← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2025:172

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202402075 Vonnis van 19 mei 2025 in de zaak van [Eiser], wonend in [woonplaats], eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. M.C.G.G. van Hoek, tegen [Gedaagde], wonend in [woonplaats], gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. N.B. Louisa. Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd. 1Het procesverloop 1.

  1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 7 juni 2024, de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, de nadere producties van de vrouw van 12 maart 2025, de nadere producties van de man van 17 maart 2025, de mondelinge behandeling van 20 maart 2025, de pleitnotities van partijen. 1.
  2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
  3. De man (geboren in 1964) en de vrouw (geboren in 1967) zijn in 2013 gaan samenwonen. In 2021 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten, vastgelegd in een notariële akte. Op die overeenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard. 2.
  4. In september 2022 zijn partijen vanuit Duitsland naar Curaçao verhuisd en hebben zij een huis te [plaats 1] gekocht. Hun relatie verslechterde snel. De man verhuisde begin augustus 2023 naar Nederland. Het huis te [plaats 1] is in november 2023 verkocht. 2.
  5. Partijen zijn er niet in geslaagd in overleg tot een financiële afwikkeling van hun samenleving te komen. De man heeft uit kracht van de notariële samenlevingsovereenkomst executoriale beslagen gelegd ten laste van de vrouw onder Orco-bank, op roerende zaken in haar woning en op een [auto 1]. [auto 1] is na een in een gevoerd kort geding getroffen regeling verkocht. De verkoopopbrengst van (bruto) Cg 40.000 is op de derdengeldenrekening van de advocaat van de man gestort. 2.
  6. Door de vrouw zijn in november en december 2023 en in januari 2024 aangiftes gedaan tegen de man terzake belaging en bedreiging. In mei 2024 is de man door de politie gehoord. Vervolgens heeft hij aangifte gedaan of willen doen tegen de vrouw wegens valse aangifte. 3De vorderingen 3.
  7. De vorderingen van de man strekken tot veroordeling van de vrouw tot betaling van in totaal in hoofdsom Euro 120.696,
  8. De man baseert deze vordering op de samenlevingsovereenkomst, die volgens hem op 11 augustus 2023 is geëindigd. 3.
  9. Volgens de vrouw is zij niets meer verschuldigd aan de man. Zij vordert veroordeling van de man tot opheffing van de beslagen op haar roerende zaken en onder Orco-bank, en betaling van een door het gerecht te bepalen bedrag ter zake psychische en emotionele schade. 4De beoordeling In conventie a. Het einde van de samenlevingsovereenkomst 4.
  10. Partijen zijn het erover eens dat hun samenlevingsovereenkomst is beëindigd, maar niet over het tijdstip waarop. Volgens de man was dit de datum van zijn vertrek naar Nederland, volgens de vrouw was dit 15 mei 2024, de datum waarop de man de samenlevingsovereenkomst opzegde conform artikel 15 van die overeenkomst. Deze stelling van de vrouw acht het gerecht juist. De door de man gevraagde verklaring voor recht dat de samenlevingsovereenkomst op 11 augustus 2023 is geëindigd (zijn vordering a) zal bij het eindvonnis dan ook worden afgewezen. Van materieel belang voor de overige (geld)vorderingen is dit echter niet. b. De geldlening ter zake de woning in [plaats 2] 4.
  11. In artikel 11 van de samenlevingsovereenkomst is vastgelegd dat de vrouw de man een bedrag van Euro 34.000 verschuldigd is ter zake de financiering van hun gemeenschappelijke woning in [plaats 2]. Die schuld is blijkens dat artikel omgezet in een geldlening, vrij van rente zolang de gemeenschappelijke huishouding voortduurt, die moet worden terugbetaald uiterlijk zes maanden nadat de gemeenschappelijke huishouding is geëindigd. 4.
  12. Deze schuld wordt door de vrouw niet betwist. De man beschikt met de notariële akte reeds over een executoriale titel voor dit bedrag van Euro 34.000, uit kracht waarvan hij reeds executoriale maatregelen heeft genomen. De man heeft dan ook geen belang bij zijn vordering de vrouw te veroordelen tot betaling van die Euro 34.
  13. Zijn vordering b zal dan ook bij het eindvonnis worden afgewezen. c. De achtergebleven inboedelgoederen 4.
  14. De man stelt dat hij bij zijn vertrek vier dozen met spullen heeft meegenomen, een televisie en een Sonos-installatie. De in het huis in [plaats 1] achtergebleven inboedelgoederen vertegenwoordigden volgens hem een waarde van Euro 37.050, waarvan hem ingevolge artikel 16 lid 1 sub b van de samenlevingsovereenkomst 50% toekomt wegens overbedeling. 4.
  15. In de eerste plaats heeft de vrouw de door de man opgegeven waardes gemotiveerd betwist, en komen deze het gerecht voor tweedehands spullen veel te hoog voor. Daarnaast stelt de vrouw dat de ijskast en droger al voor het vertrek van de man kapot waren. Ter comparitie heeft de man zijn schatting van de waarde verlaagd tot Euro 10.000, hetgeen nog steeds hoog voorkomt. De vrouw stelt voorts dat al voor het vertrek van de man inboedelgoederen zijn verkocht, en dat het restant van de spullen tussen partijen is verdeeld, met dien verstande dat, conform afspraak, een deel van de spullen na het vertrek van de man is verkocht via Frank’s Spullen. Die verkoop leverde een bedrag op van Cg 3.421,
  16. Het overzicht van die verkopen heeft de vrouw overgelegd als productie
  17. Ten slotte stelt de vrouw dat bij de verkoop van het huis te [plaats 1] de bijbehorende appartementen met inboedel (o.a. bedden) werden verkocht, welke stelling bevestiging vindt in het door de vrouw als productie 4 overgelegde, bij de koopovereenkomst horende inspectieformulier. Door de man is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, op deze stellingen van de vrouw ingegaan. Als de man een hogere opbrengst mogelijk achtte en had nagestreefd, had het bovendien op zijn weg gelegen zelf de verkoop ter hand te nemen. 4.
  18. Uit de verkoop door Frank’s Spullen komt de man dus in beginsel de helft van Cg 3.421,77 toe. De vrouw heeft voorgesteld, ook in haar naar de man gezonden afrekening (productie 6), dit weg te strepen tegen de aan de kosten van de woning verbonden kosten (o.a. zwembadonderhoud, Aqualectra) tot aan de verkoop daarvan (Cg 5.660,69, producties 5 en 6). Dit voor de man niet ongunstige voorstel komt het gerecht redelijk voor. 4.
  19. Vordering c van de man zal gelet op het voorgaande bij het eindvonnis worden afgewezen. d. [auto 1] 4.
  20. Ter zake [auto 1] luidt vordering d van de man dat de vrouw hem Euro 12.834,58 vergoedt. Deze vordering is inmiddels achterhaald door de bij gelegenheid van het kort geding gemaakte afspraak, die heeft geleid tot verkoop voor Cg 40.
  21. Partijen zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de (netto-)opbrengst (zie proces-verbaal van 5 november 2024, productie 12 van de man). Voor zover de man nog aanspraak maakt op een hoger bedrag, is zijn vordering niet toewijsbaar. e. en f. Onttrekking contanten verkoopopbrengst bloemenzaak en kassaldo bij staking 4.
  22. De man heeft in 2022 zijn bloemenzaak in [plaats 3] verkocht. Hij stelt van de hem toekomende verkoopopbrengst een bedrag van Euro 20.000 nooit meer te hebben gezien, evenmin als het kassaldo bij staking van Euro 6.932,
  23. Hij stelt in dit verband - en ook in verband met zijn overige vorderingen - dat de vrouw steeds de financiën regelde. De vrouw stelt daarentegen dat de man het geld van de bloemenzaak beheerde en betwist dat zij de verkoopopbrengst en het kassaldo in ontvangst heeft genomen. Zij betwist het vermoeden van de man dat zij geld aan haar zoon heeft gegeven, die het vervolgens weggesluisd zou hebben. Zij wijst erop, met verwijzing naar screenshots van de Duitse rekening [rekeningnummer] (productie 8 bij conclusie van antwoord), dat de man haar geregeld instructie gaf geld te storten op die (gezamenlijke) rekening en dat partijen leefden van de gelden op die rekening. 4.
  24. Door de man zijn geen voldoende concrete voor bewijs vatbare stellingen naar voren gebracht die, indien bewezen, kunnen leiden tot het oordeel dat de vrouw aan de man toebehorende gelden heeft onttrokken of onder zich heeft. Dit brengt mee dat de vorderingen e en f van de man zullen bij het eindvonnis worden afgewezen. Dit laat echter onverlet dat uit het rekeningverloop van de Duitse rekening [rekeningnummer] wellicht geconcludeerd moet worden dat tussen de man en de vrouw (wegens onttrekkingen) een nadere verrekening moet plaatsvinden. Dit komt aan de orde bij de beoordeling van vordering g: g. Onttrekkingen van prive-rekening van eiser 4.
  25. De man stelt dat de vrouw in de periode juli 2022 – juli 2023 in totaal Euro 27.905 heeft overgeboekt van zijn Nederlandse rekening naar haar privérekeningen, waaronder de Duitse rekening [rekeningnummer] (die volgens de man niet gezamenlijk is). 4.
  26. De vrouw stelt dat de Duitse rekening [rekeningnummer] een gezamenlijke rekening was en dat beide partijen beschikten over een kaart om daarvan geld op te nemen. In gezamenlijk overleg werd hiervan volgens de vrouw geld opgenomen, waarvan partijen, ook in Curaçao, leefden. 4.
  27. Beide partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld rekeningoverzichten over te leggen van de Duitse rekening [rekeningnummer ] over de jaren 2022 en 2023, met daarbij een zo secuur mogelijke aanduiding van de reden, herkomst en bestemming van bijschrijvingen op opnames. Ook kunnen zij daarbij toelichten van welke (andere) inkomsten en bronnen zij leefden. Vervolgens kan worden beoordeeld of in het kader van de afwikkeling van de samenleving(sovereenkomst) sprake is van te verrekenen bedragen ter zake de mutaties op de [rekeningnummer]-rekening. h. Bijdrage verhuis- en inrichtingskosten 4.
  28. Artikel 15 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt dat indien de redelijkheid dit gebiedt degene die de bewoning van de door hen gezamenlijk bewoonde woning voortzet verplicht is tot een redelijke financiële bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten van de ander. De man vordert veroordeling van de vrouw om hem terzake Euro 500 te vergoeden. Deze vordering, vordering h, zal worden afgewezen. Er is geen redelijke grond de vrouw te verplichten tot een bijdrage. Partijen gingen uiteen en de gezamenlijke woning werd kort daarna verkocht. Niet alleen de man maar ook de vrouw heeft elders woonruimte moeten zoeken. In reconventie 4.
  29. In reconventie vordert de vrouw onder meer om de man te veroordelen tot opheffing van het door hem ten laste van de vrouw gelegde beslag onder de Orco-bank, op straffe van een dwangsom. Het gerecht zal dit beslag bij dit vonnis opheffen. Door de man is immers niet weersproken dat dit beslag geen doel heeft getroffen, maar dat het de vrouw wel belet om normaal te bankieren. Handhaving van het beslag is voor de man zinloos, en voor de vrouw bezwarend. 4.
  30. De beoordeling van de overige vorderingen van de vrouw (een verklaring voor recht dat zij niets meer verschuldigd is, opheffing van het beslag op haar roerende zaken en betaling van smartengeld) zal worden aangehouden. Voorts in conventie en voorts in reconventie Overige verrekenposten 4.
  31. Door de vrouw is gesteld dat een bedrag van Cg 3.000 in de verrekening moet worden betrokken ter zake door de man bij het uiteengaan van partijen meegenomen gereedschappen. Hierin wordt de vrouw niet gevolgd. Zij stelt immers zelf met nadruk dat partijen de spullen, voor zover die die waren en werden verkocht, in overleg hebben verdeeld. Dat afgesproken is dat de man voor de gereedschappen een bedrag aan de vrouw zou vergoeden, is gesteld noch gebleken. 4.
  32. Wel steekhoudend lijkt de stelling van de vrouw dat een verrekening moet plaatsvinden omdat de man van de gezamenlijke rekening bij Orco-bank een bedrag van Cg 11.953,72 heeft weggeboekt, nagenoeg het gehele restant van de koopsom van het huis nadat de hypotheekschuld was voldaan. Aannemelijk lijkt dat de helft van dit bedrag aan de vrouw toekomt. Partijen kunnen zich hierover nog uitlaten. 4.
  33. Partijen zullen bij akte een berekening kunnen overleggen van hetgeen zij gelet op het voorgaande over en weer verschuldigd zijn. Daarin dienen zij tevens te betrekken de schuld van de vrouw van Euro 34.000 bedoeld onder 4.2, de netto-opbrengst van [auto 1] en eventuele betalingen die reeds zijn gedaan. De proceskosten en buitengerechtelijke kosten 4.
  34. Omdat partijen gewezen levenspartners zijn, zullen de proceskosten bij het eindvonnis worden gecompenseerd. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten is, mede gelet op voorgaande beoordeling en bij gebreke van gebleken buitengerechtelijke werkzaamheden van betekenis, geen grond. 4.
  35. Aan de vrouw zal gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen worden toegestaan kosteloos te procederen. 5De beslissing Het gerecht: 5.
  36. staat de vrouw toe kosteloos te procederen; 5.
  37. heft op het op 12 september 2024 op verzoek van de man ten laste van de vrouw gelegd derdenslag onder Orco-Bank; 5.
  38. verklaart de opheffing onder 5.
  39. uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  40. verwijst de zaak naar de rolzitting van 23 juni 2025 voor akte na tussenvonnis zijdens beide partijen houdende uitlating als bedoeld onder 4.13, 4.18 en 4.19; 5.
  41. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.