GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202403155 Vonnis van 31 maart 2025 in de zaak van de besloten vennootschap MODERN QUALITY BUILDS B.V., gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. N.A. Evertsz, tegen [Gedaagde], wonend in [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: mr. S.C. Larmonie. Partijen worden hierna MQB en [gedaagde] genoemd. Inleiding Deze zaak gaat over aanneming van werk. Opdrachtgever [gedaagde] heeft niet alle facturen van aannemer MQB betaald. Hij betwist de verschuldigdheid daarvan, omdat er ondeugdelijk werk is geleverd. In reconventie vordert hij schadevergoeding. Voor de beoordeling van de vorderingen is met name van belang of sprake is van verzuim door MQB. 1Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 16 augustus 2024, de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, de akte wijziging van eis, de conclusie van antwoord in reconventie, de akte met een correctie op de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, de mondelinge behandeling van 13 februari 2025. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten In conventie en in reconventie 2.1. Op verzoek van [gedaagde] heeft MQB, in de persoon van haar directeur [directeur 1], in december 2021 een offerte naar [gedaagde] gestuurd voor het bouwen van een woonhuis. De aanneemsom van deze offerte bedroeg NAf 251.901, inclusief omzetbelasting. Op basis van deze offerte (zonder de daarin opgenomen keuken) hebben partijen (mondeling) een overeenkomst van aanneming gesloten. 2.2. Bij de aanvang van de bouw en tijdens de uitvoering van de aanneemovereenkomst zijn diverse wijzigingen doorgevoerd die hebben geleid tot meer- en minderwerk. 2.3. Het bouwproject bestond uit vier fasen. 2.4. [ gedaagde] heeft de facturen voor fase 1 en 2 nagenoeg volledig betaald. De factuur voor fase 3 heeft [gedaagde] voor een groot deel onbetaald gelaten. 2.5. Tijdens een opname van de verrichte werkzaamheden in juli 2024 heeft [gedaagde] MQB gewezen op bepaalde gebreken. Deze bestonden uit muren die hol klonken, niet netjes afgewerkte rand van het betonnen dak, bitumen op het dak dat begon los te komen, douchekoppen die te laag waren geïnstalleerd en tegels die niet goed waren gelegd. 2.6. In diezelfde maand heeft MQB een aanvang gemaakt met herstelwerkzaamheden. 2.7. Bij factuur van 22 juli 2024 heeft MQB een laatste bedrag van NAf 42.679,33 bij [gedaagde] in rekening gebracht. 2.8. Naar aanleiding daarvan heeft op 3 augustus 2024 een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [directeur 1] en de echtgenote van [gedaagde] (hierna: de echtgenote). Daarin is aan [directeur 1] te kennen gegeven dat de factuur niet zou worden betaald zolang de gebreken niet waren hersteld. 2.9. Na het telefoongesprek heeft de echtgenote op 4 augustus 2024 een aantal whatsappberichten aan [directeur] gestuurd, waaronder “Punto ta, kun nos ta fada dje situashon i nos no ke bo hendel nada mas pa nos”. 2.10. [ gedaagde] heeft de factuur van 22 juli 2024, ondanks aanmaning op 7 augustus 2024 bij deurwaardersexploot, niet betaald. 2.11. Bij brief van 12 augustus 2024 aan de deurwaarder heeft [gedaagde] bezwaren geuit tegen de aanmaning en de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden. Ook schrijft [gedaagde] dat hij zich genoodzaakt ziet om de resterende werkzaamheden door een andere aannemer te laten uitvoeren. 2.12. In opdracht van [gedaagde] heeft het bedrijf RVM Design & Taxaties (hierna: RVM) op 11 september 2024 een bouwkundige inspectie verricht en de bevindingen daarvan neergelegd in een rapport d.d. 20 september 2024. RVM schrijft dat de huidige indeling niet overeenkomt met de voor de bouwvergunning ingediende bouwtekeningen. Verder maakt RVM melding van gebreken aan het pleisterwerk, wandafwerking, vloerafwerking, dak(rand), plafond, ramen en kozijnen, plaatsing douchekoppen en de omheining. 3De vorderingen en de standpunten van partijen In conventie 3.1. MQB vordert na wijziging van eis – samengevat – dat het gerecht [gedaagde] veroordeelt om aan MQB te betalen een bedrag van NAf 42.742,08, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. MQB legt de overeenkomst van aanneming aan haar vordering ten grondslag en vordert nakoming door [gedaagde] van de op hem uit die overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. Zij stelt dat voor al het meerwerk en alle extra kosten steeds overleg is gepleegd met [gedaagde] en hij daarmee steeds heeft ingestemd. Verder stelt MQB dat zij naar aanleiding van de opname in juli 2024 een aanvang had gemaakt met de herstelwerkzaamheden en dat deze, alsmede de nog te verrichten werkzaamheden, in augustus 2024 zouden worden afgerond. MQB stelt dat het daar niet van is gekomen, omdat [gedaagde] MQB niet in de gelegenheid heeft gesteld de werkzaamheden af te ronden. Volgens MQB komt dit voor rekening en risico van [gedaagde]. Zij meent dan ook dat [gedaagde], uitgaande van het offertebedrag van NAf 251.901, inclusief meer- en minderwerk, nog een bedrag van NAf 42.724,08 verschuldigd is. 3.3. [ gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid van MQB in haar vordering dan wel afwijzing daarvan, met veroordeling van MQB in de proceskosten. Hij stelt – kort gezegd - dat sprake was van een slechte communicatie en dat het werk is opgeleverd met diverse gebreken. In reconventie 3.4. [ gedaagde] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat het gerecht voor recht verklaart dat MQB jegens [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming en [gedaagde] daardoor schade heeft geleden waarvoor MQB aansprakelijk moet worden gehouden; voor recht verklaart dat de schade die [gedaagde] als gevolg van de tekortkoming heeft geleden wordt begroot op NAf 43.742,23 en MQB te veroordelen dit bedrag bij wijze van schadevergoeding aan [gedaagde] te betalen, te vermeerderen met rente; te bepalen dat MQB de wederrechtelijk meegenomen en toegeëigende bouwmaterialen van [gedaagde] binnen veertien dagen na de datum van het vonnis in deze zaak moet retourneren aan [gedaagde], onder verbeurte van een dwangsom, MQB veroordeelt in de proceskosten. 3.5. [ gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat MQB is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst van aanneming door ondeugdelijke werk af te leveren. Verder stelt [gedaagde] dat verschillende materialen ontbreken, waarvoor hij wel heeft betaald. [gedaagde] heeft MQB verschillende keren aangesproken op de gebreken in het verrichte werk, de duur van het project en het feit dat medewerkers herhaaldelijk niet kwamen opdagen. Ondanks de belofte, heeft MQB nagelaten de bestaande gebreken te herstellen. Volgens [gedaagde] zullen extra kosten moeten worden gemaakt om de gebreken te laten herstellen. [gedaagde] stelt dat MQB niet heeft gereageerd op zijn brief van 12 augustus 2024 en leidt daar uit af dat MQB niet in staat is de gebreken te herstellen, waardoor sprake is van een blijvende onmogelijkheid in de nakoming en MQB daardoor zonder ingebrekestelling in verzuim is. [gedaagde] heeft de kosten voor herstel, onder verwijzing naar drie offertes, begroot op NAf 40.899,09. Naast dit bedrag stelt hij aan schadevergoeding aanspraak te kunnen maken op NAf 1.060 voor de kosten van het inspectierapport van RVM, NAf 901 voor het laten schoonmaken van het terrein en NAf 606,45 voor het afsluiten van een nieuwe CAR-verzekering omdat de werkzaamheden niet binnen de afgesproken termijn zijn afgerond. 3.6. MQB voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van MQB in de proceskosten. Zij betwist dat er een termijn is afgesproken waarbinnen de woning moest worden afgebouwd. Voordat de bouw van de woning volgens [gedaagde] moest zijn afgerond heeft [gedaagde] de overeenkomst opgezegd. MQB laat weten dat [gedaagde] op 4 augustus 2024 aan MQB heeft bericht de werkzaamheden aan de woning stil te leggen en niets meer aan de woning te doen. Ingevolge artikel 7:764 BW geldt dat de opdrachtgever ingeval van opzegging de voor het gehele werk geldende prijs dient te betalen minus de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. Volgens MQB waren de werkzaamheden, op enkele herstelpunten na, afgerond. Voor zover sprake was van gebreken, heeft [gedaagde] dit niet aan MQB kenbaar gemaakt, althans heeft MQB niet de gelegenheid gehad deze te herstellen. Van verzuim van MQB is dan ook geen sprake. Dat de woning op 3 augustus 2024 telefonisch is opgeleverd wordt betwist. Ook betwist MQB dat zij zich materialen van [gedaagde] heeft toegeëigend. 4De beoordeling In conventie 4.1. Vast staat dat MQB bij de facturering is uitgegaan van het offertebedrag van NAf 251.901, welk bedrag is verminderd met NAf 66.358,60 (inclusief
- ob)voor minderwerk en is vermeerderd met NAf 8.615,68 (inclusief
- ob)voor meerwerk. 4.2. Niet is in geschil dat [gedaagde] van de door MQB in rekening gebrachte bedragen een bedrag van NAf 42.724,08 onbetaald heeft gelaten. Aan de orde is de vraag of [gedaagde] gehouden is dit bedrag te betalen. Volgens [gedaagde] is dit niet het geval, omdat MQB ondeugdelijk werk heeft geleverd. 4.3. De enkele omstandigheid dat MQB ondeugdelijk werk heeft geleverd, zoals [gedaagde] heeft gesteld, bevrijdt [gedaagde] niet van zijn uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. [gedaagde] kan slechts van zijn betalingsverplichting worden bevrijd door ontbinding van de overeenkomst voor de oplevering. Op grond van artikel 7:756 van het Burgerlijk Wetboek kan dat alleen via de rechter. Ontbinding is echter niet gevorderd en ook is niet gebleken dat deze buitengerechtelijk is ingeroepen op grond van een ‘anticipatory breach” (6:265 BW juncto 6:80 BW). Uit de stellingen van [gedaagde] kan ook niet worden afgeleid dat hij zich beroept op opschorting. Integendeel, uit zijn tegenvordering volgt juist dat hij geen nakoming door MQB verlangt, maar schadevergoeding zodat derden de volgens hem nog noodzakelijke werkzaamheden kunnen verrichten. 4.4. Voor zover er al van moet uitgegaan, zoals gedaagde stelt, dat het werk op 3 augustus is opgeleverd, geldt op grond van artikel 7:259 BW dat wanneer het werk gebreken vertoont, de opdrachtgever - tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd - aan de aannemer de gelegenheid moet geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen. Die gelegenheid heeft MQB niet gehad. Op 4 augustus 2024 heeft [gedaagde], althans zijn echtgenote, immers aan MQB bericht dat [gedaagde] niet wil dat MQB nog verdere werkzaamheden verricht. In de brief van 12 augustus 2024 wordt MQB ook niet alsnog verzocht de gebreken te herstellen. In die brief geeft [gedaagde] juist te kennen dat hij een andere aannemer zal inschakelen. Van omstandigheden die maken dat niet van [gedaagde] kon worden gevergd dat MQB de gestelde gebreken zou herstellen is niet, althans onvoldoende gebleken. 4.5. Nu [gedaagde] MQB niet de gelegenheid heeft gegeven om de gebreken volledig te herstellen, kan de door [gedaagde] gestelde ondeugdelijkheid van de werkzaamheden er niet toe leiden dat hij de facturen van MQB niet hoeft te betalen. 4.6. [ gedaagde] heeft verder niet betwist, althans onvoldoende, dat het door MQB gestelde meerwerk, zoals weergegeven in de akte wijziging van eis, door MQB is verricht. Uit die weergave volgt niet dat de trap, zoals [gedaagde] ter zitting heeft gesteld, dubbel is berekend, in die zin dat de kosten daarvoor reeds waren opgenomen in de offerte en vervolgens ook als meerwerk is gerekend. Uit die weergave volgt dat enkel in verband met de gewijzigde hoogte van de woning een bedrag van NAf 300 extra is berekend voor de trap. 4.7. Ten slotte heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat hij geen materiaalbonnen heeft ontvangen. Hij heeft hieraan echter geen rechtsgevolg verbonden. Het enkele feit dat hij geen bonnen heeft ontvangen, bevrijdt [gedaagde] niet van zijn betalingsverplichting. Uit de stellingen van [gedaagde] kan ook niet worden afgeleid dat hij zich ter zake op opschorting beroept. Bovendien heeft hij ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de gefactureerde kosten onjuist zijn. Dit verweer van [gedaagde] wordt daarom gepasseerd. 4.8. De conclusie is dat de vordering, inclusief de niet weersproken rente, wordt toegewezen. 4.9. De conform het Procesreglement gevorderde vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen. 4.10. Omdat [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van MQB worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 750 aan griffierecht, NAf 302,50 aan oproepingskosten en NAf 2.500 aan gemachtigdensalaris. De ter zake gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld. 4.11. De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof. In reconventie 4.12. [ gedaagde] vordert in de eerste plaats een verklaring voor recht dat MQB is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming en dat [gedaagde] daardoor schade heeft geleden van NAf 43.742,23. Ook vordert hij veroordeling van MQB om dit bedrag aan [gedaagde] te betalen. 4.13. Voor de gebreken kan [gedaagde] slechts aanspraak maken op schadevergoeding als sprake is van verzuim aan de kant van MQB. Volgens MQB is het werk nog niet opgeleverd en kan verzuim daarom nog niet aan de orde zijn. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat er wel is opgeleverd. 4.14. Op grond van artikel 7:758 van het Burgerlijk Wetboek wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard, indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert. 4.15. Niet is gebleken dat MQB te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is. Voor zover ervan moet worden uitgegaan, zoals [gedaagde] stelt, dat [directeur] tijdens het telefoongesprek van 3 augustus 2024 heeft gezegd dat het werk klaar is, staat vast dat [gedaagde] het werk onder aanwijzing van gebreken heeft geweigerd. Van een oplevering is dus geen sprake. Van verzuim kan daarom nog geen sprake zijn. De prestatie was immers nog mogelijk gedurende de periode tot de oplevering. Overigens is ook niet gebleken dat een termijn voor oplevering is overeengekomen. [gedaagde] heeft zelf oktober 2024 genoemd als einddatum voor het project. Uitgaande van die datum kan MQB in augustus 2024 nog niet in verzuim zijn. Voor het aannemen van een situatie als bedoeld in artikel 6:80 BW is niets, althans onvoldoende gesteld, terwijl MQB bovendien te kennen heeft gegeven steeds bereid te zijn geweest de herstelwerkzaamheden uit te voeren. 4.16. Voor zover al zou moeten worden aangenomen, zoals [gedaagde] stelt, dat er wel is opgeleverd, geldt op grond van artikel 7:759 BW dat wanneer het werk gebreken vertoont, de opdrachtgever - tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd - aan de aannemer de gelegenheid moet geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen. [gedaagde] heeft MQB niet schriftelijk in gebreke gesteld. De e-mail van 12 augustus 2024 kan niet als ingebrekestelling worden gezien omdat daarin geen aanspraak wordt gemaakt op nakoming maar wordt meegedeeld dat een andere aannemer wordt ingeschakeld. Ook wanneer het werk is opgeleverd, kan daarom niet worden geoordeeld dat MQB met het herstel van de gebreken in verzuim is. 4.17. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] op grond van de gestelde gebreken of nog bestaande onvolkomenheden in het werk geen aanspraak kan maken op schadevergoeding. Die vordering wordt daarom afgewezen. 4.18. De verklaring voor recht dat MQB is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst wordt afgewezen, omdat [gedaagde] niet heeft gesteld welk afzonderlijk belang, naast de schadevergoeding, hij bij toewijzing daarvan heeft. 4.19. [ gedaagde] vordert verder te bepalen dat MQB de wederrechtelijk meegenomen en toegeëigende bouwmaterialen van [gedaagde] moet retourneren aan [gedaagde]. Gelet op de betwisting van MQB dat zij zich wederrechtelijke bouwmaterialen van [gedaagde] heeft toegeëigend, had van [gedaagde] verwacht mogen worden om deze vordering meer handen en voeten te geven. Om te beginnen had [gedaagde] kunnen benoemen welke materialen MQB volgens hem heeft toegeëigend. Dat heeft hij niet gedaan. Bij gebreke van enige onderbouwing wordt deze vordering daarom afgewezen. 4.20. Omdat [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van MQB worden vanwege de samenhang met de procedure in conventie tot aan deze uitspraak begroot op NAf 1.250 5De beslissing Het gerecht: In conventie 5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan MQB van een bedrag van NAf 42.724,08, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 tot aan de dag van betaling; 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan MQB te voldoen NAf 1.875 aan buitengerechtelijke incassokosten; 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van MQB van NAf 3.552,50; 5.4. bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald; 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.6. wijst af wat verder is gevorderd; in reconventie 5.7. wijst de vordering af; 5.8. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van MQB van NAf 1.250. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. G. Benedictus, griffier, en in het openbaar uitgesproken.