GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Afdeling civiel Zaaknummer: CUR202500285 Vonnis in kort geding d.d. 3 april 2025 inzake [eiseres], wonend in [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. S.N. Zahedi, tegen [gedaagde], wonend in [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: mr. R.J. Tromp. 1Verloop van de procedure 1.1. Het procesverloop blijkt uit: - het verzoekschrift van 27 januari 2025, met producties; - de producties gedaagde van 12 maart 2025; - de nadere producties van eiseres van 12 maart 2025; - de mondelinge behandeling gehouden op 13 maart 2025 waarbij partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen; - de pleitnotities van partijen. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. Partijen zijn zusters van elkaar. 2.2. Het perceel [het perceel] (hierna: het perceel) is in eigendom van de Stichting Johannes Bosco. 2.3. Eiseres heeft in 2022 van derden het gebruiksrecht op de bebouwing op het perceel gekocht. 2.4. Eiseres, gedaagde en de levenspartner eiseres zijn met ingang van 15 augustus 2022 gezamenlijk huurders van het perceel. Verhuurder is de stichting. 2.5. In een akte “Huurovereenkomst woonruimte onbepaalde tijd”, waarbij eiseres als verhuurder en gedaagde als huurder is vermeld, staat onder meer het volgende: “Artikel 1 – Omschrijving gehuurde 1. Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder de woonruimte [het gehuurde] te Willemstand Curaçao, hierna te noemen ‘het gehuurde.’ (…) Artikel 5 – Huurpijs 1. De totale huurprijs wordt door verhuurder maandelijks bij huurder in rekening gebracht en is bij aanvang ANG 3.500 per maand. 2. Deze huurprijs is als volgt opgebouwd: kale huurprijs ANG 3.500,00 voorschot gas, water en licht ANG 0.00 voorschot servicekosten ANG 0,00 -------------------------------------------------------------------- Totale huurprijs ANG 3.500,00 (…)” De akte is door eiseres en gedaagde ondertekend. 2.6. In een akte “Onderhandse afspraken” staat onder meer het volgende: “Tussen: .[eiseres] & [gedaagde] Opgemaakt: 10 januari 2023 Retrospectief ingaande op: 15 augustus 2022. Als zus wilde ik je graag helpen in een moeilijke tijd en mede hierom heb ik besloten om het huis te kopen aan de [het perceel] op Curaçao van de oudoom van [partner van eiseres] (mijn partner). Naast de aankoop van de woning heb ik, om de investering voor mezelf veilig te stellen, de verbouwing gefinancierd om de woning te moderniseren. We hebben afgesproken, daar ik in [land] woon, dat jij toezicht houdt op de verbouwing en deze begeleidt. In ruil daarvoor schenk ik, geheel belangeloos, 50% van de uiteindelijke overwaarde van de woning bij eventuele verkoop. In praktijk betekent dit dat ik de kosten van de woning vermeerderd met de verbouwing aftrek van de verkoopsom, hetgeen overblijft (de overwaarde) deel ik met jou. Dit als blijk van dank voor je inzet tijdens de verbouwing en als blijk van waardering. Daarnaast hebben we afgesproken dat je de huursom niet daadwerkelijk aan mij hoeft te voldoen. De huursom is de geschatte huursom die ik redelijk zou vinden als ik het niet aan jou zou verhuren. In plaats van het betalen van huur, betaal jij in persoon de huursom voor de grond waarop de woning is gevestigd. Je betaalt de huur van de grond aan de Stichting Johannes Bosco conform het contract tussen ons en de stichting. Ook betaal je de verzekeringspremie van het huis (opstal). De berekening is als volgt: - Huursom: ANG 3.500,00 (Excl. GWL en Belastingen) - Huur van grond: ANG 1.245,00 (ANG 3.736 per kwartaal) - Verzekering: ANG 118,59 (ANG 1.423,10 incl. Taks) - Som: ANG 2.136,41 Er is momenteel geïnvesteerd in de woning zodat je ook kunt inzien wat de kosten zijn geweest: (…) Het maandelijks netto bedrag (som) van ANG 2.136,41 schenk ik jou dus en hoeft derhalve niet daadwerkelijk betaald te worden aan mij. Als je dit zou willen ondertekenen dan geeft dat mij rust en hebben we de afspraken onderling schriftelijk vastgelegd. Liefs, Je zus (…)” De akte is door partijen ondertekend. 2.7. Bij brief van 15 augustus 2024 heeft eiseres aan gedaagde te kennen gegeven dat zij de huur per 5 december 2024 opzegt en daarbij gedaagde gesommeerd om de woning tegen die datum te verlaten. 2.8. Bij brief van 3 december 2024 heeft (de gemachtigde van) eiseres gedaagde opnieuw gesommeerd de woning te ontruimen. Daarbij is gedaagde tevens gesommeerd aan eiseres een bedrag van NAf 40.092,- te betalen, uit hoofde van onder meer huurachterstand. Bij brief van 6 december 2024 heeft (de gemachtigde van) gedaagde daarop gereageerd. 2.9. Gedaagde verblijft nog altijd in de woning. 3Het geschil 3.1. De vordering van eiseres luidt als volgt: “8. Gelet op het voorgaande vordert verhuurster het volgende: A. Bekrachtiging van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst tussen verhuurster en huurder, met inbegrip van alle aanvullende en onderlinge afspraken die tussen partijen zijn gemaakt. B. De ontruiming van de woning gelegen aan [het perceel], Willemstad, Curacao, door de huurder, met medeneming van al haar eigendommen, uiterlijk binnen een termijn van zeven dagen na betekening van het vonnis. C. Betaling door huurder van de achterstallige huurpenningen ter hoogte van NAf 40.092, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. D. Een dwangsom van NAf 500 per dag voor iedere dag dat huurder in gebreke blijft om de woning te ontruimen na het verstrijken van de gestelde termijn, met een maximum van NAf 50.000. Deze dwangsom is proportioneel en dient uitsluitend om nakoming van het vonnis te waarborgen zonder de huurder onevenredig te belasten. E. De proceskosten, waaronder de kosten van betekening van de dagvaarding en andere kosten in het kader van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente indien niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan. F. Uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis, zodat de maatregelen onmiddellijk kunnen worden geeffectueerd, ongeacht een eventueel instellen van hoger beroep door huurder. 9. Verhuurster verzoekt uw Gerecht tevens om: a.
- a)een verklaring voor recht dat de buitengerechtelijke ontbinding rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en dat verhuurster gerechtigd is tot ontruiming over te gaan;
- b)voor zover nodig, een nadere instructie aan de deurwaarder te verlenen om de ontruiming te effectueren indien huurder in gebreke blijft; en
- c)de vordering van NAf 40.092 toe te wijzen als een reeds opeisbare schuld binnen de huidige rechtsverhouding, met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid. 10. In het kader van de spoedeisendheid van de situatie: A. Verzoekt verhuurster de rechtbank om een snelle afhandeling van deze zaak en bekrachtiging van haar rechten, gezien de acute financiële en emotionele impact van de voortdurende wanprestatie door huurder. B. Bevestigt verhuurster dat verdere vorderingen, zoals schadevergoeding wegens de nalatigheid van huurder en onderhoudsgebreken, indien nodig in een bodemprocedure zullen worden ingesteld.” 3.2. Eiseres legt aan de vordering ten grondslag dat tussen partijen een huurovereenkomst geldt en dat gedaagde haar verplichtingen uit die overeenkomst niet nakomt. Verder is zij inmiddels in een heikele financiële situatie geraakt, en heeft zij de woning nodig voor eigen gebruik, aldus eiseres. 3.3. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 3.4. Ter zitting heeft gedaagde bij wijze van vordering in reconventie het gerecht gevorderd om gedaagde te veroordelen tot betaling van NAf 557,20 en NAf 752,20. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen een overeenkomst geldt, op grond waarvan gedaagde in de woning verblijft. Partijen zijn het er ook over eens dat de hiervoor onder 2.5. vermelde overeenkomst, waarin een huurbedrag is opgenomen, is opgesteld met een ander doel dan om de rechtsverhouding tussen partijen te regelen. Dat de door partijen daarvoor gegeven redenen verschillen – volgens eiseres was dat om gedaagde een steviger positie te geven in de procedure omtrent haar echtscheiding; volgens gedaagde was dat ter onderbouwing van een hypotheekaanvraag van eiseres ten behoeve van de financiering van een zakelijk project – is in dit verband niet relevant. Tussen partijen is verder evenmin in geschil dat gedaagde op grond van de tussen hen geldende overeenkomst aan eiseres voor het gebruik van de woning geen huur verschuldigd is, maar dat zij enkele kosten moet voldoen, waaronder de kosten voor de huur van het perceel en de verzekeringskosten voor de opstal. Gelet op de specifieke afspraken die partijen ter zake van het gebruik van de woning van eiseres door gedaagde hebben gemaakt, rijst de vraag hoe hun rechtsverhouding moet worden gekwalificeerd. Partijen zelf spreken van een huurovereenkomst, hoewel ze, zoals hiervoor overwogen, het erover eens zijn dat de “huurovereenkomst” (zie 2.5.) hun rechtsverhouding niet regelt; een andere mogelijkheid kan zijn een overeenkomst van bruikleen. Het gerecht laat beantwoording van deze vraag nu in het midden, omdat dat, zoals hierna zal blijken, voor de uitkomst in deze procedure niet uitmaakt. verklaring voor recht en bekrachtiging 4.2. Ten aanzien van de vorderingen onder 8A. en 9a) geldt dat deze vorderingen dienen te worden afgewezen. Uit het samenstel van deze vorderingen en de toelichting daarop blijkt niet afdoende of eiseres een verklaring voor recht vordert dat de overeenkomst (reeds) ontbonden is, dan wel of het een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen betreft. Wat daar ook van zij, beide vorderingen zijn in kort geding niet toewijsbaar. Een vordering tot ontbinding van een overeenkomst door het gerecht is slechts toewijsbaar in een bodemprocedure en een verklaring voor recht verdraagt zich niet met het voorlopige karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding. geldvordering 4.3. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden. 4.4. Zoals hiervoor is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat gedaagde op grond van de tussen hen geldende overeenkomst aan eiseres voor het gebruik van de woning geen huur verschuldigd is. Weliswaar heeft (de gemachtigde van) eiseres in deze procedure de stelling ingenomen dat partijen hebben afgesproken dat als gedaagde niet aan de overige afspraken voldoet, zij alsnog huur verschuldigd zal zijn, maar dat staat in de “huurovereenkomst”, noch in de “onderhandse afspraken”. Dit is ook door eiseres ter zitting bevestigd. Tekenend in dit verband is ook dat eiseres gedaagde niet eerder dan bij voormelde brief van 3 december 2024 heeft gemaand tot betaling van enige geldsom aan huur. Overigens heeft gedaagde gemotiveerd weersproken dat zij niet aan de uit de gemaakte afspraken voor haar voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Volgens gedaagde betaalt zij de huur aan de stichting, heeft zij de verzekeringspremies steeds voldaan, met uitzondering van de factuur die eiseres niet aan haar heeft doorgestuurd, en heeft zij de kosten voor onder meer tuinonderhoud voldaan, volgens afspraak tussen partijen. Eiseres heeft volstaan met het herhalen van de stelling dat gedaagde niet aan haar verplichtingen voldoet. Onder deze omstandigheden is het bestaan van deze geldvordering niet voldoende aannemelijk gemaakt. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen. ontruiming 4.5. De vordering van eiseres tot ontruiming is in dit kort geding toewijsbaar, als voldoende aannemelijk is dat het gerecht deze in een eventuele bodemprocedure ook zou toewijzen en van eiseres niet kan worden gevergd de uitkomst van zo’n procedure af te wachten. Daarvan is de regel sprake, indien voldoende aannemelijk is geworden dat zonder recht of titel in de woning wordt verbleven dan wel - in geval van een huur- dan wel bruikleenovereenkomst – dat sprake is van een tekortkoming die de ontbinding van die overeenkomst rechtvaardigt; in de regel wordt als zodanige tekortkoming bij een huurovereenkomst aangemerkt een huurachterstand van meer dan drie maanden. Ingeval van een bruikleenovereenkomst is daarvan sprake bij een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging of indien een redelijke opzegtermijn in acht wordt genomen. 4.6. Zoals hiervoor onder 4.1. is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat gedaagde in de woning verblijft uit hoofde van een overeenkomst. Zij verblijft dan ook niet zonder recht of titel in de woning. Verder is, zoals hiervoor onder 4.4. is overwogen, geen sprake van een tekortkoming van de zijde van gedaagde. Bij deze stand van zaken is voorshands niet voldoende aannemelijk dat het gerecht in de bodemprocedure de overeenkomst zal ontbinden dan wel een buitengerechtelijke ontbinding door eiseres rechtsgeldig zal achten. Voor een voorshands oordeel over de rechtsgeldigheid van een mogelijke opzegging van de overeenkomst, heeft eiseres in deze procedure onvoldoende gesteld. Onvoldoende is uit de verf gekomen wat precies de aard, de tijdsduur en de overige afspraken in dit verband zijn geweest, en hoe deze juridisch gekwalificeerd moeten worden, om op dit moment vooruit te kunnen lopen op het oordeel of een opzegging gerechtvaardigd is dan wel uiteindelijk stand zal houden. Dit leidt tot de slotsom dat de vordering tot ontruiming naar de huidige stand van zaken wordt afgewezen. in reconventie 4.7. De vordering in reconventie is eerst ter zitting ingediend. In het Procesreglement 2023 is bepaald dat een partij die in een kort geding procedure een reconventionele vordering wenst in te stellen, daarvan in beginsel uiterlijk op de werkdag voorafgaande aan de zitting om 12.00 uur bericht aan de griffie ter attentie van de behandelend rechter en de wederpartij stuurt. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van de vordering. Gelet hierop en nu zijdens gedaagde overigens niet is toegelicht waarom de reconventionele vordering eerst ter zitting is ingediend, acht het gerecht deze vordering niet toelaatbaar, zodat gedaagde in die vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. in conventie en in reconventie 4.8. Nu partijen in conventie en in reconventie over een weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet het gerecht aanleiding om de proceskosten in deze procedures te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing Het gerecht: Rechtdoende in kort geding: in conventie 5.1. wijst de vorderingen af; in reconventie 5.2. verklaart gedaagde niet-ontvankelijk in haar vordering; in conventie en in reconventie 5.3. compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. D.M.J. Hernandez, griffier, en op 3 april 2025 in het openbaar uitgesproken.