Parketnummer: 500.00258/24 Uitspraak: 2 april 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], [adres 1], thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A. Koendjbiharie, advocaat in Curaçao. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. De officier van justitie, mr. F.E. van der Zee, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. Haar vordering behelst voorts: de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen en de oplegging van een daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. De raadsman heeft verweer gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding verzoekt de raadsman het Gerecht om het bedrag te matigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op of omstreeks 8 september 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, met een (vuur)wapen (meermalen) geschoten op en/of in de richting van (het lichaam) van voornoemde [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; Feit 2 hij op of omstreeks 7 september 2024 te Curaçao, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend een (vuur)wapen op die [slachtoffer] gericht, althans dreigend een (vuur)wapen aan die [slachtoffer] getoond; Feit 3 hij op of omstreeks 8 september 2024, althans in of omstreeks de periode van 7 september 2024 tot en met 8 september 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), en/of een hoeveelheid aan munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft/hebben gehad. Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Vrijspraak van moord (feit 1 impliciet primair) Het Gerecht is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde voorbedachte rade niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 hij op of omstreeks 8 september 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet – met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)met dat opzet en -al dan niet-na kalm beraad en rustig overleg, met een (vuur)wapen (meermalen) geschoten op en/of in de richting van (het lichaam) van voornoemde [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; Feit 2 hij op of omstreeks 7 september 2024 te Curaçao, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend een (vuur)wapen op die [slachtoffer] gericht, althans dreigend een (vuur)wapen aan die [slachtoffer] getoond; Feit 3 hij op of omstreeks 8 september 2024, althans in of omstreeks de periode van 7 september 2024 tot en met 8 september 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), en/of een hoeveelheid aan munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft/hebben gehad. Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao. Ten aanzien van feit 1 en feit 3 1.De verdachte heeft ter terechtzitting, voor zover van belang, het volgende verklaard: “Op 8 september 2024, had ik met een vuurwapen op het slachtoffer geschoten.” 2. De verbalisant [verbalisant 1] heeft op 12 september 2024 een proces-verbaal opgemaakt, hierbij heeft hij zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd: “Op 8 september 2024, omstreeks 21:30 uur, werd ik (…) gedirigeerd naar de [adres 2] voor een schietincident waarbij het slachtoffer vanwege kogelperforatie om het leven is gekomen. Ter plaatse aangekomen zag ik, verbalisant, dat een man op de parkeerplaats van [minimarket] minimarket lag en dat hij inderdaad geen teken van leven gaf. Doodconstatering Ter plaatse vernam ik (…) van de politiearts [politiearts] , dat hij de dood van de man in leven genaamd: [slachtoffer](…) had geconstateerd.” 3Op 10 september 2024 heeft de patholoog-anatoom, Dr. L. Althaus, sectie op het lichaam van [slachtoffer] verricht. Hij heeft zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd: (…) 11. ESSENTIAL ANATOMIC FINDINGS 1. Perforation of the upper lobe of the right lung. 2. Laceration of the ascending part of the aorta. 3. Pericardial tamponade (ca. 240 ml). 4. Hemato-pneumothorax on the right side with ca. 1400 ml of blood in the right thoracic cavity. 5. Significant blood aspiration. 6. Acute traumatic anemia. 7. Otherwise, age-appropriate organ findings without competing death-causing, Macroscopic visible anomalies. 12CAUSE OF DEATH Internal bleeding to death in combination with pericardial tamponade due to a gunshot. 13MANNER OF DEATH Non-natural. Homicide.” Ten aanzien van feit 2 en feit 3 1.De verdachte heeft ter terechtzitting, voor zover van belang, het volgende verklaard: “Op 7 september 2024 ging ik mijn zoon ophalen bij de woning van het slachtoffer. Het slachtoffer en ik hadden daar een discussie. Een vriend van het slachtoffer had mij tegengehouden en weggestuurd.” 2. Op 9 september 2024 legde de getuige [getuige 1](ex-vriendin van de verdachte) een verklaring af. Zakelijk weergegeven verklaarde zij: “Op zaterdag 7 september 2024 (…) is (…) "[verdachte] (…) bij ons thuis te "[adres 2]" gekomen. Op dat moment waren ik, mijn vriend "[betrokkene 1]", het slachtoffer en mijn twee kinderen thuis. (…) Het slachtoffer bevond zich in de veranda aan de voorzijde van onze woning. Ik was binnenshuis. Op een gegeven moment hoorde ik dat er gescholden werd. Ik kwam naar buiten en zag dat "[verdachte]" uit de roodgelakte auto was gestapt en met een vuurwapen (gun) in zijn rechterhand stond. Ik zag hoe "[verdachte]" zijn vuurwapen trok en dit op "[slachtoffer]" richtte die op dat moment op de veranda zat.(…) Vervolgens hoorde ik dat “[verdachte] " tegen het slachtoffer zei: "Je had allang dood moeten zijn. (…)” 3. Op 9 september 2024 legde de getuige [betrokkene](vriend van het slachtoffer) een verklaring af. Zakelijk weergegeven verklaarde hij: “Ik moet verklaren, dat de dader (het Gerecht begrijpt: de verdachte [verdachte]) (…) bij mijn woning kwam, om zijn zoon te zien. De moeder van de zoon (het Gerecht begrijpt de getuige [getuige 1]) vertelde hem, dat de zoon in slaap was. De dader bleef aandringen om zijn zoon te zien. Op dat moment ging mijn vriend (het Gerecht begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer]) naar buiten met een kapmes en deelde de dader mede, om van zijn woning weg te gaan. De dader vertelde mijn vriend dat hij hem niet kan verbieden om bij de woning te komen wanneer hij dat wilde. Er ontstond een woordenwisseling tussen mijn vriend en de dader. Ik was op dat moment aan het slapen. Ik stond op van mijn bed en ging naar buiten om het probleem te sussen. Ik deelde de dader mede om het probleem te laten en om weg te gaan. Voordat de dader wegreed, deelde hij mijn vriend mede dat hij zou zien wie hij was. De dader besloot toen om weg te gaan. Tevens moet ik verklaren, dat de dader mijn vriend met een vuurwapen bedreigd had.” Verweren ten aanzien van de strafbaarheid van feit 1 Namens de verdachte heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 het volgende aangevoerd: “Het slachtoffer is volgens client zelf de confrontatie gaan opzoeken. Volgens client zou hij al enige tijd problemen hebben met het slachtoffer. Dat zou echter geen reden zijn om hem neer te schieten. Elke keer als client zijn zoon ging bezoeken werd door het slachtoffer aan hem gezegd dat client niet aldaar moest komen. Op die dag zag client dat de Chinees het slachtoffer uit de toko duwde met zijn hand. Client zou toen uit de auto gestapt zijn om te kijken wat er aan de hand was. Op dat moment zag client dat het slachtoffer op hem afkwam. Zulks heeft ook de getuige [getuige 2] verklaard. Client zag verder dat op het moment het slachtoffer op hem afkwam, het slachtoffer iets uit zijn broeksband haalde. Hij wist niet wat het slachtoffer tevoorschijn haalde. Op dat moment zou hij het vuurwapen gebruikt hebben. Zulks zou hij gebruikt hebben ter zelfverdediging. Hij raakte in paniek toen het slachtoffer op hem afrende. Volgens client werd hij meerdere malen bedreigd door het slachtoffer.” De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende – zakelijk weergegeven – verklaard: “Ik was samen met mijn vriendin [getuige 1] en haar vriendin genaamd [betrokkene 2] in de auto. Het was het plan van [getuige 1] om naar bedoelde minimarkt te gaan om spullen te kopen. Ik bleef achter in de auto zitten. Ik was bang voor het slachtoffer en wilde een confrontatie met hem vermijden. [getuige 1] en [betrokkene 2] stapten uit de auto en liepen de minimarkt binnen. Kort hierna zag ik het slachtoffer achter hen aan lopen. Ik weet niet precies wat er in de minimarkt gebeurd is, maar ik hoorde [getuige 1] schreeuwen: “Let me, let me”. Dat is de reden waarom ik uit de auto stapte. Ik wilde zien wat er gaande was. Ik had op dat moment het vuurwapen in mijn broekzak. [getuige 1] liep uit de minimarkt en het slachtoffer liep achter [getuige 1] aan. Ik zag dat zij in discussie waren. [getuige 1] liep door naar de auto en plotseling liep het slachtoffer op mij af. Ik stond op dat moment tussen twee auto’s. Toen hij op mij af liep, liep ik achteruit. Ik wilde geen confrontatie met hem. Hij probeerde mij vast te pakken. Ik zag hem een beweging met zijn armen doen alsof hij iets uit zijn broekzak haalde. Ik raakte in paniek, had mijn vuurwapen getrokken en heb van dichtbij drie keer in zijn richting geschoten. Ik heb hem niet met een vuurwapen gezien. Hij heeft wel eerder gezegd dat hij een vuurwapen had. Ik heb ook meermalen bedreigende berichten van het slachtoffer op mijn telefoon ontvangen. Ik wilde hem niets aandoen, ik moest mijzelf beschermen.” Het Gerecht vat dit verweer op als een beroep op (putatief) noodweer en overweegt ten aanzien hiervan als volgt. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer moet vastgesteld worden dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting leidt het Gerecht het volgende af. De verdachte heeft al een lange tijd problemen met de moeder van zijn zoontje. Het slachtoffer, dat ook op het adres van de moeder woonde, bemoeide zich met die problemen en hierdoor is het conflict tussen de verdachte en het slachtoffer ontstaan. Op 7 september 2024 is de verdachte zijn zoon bij die woning gaan ophalen en is in discussie met het slachtoffer geraakt. Hierbij heeft de verdachte zijn vuurwapen getrokken en op het slachtoffer gericht. De volgende dag, op 8 september 2024, treffen de verdachte het slachtoffer elkaar op de parkeerplaats van de minimarkt die in hetzelfde complex is gelegen als de woning van het slachtoffer. Op het moment dat het slachtoffer de minimarkt verlaat, staat de verdachte tussen twee de auto’s op de parkeerplaats. Het slachtoffer loopt in de richting van de verdachte. Op een gegeven moment ziet het slachtoffer de verdachte en loopt op hem af. Uit de ter terechtzitting en in raadkamer meermalen bekeken videobeelden maakt het Gerecht op dat op het moment van de confrontatie, de verdachte terugdeinst terwijl het slachtoffer een beweging maakt waarbij hij zijn hand naar zijn zijde haalt en daarna omhoog brengt richting de verdachte. Kort daarna wordt het slachtoffer doodgeschoten. Het schieten is niet op de videobeelden te zien. Het Gerecht stelt voorop dat niet is gebleken dat het slachtoffer ten tijde van het incident een (vuur)wapen in zijn bezit had. In de nabijheid van het slachtoffer is ook geen (vuur)wapen aangetroffen. Bovendien heeft de verdachte zelf verklaard dat hij geen wapen bij het slachtoffer heeft gezien. Ook indien de verdachte zou worden gevolgd in zijn verklaring dat hij zag dat het slachtoffer een beweging maakte waardoor hij (de verdachte) dacht dat hij een vuurwapen trok, wordt een beroep op – (putatief) noodweer verworpen. Naar het oordeel van het Gerecht is uit de videobeelden niet op te maken dat het slachtoffer een beweging heeft gemaakt die door de verdachte, die op dat moment dicht bij het slachtoffer stond, abusievelijk zou kunnen zijn geïnterpreteerd als het grijpen naar een (vuur)wapen. In dit verband heeft de verdediging nog aangevoerd dat het slachtoffer wel eens gezegd had dat hij een vuurwapen had en dat hij bedreigende berichten naar de verdachte heeft gestuurd. Het Gerecht merkt op dat uit het onderzoek naar de inhoud van de mobiele telefoon van de verdachte niet is gebleken van bedreigende berichten van het slachtoffer jegens de verdachte. Overigens vindt een dergelijke eerdere bedreiging op geen enkele wijze steun in het dossier. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het Gerecht van oordeel dat de feiten en omstandigheden die aan het beroep op (putatief) noodweer ten grondslag zijn gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. Het verweer wordt verworpen. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd: Doodslag. Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:255 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd: Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Oplegging van straf Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden wordt voor het plegen van doodslag, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen 10 en 12 jaren genoemd. De verdachte heeft het slachtoffer door zijn borst geschoten, op de openbare weg, alwaar kinderen in de omgeving waren en als eersten werden blootgesteld aan het bloedende, dode lichaam van het slachtoffer. Verder is één van de door de verdachte afgevuurde kogels getroffen in een rijstzak in een nabijgelegen woning. Het is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken dat niet meer dodelijke slachtoffers zijn gevallen of ernstig zijn gewond. Het slachtoffer is het meest fundamentele recht, te weten het recht om te leven, ontnomen. Het handelen van de verdachte heeft ernstig en onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer. De ervaring leert dat dergelijke geweldsmisdrijven bovendien gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaken. De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan bedreiging van het slachtoffer (op de dag voorafgaand aan het schietincident) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Vuurwapenbezit dient, gelet op de vele vormen van criminaliteit die daarmee gepaard gaan, krachtig bestreden te worden. De verdachte had niet op het slachtoffer mogen schieten; het is het Gerecht echter niet ontgaan dat het slachtoffer zich jegens de verdachte en diens vriendin op de bewuste avond niet onbetuigd heeft gelaten en in zekere zin zelf de confrontatie heeft gezocht, wat hem spijtig genoeg noodlottig is geworden. Niet is gebleken dat de verdachte en/of diens vriendin op de bewuste avond zich tot het slachtoffer hadden gericht, laat staan problemen dan wel de confrontatie met hem hadden gezocht. Uit de camerabeelden maakt het Gerecht op dat het slachtoffer uit zijn woning komt lopen en, terwijl de verdachte nog in de auto zat, meteen achter de vriendin van de verdachte aan liep en haar met zijn mobiele telefoon begon te filmen. In de minimarkt leverde dit discussie op en ontstond er een handgemeen tussen het slachtoffer en de vriendin van de verdachte. Ook nadat de vriendin van de verdachte de minimarket had verlaten, bleef het slachtoffer aandringen. Op het moment dat het slachtoffer de verdachte zag, liet hij de vriendin van de verdachte met rust en richtte hij zich op de verdachte. Hij liep meteen op de verdachte af, waarop de verdachte terugdeinst en het slachtoffer kort daarop dodelijk treft met een door hem afgevuurd schot. Het Gerecht kan niet anders dan bij de op te leggen straf tevens rekening te houden met deze omstandigheden. Het Gerecht houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is, zo blijkt uit zijn uittreksel uit het justitieel documentatieregister, niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf. Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in dit geval een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Schadevergoeding De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (de moeder van het slachtoffer) en [benadeelde partij 2] (de broer van het slachtoffer) hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. De verdediging heeft de vorderingen niet betwist. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] bedraagt NAf 9.615,97 ter zake van materiële schade (begrafeniskosten) en NAf 20.000,- ter zake van immateriële schade (shockschade). Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van NAf 9.615,97, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor wat betreft de immateriële schade ligt de vraag voor of aan het confrontatievereiste, dat door de benadeelde partij aan de vordering ten grondslag is gelegd, is voldaan. Uit de jurisprudentie kan als maatstaf worden afgeleid de vraag of de (ongewilde en onvoorbereide) waarneming van het lichaam en/of de verwondingen meteen na het misdrijf een hevige schok hebben veroorzaakt. De benadeelde partij [benadeelde partij 1] is de moeder van het slachtoffer. Uit de bij haar vordering gevoegde brief en de ter terechtzitting door haar gegeven toelichting blijkt dat toen zij hoorde dat haar zoon was doodgeschoten, zij van Santa Catharina naar de plaats delict in Montaña is gerend in de hoop haar zoon nog levend te zien. Toen zij de plaats delict bereikte, zag zij het levenloze lichaam van haar zoon op de grond liggen, met bloed over zijn gezicht. Zij verklaarde verder dat zij nog elke dag huilt om het verlies van haar zoon die haar enige familie in Curaçao, en ook haar beste vriend was. Zij wil graag professionele hulp krijgen, maar gezien zij geen verzekering heeft, kan zij dit op dit moment deze hulp niet inschakelen, zo maakt het Gerecht op uit de brief. Naar het oordeel van het Gerecht is voldaan aan het confrontatievereiste. De benadeelde partij [benadeelde partij 1] is op de plaats delict geconfronteerd met haar gestorven zoon. Dat dit bij haar een hevige schok heeft veroorzaakt, acht het Gerecht voor de hand liggend. Het Gerecht is bekend met de jurisprudentie waaruit volgt dat voor een toewijzing van de schockschade sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat in beginsel uit een rapportage van een deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – kan worden afgeleid. Ondanks dat het Gerecht niet over een dergelijke rapportage beschikt neemt het Gerecht, gelet op de wijze waarop de benadeelde partij met de dood van haar zoon is geconfronteerd, in combinatie met de gevolgen zoals zij die in haar brief heeft omschreven, aan dat sprake is van geestelijk letsel en aldus van de immateriële schade zoals gevorderd. Het Gerecht wijst aldus het voor de immateriële schade gevorderde bedrag van NAf 20.000,- toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] bedraagt NAf 7.790,80 aan materiële schade (reiskosten naaste familieleden). Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van NAf 7.790,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De verdediging heeft verzocht om de gevorderde bedragen te matigen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het Gerecht hiertoe geen aanleiding. Het Gerecht ziet aanleiding ter zake van beide toegewezen vorderingen schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van de verschuldigde bedragen niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd. De proceskosten van de benadeelde partijen zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:78 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het Gerecht: verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 11 (elf) jaren; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht; wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 29.615,97 (zegge: negenentwintigduizend zeshonderdenvijftien gulden en zevenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij; wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 7.790,80 (zegge: zevenduizend zevenhonderdnegentig gulden en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken; legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van van NAf 29.615,97 (zegge: negenentwintigduizend zeshonderdenvijftien gulden en zevenennegentig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 183 (honderddrieëntachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van van NAf 7.790,80 (zegge: zevenduizend zevenhonderdnegentig gulden en tachtig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 73 (drieënzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. N.R.H. Marsera, (zittingsgriffier), en op 2 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(
- en)in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Lokaal ernstige criminaliteit) d.d. 17 februari 2025 en de onderzoeksnaam “Kingston”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 239. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2025, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven. Proces-verbaal lijkherkennig, d.d. 12 september 2024, dossierpagina’s 1 t/m 2. Schriftelijk bescheid, te weten een Forensic Autopsy Report d.d. 11 september 2024, dossierpagina’s 77 t/m 88. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2025, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pvnr: 202409091537.G, dossierpagina’s 9 t/m 17. Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1], pvnr: 202409091605G, dossierpagina’s 33 t/m 36.