Strafzaken over 2024 Zaaknummer: 800.00001/24 Datum beschikking: 14 maart 2024 gegeven op het verzoek ex artikel 178 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], verder te noemen: verzoeker, bijgestaan door mr. S.N. Zahedi, advocaat in Curaçao. 1Verloop van de procedure 1.1 Op 25 januari 2024 is ter griffie van het Gerecht een verzoekschrift, met één productie, ingekomen strekkende tot vergoeding van door verzoeker geleden schade ten gevolge van toepassing van dwangmiddelen, ten bedrage van NAf 13.875,-, te vermeerderen met de nog te onderbouwen kosten van het verlies van drie automobielen en huisraad, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. 1.2 Het verzoek is door het Gerecht behandeld in raadkamer van 26 februari
- Verschenen en gehoord zijn verzoeker, zijn advocaat en de officier van justitie, mr. W. de Graaf. Verzoeker heeft vragen van het Gerecht beantwoord. De advocaat heeft het verzoekschrift mondeling toegelicht. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toekenning van een vergoeding. 1.3 Beschikking is aangezegd, waarvan de uitspraak is bepaald op heden. 2De ontvankelijkheid Het verzoek is tijdig en op de juiste wijze ingediend, zodat verzoeker daarin kan worden ontvangen. 3De beoordeling De feiten 3.1 Verzoeker is aangehouden en in verzekering gesteld op 12 juli 2023 op verdenking van (medeplichtigheid aan) diefstal met geweldpleging en overtreding van de Vuurwapenverordening
- Vervolgens is de voorlopige hechtenis van verzoeker bevolen op 21 juli
- 3.2 De strafzaak met parketnummer 500.00195/23 tegen verzoeker is bij vonnis van het Gerecht van 24 november 2023 geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel doordat verzoeker is vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten. Dit vonnis is op 9 december 2023 onherroepelijk geworden. Het verzoek 3.3 Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van het Land, ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de door hem ondergane voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer. De schade is als volgt omschreven: - 10 dagen detentie in Barber à NAf 75,- per dag NAf 750,- - 125 dagen detentie in SDKK à NAf 105,- per dag NAf 13.125,- Totaal NAf 13.875,- De advocaat heeft, onder verwijzing naar de in het verzoekschrift aangekondigde eisvermeerdering, in raadkamer een bon en een viertal offertes overgelegd. 3.4 De officier van justitie heeft bevestigd dat verzoeker 135 dagen in detentie heeft doorgebracht en heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding op zijn plaats is. Voor wat betreft de hoogte van de vergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van het Gerecht. Het onderdeel van het verzoek tot schadevergoeding dat betrekking heeft op het verlies van drie automobielen en huisraad dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus nog steeds de officier van justitie. 3.5 Het Gerecht overweegt als volgt. Vergoeding detentieperiode 3.6 Ingeval van rechtmatige toepassing van een dwangmiddel kan ingevolge artikel 178, eerste lid, Sv schadevergoeding worden toegekend wanneer er gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn dat de geleden schade geheel of gedeeltelijk door het Land wordt gedragen. Hierbij geldt als uitgangspunt bij de rechtmatige toepassing van een dwangmiddel, dat toegebrachte schade in beginsel voor rekening komt van de individuele burger die nadeel heeft ondervonden van de wijze waarop de overheid haar taak ten behoeve van de gemeenschap heeft uitgeoefend. Alleen indien er gronden van redelijkheid en billijkheid bestaan die maken dat de schade niet voor rekening van de individuele burger dient te blijven, heeft het Gerecht een discretionaire bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen. 3.7 Uit de stukken van het geding en het verhandelde in raadkamer maakt het Gerecht op dat genoegzaam is gebleken dat de dwangmiddelen van inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis rechtmatig zijn toegepast. De ernstige bezwaren en de gronden die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid waren telkens door de rechter-commissaris getoetst en waren aldus steeds aanwezig geoordeeld. 3.8 Bezien moet worden of er in de onderhavige zaak gronden van redelijkheid en billijkheid bestaan die maken dat de gestelde schade door het Land dient te worden gedragen. Daarbij acht het Gerecht de destijds door verzoeker ingenomen proceshouding van belang. 3.9 Verzoeker werd ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij een op 26 juni 2023 in de nachtelijke uren gepleegde diefstal van een bestelwagen en van een op 27 juni 2023 rond 03:55 uur gepleegde diefstal met braak in een kledingwinkel in Punda. Verzoeker heeft bij gelegenheid van zijn eerste verhoor op 12 juli 2023 verklaard niets van de diefstal met braak af te weten. Bij gelegenheid van zijn tweede verhoor op diezelfde datum heeft hij wederom verklaard niets van de diefstallen af te weten. Na indringend doorvragen door de politie verklaarde verzoeker wel te weten, maar niet te kunnen zeggen wie de beroving heeft gepleegd. Pas bij gelegenheid van zijn derde verhoor op 15 juli 2023 heeft verzoeker – na wederom indringend doorvragen door de politie – verklaard, en daarbij de verklaring van zijn vriendin bevestigd, dat hij van het berovingsplan afwist, dat hij tegen de mannen had gezegd dat zij daarvoor een bus nodig hadden, dat hij mee zou zijn gegaan en dan als chauffeur zou hebben opgetreden en dat hij uiteindelijk niet is meegegaan nu hij het niet eens was met dat gedeelte van het plan waar er over de Pontonbrug zou worden gereden. Met betrekking tot de bij hem aangetroffen werkmaterialen afkomstig uit de bestelbus van zijn stiefvader, welke bus is gestolen en bij de onderhavige beroving is gebruikt, verklaarde verzoeker dat hij op het erf van één van de – volgens zijn verklaring – bij de diefstal betrokkenen, de werkmaterialen van zijn stiefvader heeft aangetroffen en die naar zijn huis had meegenomen. Het bevreemdt het Gerecht dat verzoeker zijn stiefvader daarvan niet op de hoogte had gesteld, laat staan de politie, wat in de omstandigheden van het geval wel in de rede had gelegen. 3.10 Het siert verzoeker dat hij zich om hem moverende redenen heeft gedistantieerd en uiteindelijk niet heeft meegedaan met de uitvoering van het desbetreffende plan; onder voormelde omstandigheden is het echter niet vreemd en ook niet buitenproportioneel dat verzoeker in verband met het (verder) onderzoek 135 dagen in detentie heeft doorgebracht en dat, mede in aanmerking genomen het overige jegens verzoeker zeer belastende materiaal, de zittingsrechter had te beslissen over de bewijsvraag, de strafbaarheid van het feit en van de verdachte en ook over het al dan niet voortduren van de voorlopige hechtenis. 3.11 Anders dan de advocaat en de officier van justitie, is het Gerecht van oordeel dat verzoeker in de omstandigheden van het geval (het voortduren van) de detentie aan zichzelf te wijten heeft gehad. Er is verder onvoldoende gesteld en anderszins is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, ook niet gebleken dat er in de onderhavige zaak gronden van redelijkheid en billijkheid bestaan die maken dat de door verzoeker gestelde schade door het Land dient te worden gedragen. Daarbij houdt het Gerecht in het bijzonder rekening met het feit dat verzoeker op de hoogte was van het initiële berovingsplan, had voorgesteld om daarvoor een bus (lees: een bestelwagen) te gebruiken en zich tevens als chauffeur voor bij de beroving had aangeboden. Het enkele feit dat verzoeker uiteindelijk wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs is vrijgesproken, maakt niet dat hem schadevergoeding toekomt. Het criminele plan waar verzoeker bij betrokken is geweest, is uiteindelijk uitgevoerd, zij het niet mede door verzoeker, maar met alle gevolgen van dien voor de gemeenschap. Het zou in de omstandigheden van het geval dan ook onaanvaardbaar zijn om aan verzoeker ten laste van diezelfde gemeenschap een vergoeding toe te kennen in verband met de door hem ondergane detentie. Vergoeding automobielen en huisraad 3.12 Verzoeker verzoekt eveneens vergoeding van materiële schade die hij stelt gedurende zijn detentieperiode te hebben geleden wegens de verbranding van twee hem toekomende voertuigen alsook een voertuig van een derde dat bij verzoeker voor reparatie thuis stond, en het door onbevoegden leeghalen van zijn huis. 3.13 Het Gerecht wijst het verzoek tot vergoeding van de materiële schade af. Er is geen causaal verband tussen deze schadepost en de door verzoeker ondergane detentie, zodat die niet in aanmerking voor schadevergoeding komt. Immers op 25 juli 2023 heeft verzoeker aangifte van brandstichting gedaan jegens een aantal personen. Reeds daaruit volgt dat verzoeker van mening is dat de door hem genoemde schade door deze personen is veroorzaakt en dus niet door het feit dat jegens hem een strafvorderlijk dwangmiddel is toegepast. Datzelfde geldt met betrekking tot de stelling van verzoeker dat zijn woning is leeggehaald. Voor zover verzoeker heeft willen stellen dat, indien hij zich niet in detentie bevond, hij deze schade niet had geleden, mist deze stelling, wat daar ook van zij, feitelijke grondslag. 3.14 Beslist wordt dan ook als volgt. De beslissing Het Gerecht wijst af het verzoek. Deze beschikking is gegeven op 14 maart 2024 in Curaçao door mr. S.A. Carmelia, rechter in bovengenoemd Gerecht, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. O.H.M. Leito.