden vermoord. Dat is naar het oordeel van het Gerecht op zijn minst een betekenisvol detail dat [getuige 6] heeft gewijzigd in zijn bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring ten opzichte van zijn bij de politie afgelegde verklaringen. Daarbij komt dat [getuige 6] tegelijkertijd heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren wat hij eerder heeft verklaard, maar dat als hij dit heeft verklaard, het dan wel zal kloppen. Ook heeft hij in dit verhoor verklaard dat hij niet weet of hetgeen hij destijds heeft verklaard de waarheid is of niet en dat hij heeft verklaard waar iedereen het over had. Voorts kan hij zich de reden waarom hij als getuige een verklaring wenste af te leggen niet herinneren. In het licht van het voorgaande staat [getuige 6]’s bij de politie afgelegde verklaring over wat de verdachte zou hebben gezegd en de strekking daarvan in relatie tot de andersluidende verklaringen van [getuige 7] en [betrokkene 5] op zichzelf. Het Gerecht overweegt met betrekking tot de verklaring van [getuige 5] dat hij heeft verklaard dat de informatie over de moord op het slachtoffer door [getuige 6] aan hem is verteld, hetgeen niet als daderkennis is aan te merken. In onderlinge samenhang bezien doet het voorgaande naar het oordeel van het Gerecht afbreuk aan de bruikbaarheid van zijn verklaring voor het bewijs. Bij deze stand van zaken en mede in het licht van de kanttekeningen die het Gerecht in het algemeen voorop heeft gesteld ter zake van de getuigenverklaringen, acht het Gerecht de voor de verdachte belastende verklaring van [getuige 6] onvoldoende overtuigend en daarmee onvoldoende betrouwbaar. Nu de getuige [getuige 5] zijn verklaring heeft gebaseerd op wat hij van [getuige 6] stelt te hebben vernomen, deelt diens verklaring hetzelfde lot. Het Gerecht zal de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 5] van het bewijs uitsluiten. Dan resteert het vervolgverhoor van de bedreigde getuige H41 bij de rechter-commissaris. In de periode van juli 2024 heeft deze getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij of zij (omwille van de leesbaarheid verder: hij) zich niet kan herinneren wat hij eerder in de House of Worship zaak bij de rechter-commissaris heeft verklaard, en kan hij vervolgens geen antwoord geven op de vraag of hij in deze verklaring volhardt omdat hij het zich niet meer precies kan herinneren. Pas als de rechter-commissaris doorvraagt en de bedreigde getuige H41 confronteert met zijn eigen verklaring, heeft hij hierover, uiteindelijk in essentie met dezelfde strekking verklaard als in 2017. Met zijn verklaring wijst deze getuige aldus in de richting van de verdachte als het om betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer gaat. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt het Gerecht tot de volgende conclusies. Slotoverwegingen Naar het oordeel van het Gerecht is de belastende verklaring van de bedreigde getuige H41, gelet op het voorgaande, het enige directe en belangrijkste bewijsmiddel dat de verdachte betrokken was bij het om het leven brengen van het slachtoffer. Het Gerecht is echter van oordeel dat de verklaring van de bedreigde getuige H41, op het punt van de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij de moord op het slachtoffer, niet in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De kern van de verklaring van de bedreigde getuige H41 is dat de verdachte als bestuurder van de vluchtauto had opgetreden en dat twee Venezolanen voor de moord op het slachtoffer waren ingezet. Juist voor dit kernelement van de verklaring van de bedreigde getuige H41 - het directe daderschap van de verdachte - uitgaande van de betrouwbaarheid van diens verklaring kan bij gebreke van voldoende steun daarvoor in het dossier niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Het enige directe bewijsmiddel dat naar het oordeel van het Gerecht op de betrokkenheid van de verdachte als (mede)pleger van het opzettelijk doden van het slachtoffer wijst is de verklaring van de bedreigde getuige H41. Deze verklaring acht het Gerecht zoals eerder besproken gelet op de bewijsminimumregels niet voldoende om daarop een bewezenverklaring te baseren. Bij deze stand van zaken deelt het onder 2 ten laste gelegde vuurwapen- en munitiebezit hetzelfde lot. Door de officier van justitie zijn aanwijzingen voor het motief van de moord op het slachtoffer blijkens haar requisitoir ontleend aan de strafzaak met onderzoeksnaam ‘Toren’, waarbij fragmenten uit (belastende) verklaringen van getuigen zijn aangehaald en op betrouwbaarheid zijn getoetst middels bevestiging daarvan aan de hand van laatstgenoemd onderzoek. Deze exercitie leidt echter, gelet op wat het Gerecht met betrekking tot de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 5] heeft overwogen, en het feit dat geen steunbewijs voorhanden is voor de verklaring van bedreigde getuige H41, niet tot een ander oordeel. Immers de omstandigheid dat het motief als zodanig aannemelijk zou zijn geworden maakt niet dat dat bewijs van het daderschap van de verdachte oplevert. Nog steeds wordt het vereiste bewijsminimum niet gehaald. Wellicht ten overvloede overweegt het Gerecht nog dat bij deze stand van zaken de vermeende rol van de verdachte bij de moord van het slachtoffer geen bespreking behoeft. Bij requisitoir heeft de officier van justitie verwezen naar ECLI:NL:RBROT:2017:5425 en ECLI:NL:GHDHA:2022:2745 en betoogd dat de omstandigheid dat de verdachte zowel als bestuurder en als schutter wordt genoemd, voor de bewezenverklaring minder relevant is, nu dat in beide gevallen een rol oplevert die van wezenlijk en significant belang was voor de voltooiing van het strafbare feit. In de zaken waar de officier van justitie in dit verband naar heeft verwezen stond echter vast dat de desbetreffende verdachte(
  3. n)als dader betrokken was c.q. waren bij het ten laste gelegde. In de onderhavige zaak echter is het daderschap van de verdachte wegens gebrek aan (voldoende) wettig en overtuigend bewijs in rechte niet komen vast te staan. Op grond van al het voorgaande is het Gerecht aldus van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich op 27 september 2016 schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van moord c.q. doodslag op het slachtoffer. Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich op die dag schuldig heeft gemaakt aan verboden vuurwapen- en munitiebezit. Het Gerecht zal de verdachte daarom vrijspreken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Voorlopige hechtenis Gelet op de algehele vrijspraak van het ten laste gelegde zal het bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven. Schadevergoeding De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering strekt tot vergoeding van een bedrag van totaal NAf 8.415,08 ter zake van materiële schade, zijnde begrafeniskosten, en een bedrag van NAf 20.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016. Nu het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kunnen de benadeelde partijen niet in hun vordering worden ontvangen en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. BESLISSING Het Gerecht: verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door R.A. Caupain, (zittingsgriffier), en op 21 augustus 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met de Penitentiaire Inrichting (PI) Leeuwarden (Nederland). Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 27 september 2016, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: 2016092714.20G, pagina 258-260. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 27 september 2016, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: 20160927.0830G, pagina 261-263. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 28 september 2016, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: 2016092814.20G, pagina 264-266. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 29 september 2016, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: 20160927.1030G, pagina 267-269. Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever] d.d. 5 september 2018, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: 201809051000.G, pagina 270-273. Proces-verbaal van het TCI d.d. 7 oktober 2016, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: TCI 2016152, pagina 248-249. Proces-verbaal van het TCI d.d. 21 oktober 2016, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: TCI 2016157, pagina 250. Proces-verbaal van het TCI d.d. 4 november 2016, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: TCI 2016184, pagina 251-252. Proces-verbaal van het TCI d.d. 4 november 2016, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: TCI 2016187, pagina 253. Proces-verbaal van het TCI d.d. 4 april 2018, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: TCI 2018024, pagina 254-255. Proces-verbaal van het TCI d.d. 16 april 2018, onderzoek Scrap Yard, proces-verbaalnummer: TCI 2018026, pagina 256-257. Proces-verbaal van verhoor van getuige (in het kader van een GVO) in juli 2017 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, pagina 280. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 26 oktober 2017, proces-verbaalnummer: 201710261300.G, pagina 288-290. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 18 januari 2018, proces-verbaalnummer: 201801170950.G, pagina 291-293. Proces-verbaal van getuige verhoor [getuige 6] d.d. 24 maart 2018, proces-verbaalnummer: 2018032210.30.GV, pagina 299-301. Proces-verbaal van getuige verhoor [getuige 6] d.d. 9 april 2018, proces-verbaalnummer: 201804091045.GV, pagina 306-309. Proces-verbaal van bevinding d.d. 5 januari 2024, proces-verbaalnummer: 202301051105.AMB, onderzoek Scrap Yard, los stuk. Proces-verbaal van getuige verhoor [getuige 6] d.d. 7 juni 2018, proces-verbaalnummer: 201806071400.GV, pagina 325-327. Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 4 januari 2024, documentcode: 240104.1330.G-GariR94, vervolg proces-verbaal onderzoek Scrap Yard, pagina 423-427. Processen-verbaal van 1ste en 2de verdachtenverhoor [betrokkene 5] d.d. 22 februari 2024, processen-verbaalnummer: 202402221045.VV1 en 202402221115VV2, pagina 438-448. Zie pagina 31 requisitoir d.d. 31 juli 2024. Zie pagina 39 requisitoir d.d. 31 juli 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.