Parketnummer: 500.00068/22 (Promis) Uitspraak: 23 september 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [datum te Land], adres: [Adres te Land] thans gedetineerd in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught (Nederland). Inhoudsopgave
(1)van de leiders, verdachte, en het verblijf van leden van de NLS in meerdere landen, bijvoorbeeld [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], wisten de NLS-leden elkaar goed te vinden om boodschappen (door) te geven en te ontvangen met betrekking tot (de pogingen tot) liquidaties en de internationale drugshandel. Er was veelvuldig overleg tussen de NLS-leden. Dit gebeurde via bezoeken in de gevangenis en telefoongesprekken (van/met onder andere [medeverdachte 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 1]) en gesprekken via versleutelde telefoons (voor de levensdelicten onder andere via [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en voor de drugsfeiten onder andere met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]). Hieruit leidt het Gerecht af dat de NLS de rolverdelingen van de verschillende leden goed kenden en elkaar via verschillende (beveiligde) communicatiekanalen wisten te vinden. In dit kader acht het Gerecht verder van belang dat in de onderlinge communicatie onder meer in versluierde taal werd gesproken. Het doel van het versluierend taalgebruik is, zo moet worden aangenomen, om over moordplannen en de handel in verdovende middelen en daarmee samenhangende zaken te kunnen spreken zonder dat dit uit de concrete inhoud van de gesprekken blijkt, althans zou moeten blijken. Zo gebruikte verdachte bijvoorbeeld het woord ‘missie’ en dat ‘de rally’ binnenkort zal starten. De verdachten begrepen, zo kan uit het verloop van de gesprekken worden opgemaakt, heel goed wat er met de onderling gehanteerde geheimtaal werd bedoeld. Hierdoor wordt de samenhang van de organisatie versterkt. Gelet op de rol van verdachte is het Gerecht van oordeel dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het oogmerk van de organisatie van het plegen van levensdelicten en de handel in verdovende middelen en dat hij, als leider van de NLS, daarvan ook onderdeel uitmaakte. Tot slot merkt het Gerecht op dat zij aanneemt dat met de handel in verdovende middelen veel geld werd verdiend, welk geld vervolgens – om er enig profijt van te kunnen hebben – witgewassen diende te worden. Toch kan op basis van het onderhavige dossier niet worden vastgesteld wat verdachtes rol hierin was. Het Gerecht spreekt verdachte dan ook van dat onderdeel van de tenlastelegging vrij. Voor het overige komt het Gerecht tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit. 4.3. Vrijspraak van de tenlastegelegde feiten 2, 3 en 4 (zaaksdossier Ceto) De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 2, 3 en 4, de feiten die betrekking hebben op de zogenaamde ‘Hato-shooting’. De verdediging heeft zich – in de kern – op het standpunt gesteld dat het dossier geen enkel concreet, objectief of verifieerbaar stuk bevat waaruit een actieve rol van verdachte als uitlokker van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten kan worden afgeleid. Ook geven de (getuigen)verklaringen de mogelijkheid van een scenario dat andere personen de opdrachtgevers zijn geweest voor de liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting]. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen te verklaren. Hoewel het Gerecht hiervoor heeft overwogen dat verdachte één van de leiders van de NLS was en er bovendien sterke aanwijzingen zijn dat verdachte (één van) de opdrachtgever(
- s)was van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, komt het Gerecht toch tot het oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van deze feiten te komen. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt. Feiten en omstandigheden Op 15 juli 2014 vond er een uiterst brutale en nietsontziende schietpartij plaats op de luchthaven van Curaçao. Hierbij kwamen [slachtoffer 1 Hato-shooting] (hierna: [slachtoffer 1 Hato-shooting]) en [slachtoffer 2 Hato-shooting] (hierna: [slachtoffer 2 Hato-shooting]) om het leven. De omstanders [slachtoffer 3 Hato-shooting], [slachtoffer 4 Hato-shooting], [slachtoffer 5 Hato-shooting], [slachtoffer 6 Hato-shooting], [slachtoffer 7 Hato-shooting], [slachtoffer 8 Hato-shooting] en/of [slachtoffer 9 Hato-shooting] raakten door de rondvliegende kogels (ernstig) gewond. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de ‘Hato-shooting’ voor de nabestaanden en de direct betrokken slachtoffers veel leed heeft gebracht. Uit de vorderingen van de benadeelde partijen leidt het Gerecht ook af dat de veroorzaakte psychische en fysieke schade nog altijd doorklinkt in de levens van de nabestaanden en de slachtoffers. Ook uit de berichtgevingen in de media concludeert het Gerecht dat de Hato-shooting tot op de dag van vandaag diepe indruk maakt op de samenleving van Curaçao, zelfs nu deze schietpartij al ruim 11 jaren geleden heeft plaatsgevonden. In de periode tussen de Hato-shooting en de behandeling van verdachtes strafzaak zijn meerdere personen door het Gerecht (en vervolgens door het Hof) veroordeeld vanwege hun betrokkenheid bij de Hato-shooting. De opgelegde straffen varieerden van vier jaren gevangenisstraf tot levenslang voor de schutters. De ‘Hato-shooting’ kan op basis van de inhoud van het dossier en de uiterlijke verschijningsvorm naar het oordeel van het Gerecht zonder twijfel worden gekwalificeerd als een pure liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] vanwege een drugsconflict tussen de NLS en de BVC. Het Gerecht gaat er ook vanuit dat de uitvoerders in opdracht van een ander of anderen – tegen betaling van een geldbedrag – hebben gehandeld. Anders dan de verdediging ziet het Gerecht in het dossier geen aanknopingspunten voor een scenario dat één van de uitvoerders zelf de opdracht heeft uitgezet om [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] van het leven te beroven. Het Gerecht gaat bij de beoordeling van deze feiten uit van de situatie dat de uitvoerders zijn uitgelokt door een ander/anderen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het onderliggende dossier verdachte één van de uitlokkers was van de moord op [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting]. Het Gerecht komt – anders dan de officier van justitie – niet tot deze conclusie, ondanks dat er meerdere verklaringen in het dossier te vinden zijn die in de richting van verdachte wijzen. Het Gerecht overweegt als volgt. [Veroordeelde 4 Hato-shooting] verklaarde op 23 oktober 2014 zowel in een gesprek met de officier van justitie als in een politieverhoor dat de leiders van de NLS, [verdachte] en [medeverdachte 1], via een tussenpersoon betaald zouden hebben voor de liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting]. [Veroordeelde 4 Hato-shooting] had dit gehoord van de uitvoerders [veroordeelde 1 Hato-shooting], [veroordeelde 2 Hato-shooting] en [veroordeelde 3 Hato-shooting]. [Betrokkene Hato-shooting] heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] [slachtoffer 1 Hato-shooting] en andere leden van de BVC dood wilde hebben. [Slachtoffer 1 Hato-shooting] moest dood vanwege een door [slachtoffer 1 Hato-shooting] gestolen partij drugs van de NLS. [betrokkene Hato-shooting] verklaarde verder dat [medeverdachte 1] de persoon was die betaalde voor de liquidatie en verdachte de persoon was die druk zette. Echter, hoe dat ‘druk zetten’ door verdachte eruit zag, bijvoorbeeld in woorden en/of gebaar, is naar het oordeel van het Gerecht niet duidelijk naar voren gekomen uit de verklaringen van [betrokkene Hato-shooting]. Ook [betrokkene Hato-shooting] verklaarde dat de uitvoerders van de Hato-shooting via een tussenpersoon zouden zijn uitbetaald. [betrokkene Hato-shooting] heeft (een aantal van) de uitvoerders, te weten Maria, [veroordeelde 2 Hato-shooting] en [veroordeelde 3 Hato-shooting], na de liquidaties gezien met een (grote) hoeveelheid geld. Evenals [betrokkene Hato-shooting] verklaarde ook bedreigde getuige [anonieme getuige 1 bij de rechter-commissaris dat een onderliggend drugsconflict de reden was van de liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting]. De leiders van de NLS, verdachte en [medeverdachte 1], bleken de eigenaren te zijn van de weggenomen partij drugs. De NLS wilde daarom wraak nemen op [slachtoffer 1 Hato-shooting]. Er waren verschillende pogingen ondernomen om [slachtoffer 1 Hato-shooting] te liquideren. Vervolgens lijken er in de jaren 2012, 2013 en 2014 meerdere moordaanslagen gelinkt te zijn aan de vete tussen de NLS en de BVC. Verder blijkt uit een tapgesprek van 15 mei 2020 tussen [getuige 2] en [getuige 3], de ex van [medeverdachte 1], dat hij, [getuige 2], tegen haar had gezegd dat verdachte [slachtoffer 1 Hato-shooting] heeft vermoord. Op 3 maart 2021 werd [getuige 2] geconfronteerd met dit tapgesprek en hij verklaarde dat [slachtoffer 1 Hato-shooting] drugs of geld zou hebben gestolen van de NLS. Hij gaf aan dat hij had gehoord dat verdachte [slachtoffer 1 Hato-shooting] had vermoord. Naast de hiervoor genoemde verklaringen was verder uit onderzoek gebleken dat verdachte, die in de periode van de liquidatie over een telefoon beschikte tijdens zijn detentie in een andere strafzaak, foto’s van [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] had ontvangen, liggend in hun doodskist. Deze foto’s zou verdachte moeten hebben ontvangen in de periode van 23 juli 2014 (de dag van de begrafenis) tot en met 31 juli 2014 (de dag dat verdachtes telefoon in beslag werd genomen). Conclusie Hoewel het Gerecht al heeft overwogen de betrouwbaarheid van de (getuigen)verklaringen in onderhavig zaaksdossier niet in twijfel te trekken, dient aan de andere kant met deze verklaringen voorzichtig te worden omgegaan. Deze getuigenverklaringen zijn naar het oordeel van het Gerecht namelijk zogenaamde belastende ‘de-auditu’ (van-horen-zeggen) verklaringen. Deze verklaringen zijn op zichzelf bruikbaar voor het bewijs, maar met dergelijke verklaringen dient in de regel behoedzaam te worden omgegaan. Dit geldt temeer wanneer het een anonieme de auditu verklaring betreft. Ook die verklaring kan voor het bewijs worden gebruikt, maar moet dan wel steun vinden in ander voorhanden bewijsmateriaal (artikel 387 SvC). Het Gerecht heeft hiervoor al overwogen dat verdachte de leider was van de criminele organisatie NLS. Ook zijn er aanwijzingen in het dossier te vinden die wijzen op een geëscaleerd drugsconflict tussen de NLS en de BVC die vermoedelijk heeft geleid tot meerdere (pogingen) tot moord(
- en)in de jaren 2012, 2013 en 2014, waarbij verschillende leden van de NLS en BVC doodgeschoten werden, dan wel gewond raakten. Bij deze schietpartijen waren NLS-leden betrokken die later veroordeeld zijn voor de Hato-shooting. Het Gerecht acht het gelet op deze omstandigheden dan ook moeilijk voor te stellen dat de leiders van de NLS, waaronder in ieder geval verdachte, geen wetenschap hebben gehad van (de plannen met betrekking tot) de liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting]. Echter, voor een bewezenverklaring van uitlokking tot moord is meer nodig dan het enkel kunnen vaststellen dat verdachte (zeer vermoedelijk) wetenschap heeft gehad van een plan om [slachtoffer 1 Hato-shooting] te vermoorden. Met zekerheid kan vastgesteld worden dat verdachte niet aanwezig was bij de uitvoering van het misdrijf. Verdachte zat op dat moment namelijk gedetineerd in een ander land. Op basis van het dossier kan verder ook niet worden vastgesteld dat verdachte op belangrijke momenten een rol had bij de Hato-shooting, bijvoorbeeld voor en/of na de schietpartij op 15 juli 2014. Er zitten in het onderhavige dossier bijvoorbeeld geen tekstberichten, telefoon-, OVC-gesprekken en/of financiële transacties waaruit de vermeende opdracht van verdachte om [slachtoffer 1 Hato-shooting] te liquideren kan worden afgeleid. Het Gerecht komt daarom tot het oordeel dat de belastende van-horen-zeggen verklaringen van meerdere getuigen en het feit dat kort na de Hato-shooting foto’s van de lichamen van [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] zijn aangetroffen in een telefoon van verdachte, onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten te kunnen komen. Op basis van deze stukken kan het Gerecht namelijk niet vaststellen of verdachte iets heeft gedaan en/of gezegd dat een wilsbesluit bij een ander of anderen heeft opgewekt. De steun in ander bewijsmateriaal ziet het Gerecht ook niet. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten. 4.4. De wraakmoorden (de feiten 5 tot en met 10) De officier van justitie heeft de gedragingen van verdachte die in verband zijn gebracht met de vermeende wraakacties naar aanleiding van de moord op [vriendin verdachte] (de feiten 5 tot en met 10 op de tenlastelegging) gekwalificeerd als – kortgezegd – (primair) medeplegen uitlokking (pogingen tot) moord(en). Het Gerecht zal hierna eerst de feiten en omstandigheden met betrekking tot de zogenoemde ‘wraakmoorden’ weergeven. Vervolgens volgt – samengevat – het juridisch kader. Daarna zal het Gerecht een oordeel geven over de onder 5 tot en met 10 tenlastegelegde feiten. Het Gerecht hecht eraan op te merken dat zij met het Openbaar Ministerie en de verdediging van oordeel is dat in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van onherroepelijke rechterlijke beslissingen. Het Wetboek van Strafvordering biedt steun aan die gedachte. Dit uitgangspunt neemt niet weg dat het Gerecht onafhankelijk op grond van eigen onderzoek oordeelt over de in deze strafzaak aan verdachte gemaakte verwijten. Daarbij komt het Gerecht tot een eigen waardering van het bewijsmateriaal en het kan dan ook voorkomen dat verdachte voor een bepaald feit wordt vrijgesproken terwijl op grond van hetzelfde dossier een medeverdachte wordt veroordeeld. Ook andersom is denkbaar. Tot slot acht het Gerecht het van belang om op te merken dat bij het vaststellen van de feiten en de mate van betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten, het Gerecht er niet aan ontkomt om ook de rol van anderen, die zich wellicht later nog dienen te verantwoorden bij de rechter, te duiden. Dit zal echter geen oordeel inhouden over de schuld van deze personen. 4.4.1. Feiten en omstandigheden met betrekking tot de wraakmoorden Inleiding De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de uitlokker was van de moordaanslagen op [slachtoffer feit 5], [slachtoffer feit 6], [slachtoffer 1 van feit 8], [slachtoffer feit 9] en [slachtoffer feit 10] op basis van onder andere PGP-, OVC- en tapgesprekken. Van de aanslagen op [slachtoffer 2 van feit 8] en [slachtoffer feit 7] zal verdachte moeten worden vrijgesproken, aldus de officier van justitie. Daartegenover staat de ontkenning van verdachte bij enige moordaanslag betrokken te zijn geweest. Verdachte heeft – in de kern – verklaard dat hij boos en verdrietig was na de moord op [vriendin verdachte] en zich in gesprekken met anderen ook zo uitte, maar dat dit niet betekende dat hij opdracht heeft gegeven tot het plegen van (pogingen tot) moorden. Verder heeft verdachte verklaard dat hij sommige uitspraken die in het dossier staan niet heeft gezegd, dan wel dat deze berichten verkeerd zijn geïnterpreteerd en/of vertaald. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op de mogelijke motieven van anderen om de slachtoffers van de ten laste gelegde (pogingen tot) moord(
- en)om het leven te brengen, wat een contra-indicatie voor betrokkenheid van verdachte bij de moorden zou zijn. Zoals hiervoor in het kader van de criminele organisatie al is vastgesteld door het Gerecht, was verdachte boos en zinde hij op wraak op iedereen die – in zijn ogen – betrokken was bij de liquidatie van [vriendin verdachte]. Deze personen moesten gedood worden. Verdachte gaf daarbij de opdracht aan anderen om op zoek te gaan naar de betrokkenen. Naar het oordeel van Gerecht had verdachte dan ook een motief. Dat iemand een reden heeft om een ander om het leven te brengen, draagt op zichzelf niet bij aan het bewijs dat diegene de ander daadwerkelijk om het leven heeft gebracht of laten brengen. Een motief kan echter wel zo nauw verbonden zijn met een gepleegd misdrijf dat het kan doorklinken in ander bewijs. En zo draagt het op die manier bij tot het bewijs. Als aannemelijk wordt dat een verdachte iemand definitief het zwijgen heeft willen opleggen, kan dat dus in de bewijsvoering een rol spelen. In dit dossier komen gesprekken voor waarin verdachte heeft gezegd dat hij personen zou vermoorden, als wraakactie vanwege hun betrokkenheid bij de moord op [vriendin verdachte]. Bij dergelijke uitlatingen kan het Gerecht er niet zomaar van uitgaan dat het slechts gaat om een loze bedreiging of een theoretisch motief, maar zal het Gerecht ook moeten onderzoeken of dit moet worden opgevat als een serieuze aankondiging van een moord. Dat geldt zeker in deze zaak waarin er daadwerkelijk aanslagen zijn gepleegd op de personen waarover verdachte spreekt als ware zij degenen die schuilden achter de moord op [vriendin verdachte]. Feiten en omstandigheden Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 5 november 2015 krijgt het ‘centre operationnel de la Gendarmerie de Saint Martin’ bericht over schoten met een vuurwapen in het Quartier d’Orleans in Saint Martin. Ter plaatse bleek dat [vriendin verdachte], destijds de vriendin van verdachte, om het leven was gekomen door op haar afgevuurde kogels. Direct na de moord op [vriendin verdachte] waren meerdere personen, waaronder verdachte, op zoek naar de verantwoordelijken voor de liquidatie van [vriendin verdachte]. Uit zowel telefoon-, PGP- als OVC-gesprekken wordt naar het oordeel van het Gerecht duidelijk dat wraak genomen moest worden op deze personen. Er werden door verdachte en medeverdachten vervolgens namen genoemd, geld beschikbaar gesteld (om informatie in te winnen en de schutters te betalen) en er werd ook contact gelegd met de schutters: 5 november 2015: [Medeverdachte 4] (PGP-safe [PGP 1]) had contact met [medeverdachte 1] (PGP-safe [PGP 2]). [Medeverdachte 4] bracht [medeverdachte 1] op de hoogte van de aanslag op [vriendin verdachte]. Verder gaf [medeverdachte 4] aan dat zijn neef, een politieagent, bezig was om alles te checken. [Medeverdachte 1] gaf vervolgens aan dat ‘ze voor alles papieren zetten om de juiste informatie te krijgen’, ‘ze sint plat gaan branden’ en dat [medeverdachte 4] aan [bijnaam verdachte] door moest geven dat hij sterk moest blijven. Verder deelde [medeverdachte 1] mede aan PGP-account [PGP 5] dat hij niet wist wat er aan de hand is in SXM (het Gerecht begrijpt: Sint Maarten). Twee weken geleden hadden zij een soldaat van [bijnaam verdachte] gedood en nu zijn vriendin. [Medeverdachte 1] voegde hieraan toe: ‘i want meshup SXM fix some crazy topshota 100thousan for each to come meshup SXM i have more soldier’. 5 november 2015: [Medeverdachte 1] had contact met [medeverdachte 2] (PGP-safe [PGP 3]). [Medeverdachte 2] gaf aan dat hij zeker wist dat de Franse jongen ‘[slachtoffer feit 6]’ achter de moord op [vriendin verdachte] zat. Hij had mensen uit St. Croix om het te doen. Hij dacht dat de mensen in dezelfde buurt woonden, want ze waren te voet weggerend na de schietpartij. [Medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 2] hoe zij hem, [slachtoffer feit 6], konden terugpakken. [Medeverdachte 2] gaf aan dat hij [slachtoffer feit 6] graag wilde uitschakelen, maar dat hij goed na ging denken hoe en met welke personen, omdat [slachtoffer feit 6] veel ‘killers’ om zich heen had. [Medeverdachte 1] gaf aan dat hij alles zou betalen en dat daarna ‘[slachtoffer feit 5]’ vermoord moest worden. [Medeverdachte 2] gaf vervolgens aan dat hij de juiste mensen had in St. Croix die het konden doen. [Medeverdachte 1] gaf aan dat [medeverdachte 2] dit voor hem moest gaan regelen. [Medeverdachte 2] ging het in gang zetten en zou later vertellen wat de kosten zouden zijn. 6 november 2015: [Medeverdachte 4] was op bezoek geweest bij verdachte in de PI in [plaats] en op die dag had verdachte ook gebeld met [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 4] gaf aan dat ‘hij’ zei dat verdachte rustig moest blijven en dat ‘hij’ er bovenop zat. Verdachte vroeg aan [medeverdachte 4] of hij ‘ruman’ had gesproken om te kijken wat er gaande was. Met ‘hij’ en ‘Ruman’ werd [medeverdachte 1] bedoeld. [Medeverdachte 4] fungeerde kennelijk als boodschapper tussen [medeverdachte 1] en verdachte. Verdachte gaf [medeverdachte 4] de opdracht om er bovenop te blijven zitten. Verder zei verdachte tegen [medeverdachte 4] dat ze na moeten gaan welke vlucht vanuit Saint Kitts en Nevis was gegaan gisteren. Verdachte wilde kijken of ze ‘de kleine slanke man kunnen zien’. 7 november 2015: [Medeverdachte 1] tegen PGP-account [PGP 6]: ‘als je disrespect ik doe wreed dingen nls zijn wij allemaal in pijn deze dagen hun hebben [bijnaam verdachte] zijn vrouw vermoord eergister dus we zijn ready voor hele generatie te vermoorden’. Verder stuurde [medeverdachte 1] die dag naar PGP-account [PGP 7] het bericht dat zij geld moesten gaan verdienen. ‘C komt er zo uit (het Gerecht begrijpt: verdachte komt binnenkort uit de gevangenis). Zij moesten super goed voorbereid zijn op Curaçao, zodat verdachte zich veilig voelde. PGP-account [PGP 7] zei dat hij met een geconcentreerde geest verder meedeed aan de strijd’. 7 november 2015: Verdachte tegen [betrokkene 2]: ‘het zijn [slachtoffer feit 6] en [slachtoffer feit 9]. Ze hebben haar pijn gedaan (het Gerecht begrijpt: [vriendin verdachte]). Verdachte wees dus twee dagen na de moord op [vriendin verdachte] meerdere personen aan als betrokkenen. Deze namen herhaalde verdachte op 8 november 2015: ‘Luister nou: [slachtoffer feit 9] [slachtoffer feit 6] en [betrokkene 7] zitten hier achter’, op 11 november 2015: ‘[slachtoffer feit 9] is de enige, 100% vader, die dit gedaan heeft, [slachtoffer feit 6] is 80 % en [betrokkene 7] is 50 % maar [slachtoffer feit 9] heeft dit gedaan, hij heeft die gast gestuurd, de foto die de politie had’ en op 14 november 2015: ‘Maar jij heeft [slachtoffer feit 6], die man is dood, hetzelfde heeft hij mij geflikt en dat doet hij nu ook thuis, dus hij kan niet meer thuis komen. Hij wordt spoedig vermoord. Ja, daarom moet L snel dat geld sturen, maandag, zodat mijn mensen kunnen doen wat ze moeten doen en ik ook door met de Big’. Uit getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 8] blijkt dat met de bijnaam ‘[slachtoffer feit 6]’ [slachtoffer feit 6] werd bedoeld. 9 november 2015: [betrokkene 8] vertelde aan de politie dat [betrokkene 3], alias [betrokkene 3] en/of [betrokkene 3], een foto van de mogelijke schutter op zijn telefoon had ontvangen. Verder verklaarde [betrokkene 8] dat de schutter de uitvoerder was voor het vuile werk van [slachtoffer feit 9], alias ‘[slachtoffer feit 9]’, een voormalig lid van de NLS. [bijnaam verdachte], (het Gerecht begrijpt: verdachte), die aan het hoofd staat van de NLS, en [slachtoffer feit 9] zijn vermoedelijk verwikkeld in een bendeoorlog, aldus [betrokkene 8]. 10 november 2015: [medeverdachte 1] zei tegen [medeverdachte 2] dat hij, [medeverdachte 2], het moest regelen met zijn soldaat. [Medeverdachte 1] wilde [slachtoffer feit 6] en [slachtoffer feit 5] dood. Daarna zouden zij op zoek gaan naar [slachtoffer feit 9]. [Medeverdachte 2] zei tegen [medeverdachte 1] dat het hem veel plezier zou geven om [slachtoffer feit 9] te vermoorden. [Medeverdachte 2] gaf bij [medeverdachte 1] aan dat hij de mannen (het Gerecht begrijpt: de schutters) uit St. Croix zou laten komen op het moment dat [medeverdachte 1] daar akkoord op zou geven. [medeverdachte 2] zou bij [medeverdachte 1] aangeven wat er vervolgens allemaal nodig was. Voor [slachtoffer feit 9] (het Gerecht begrijpt: voor de moord op [slachtoffer feit 9]) wilde ‘[betrokkene 9]’ graag de opdracht, aldus [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] gaf vervolgens aan dat er een budget van 500.000 dollar vrijgemaakt mocht worden voor [slachtoffer feit 6], [slachtoffer feit 5], [slachtoffer feit 9] en [betrokkene 5]. [Medeverdachte 2] gaf aan dat het zou worden geregeld. 10 november 2015: [medeverdachte 1] had op deze dag ook contact met [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 1] gaf aan dat hij een groep heeft op ‘sn xroiit’ (het Gerecht begrijpt: St. Croix), maar dat bekend moest zijn waar en wie. [medeverdachte 4] gaf aan dat hij dit begreep en dat hij er bijna achter was hoe het precies zat. [Medeverdachte 4]: ‘Wij moeten op St. Kitts en St. Maarten zijn.’ [Medeverdachte 1] zei nogmaals dat hij wilde weten wie ‘dat ding’ gedaan had om hen te laten zien wat pijn zou betekenen. Hierop reageerde [medeverdachte 4] als volgt: ‘[Slachtoffer feit 9] e.a. en hun crew. Met [slachtoffer feit 6] e.a. Zij hebben dat ding laten doen!. Maar ‘neef’ is bezig om het mij heel precies te zeggen’. [medeverdachte 1] reageerde hierop als volgt: Kijk Sangre, [bijnaam verdachte] kan niet kome naar aanleiding van horen zeggen/roddels.’ Uit het verloop van het gesprek wordt naar het oordeel van het Gerecht met ‘[bijnaam verdachte]’ verdachte bedoeld. Hieruit leidt het Gerecht af dat verdachte moest bepalen wie de betrokkenen waren. [Medeverdachte 1] wilde het wel zeker weten. Verder zei [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 4] het volgende: ‘ja want wijlen [persoon 3] diende als chauffeur om [betrokkene 5] kapot te maken en zij hebben hem persoonlijk gezien. En toen onze persoon het ding hoorde, want de neef van [betrokkene 5] zei dat hij iedereen, die zijn oom neergeschoten had, zal vermoorden. En toen zij [slachtoffer feit 5] neergeschoten hadden, werd zijn ‘peiki’ ook door kogels geraakt’. [Slachtoffer feit 5] bleek de neef te zijn van [betrokkene 5], alias ‘[betrokkene 5]’. 13 november 2015: [Medeverdachte 4] bezocht verdachte in de PI in [plaats]. Op deze dag had [medeverdachte 4] ook weer contact met [medeverdachte 1] via PGP-safe. [Medeverdachte 4] geeft aan dat hij net bij ‘broeder’ vandaan komt (het Gerecht begrijpt: verdachte). Verdachte had tegen [medeverdachte 4] gezegd dat [slachtoffer feit 9] ‘het ding’ heeft laten doen. Verder vroeg verdachte aan [medeverdachte 4] waarom er zo lang over werd gedaan om er gas achter zetten. Verdachte wilde dat er iets zou gebeuren voordat hij vrijkwam. Verdachte was heel boos, aldus [medeverdachte 4]. 15 november 2015: Verdachte belde met [betrokkene 3]. [bijnaam verdachte]: ‘Pak pen en papier want de straat heeft een wake-up-call nodig. Toen heeft diezelfde [slachtoffer feit 9] [betrokkene 10] vermoord om weer goed te zijn met [betrokkene 12]. Hetzelfde heeft hij met [betrokkene 11] gedaan. [Betrokkene 4] stierf. Nadat hij goed was met [betrokkene 11, sloot hij zich aan bij [slachtoffer feit 7], de broer van [betrokkene 4]. Vermoord die vrouw niet, vermoord zijn eigen vrouw niet en laat het eruit zien als iets van een bende is, een wraakoefening. Van alles wat hij gedaan heeft, schoof hij de schuld op anderen. [(bij)namen slachtoffer feit 9] en vermoord zijn eigen vrouw niet. De straat moet wakker worden. Regel dat’. Naar het oordeel van het Gerecht is het duidelijk wat verdachte wilde dat er met [slachtoffer feit 9] moest gebeuren, namelijk dat hij moest worden vermoord. [Betrokkene 3] moest het regelen. [Medeverdachte 4] informeerde hierover [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] informeerde [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] gaf aan dat de schutters waren geregeld en dat ‘[betrokkene 9]’ [slachtoffer feit 9] wilde vermoorden. Dat dit gesprek zou zijn gemanipuleerd, zoals wordt beweerd door verdachte tijdens de zitting, is naar het oordeel van het Gerecht niet onderbouwd. Bovendien past deze opmerking van verdachte bij zijn eerdere opmerkingen over [slachtoffer feit 9], inhoudende – kort gezegd – dat hij betrokken was bij de liquidatie van [vriendin verdachte] en dat de betrokkenen vermoord moesten worden. 27 december 2015: ‘[bijnaam verdachte] zegt dat hij erg veel last heeft van wat er met zijn vriendin gebeurd is. [Bijnaam verdachte] zegt dat hij die mensen begraven wil zien. Als die mensen dood zijn doet hij ([bijnaam verdachte]) niets. Hij wil ze allemaal dood zien. [Bijnaam verdachte] zegt dat hij nu vastzit maar als hij vrij is dan pas beginnen de uren te tellen’. Eerste tussenconclusie: zoektocht naar betrokkenen bij de liquidatie van [vriendin verdachte], opdracht tot liquidatie van de betrokkenen en het regelen/beschikbaar stellen van geld en schutters Uit het chronologische verloop van voornoemde gesprekken leidt het Gerecht af dat [medeverdachte 4] met verdachte besprak wat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] hadden besproken via PGP-safe. [Medeverdachte 4] was vervolgens de persoon die aan [medeverdachte 1] doorgaf wat hij, [medeverdachte 4], met verdachte had besproken via de telefoon en in de PI in [plaats]. Hierdoor was verdachte op de hoogte van wat er buiten de gevangenis door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] werd uitgezocht, geregeld en besproken en konden de boodschappen van verdachte via [medeverdachte 4] doorgegeven worden naar de buitenwereld, waaronder [medeverdachte 1]. Verder komt het Gerecht op basis van voornoemde gesprekken tot de conclusie dat verdachte, op basis van informatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4], de persoon was die bepaalde wie de betrokkenen van de moord op [vriendin verdachte] waren en dat zij allemaal vermoord moesten worden. De boodschap dat de betrokkenen gevonden en vermoord moeten worden was ook goed doorgekomen bij [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] nam deze berichten ook zeer serieus. Hij was namelijk daags na de moord op [vriendin verdachte] bezig met het organiseren van de moorden op de betrokkenen. [Medeverdachte 1] had [medeverdachte 2] ingeschakeld als moordmakelaar en had een budget van 500.000 dollar vrijgemaakt voor de moorden. Ook [medeverdachte 2] kwam direct in actie en was bezig met de zoektocht naar de schutters voor de moorden en koppelde hier ook een concrete naam aan van ene “[betrokkene 9]”. Deze “[betrokkene 9]” had aangegeven dat hij heel graag [slachtoffer feit 9] wilde vermoorden. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat direct na de moord op [vriendin verdachte] serieuze plannen werden gemaakt om de betrokkenen bij de moord op [vriendin verdachte] – tegen betaling – te laten liquideren. Vervolg feiten en omstandigheden Van alleen boosheid, woede, dan wel grootspraak is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. Immers, de zoektocht van verdachte en de medeverdachten naar de betrokkenen en het voorbereiden van liquidaties was enkele maanden na de liquidatie van [vriendin verdachte] nog steeds in volle gang. Ook werden in de loop van de tijd nieuwe namen van de mogelijke betrokkenen genoemd door verdachte en medeverdachten. Gesprekken over de voorbereidingen van de liquidaties werden afgewisseld met gesprekken die ontegenzeggelijk over de drugshandel gingen en er werd gesproken om geld te maken zodat mensen konden worden ingeschakeld: 16 januari 2016: ‘[bijnaam verdachte] geeft aan dat hij de daders zal aanpakken. [Betrokkene 14]: Ik weet, wat je zelfs daar vandaan kunt doen, dus meer hoef je niet te zeggen’ (het Gerecht begrijpt: vanuit de gevangenis in Nederland). Zij spreken af dat [bijnaam verdachte] niet doorvertelt dat hij met [betrokkene 14] communiceert en dat [betrokkene 14] voor hem informatie gaat verzamelen, en zo nodig opdrachten gaat uitvoeren’. 17 januari 2016: [betrokkene 2]: ‘[slachtoffer feit 6] (het Gerecht begrijpt: [slachtoffer feit 6]) is tot van alles in staat achter jouw rug om. Ik hou hem in de gaten. Verdachte: maar ze kennen de allerlaatste nieuwtjes van de straat niet. Als de rat in het hol is, is het tijd om gift te spuiten. Dat soort gasten wil ik niet vermoorden. Nee, ik wil ze mank maken, net als oom, en ze voor de rest van hun leven zo laten. Zo simpel is het. Je hoeft niet iedereen te vermoorden, als ik eruit kom ben ik gestoord, dan ga ik tenminste een paar jaar zitten voor bepaalde mensen’. 2 februari 2016: ‘[bijnaam verdachte]: Ik ben boos over dat van vrouw. [bijnaam verdachte] wil weten wie de moordenaars gestuurd hebben. Je weet hoe het werkt zegt hij’. 12 maart 2016: ‘Aan alles komt een einde Sangre. Daarom doe ik het rustig aan. Maar ik ben al begonnen mijn dingen te regelen. Ik kan niet gaan wachten totdat ik dar buiten ben. Sta stil en respecteer [bijnaam verdachte]. Ik wil niet te veel zeggen. Maar ik ben Soldier’. Verdachte zegt vervolgens: ‘Als je bij mij komen ga ik proberen jullie daarheen te sturen. Zodat jullie weten waar we gaan “locken”. Dan zeg je respect [bijnaam verdachte]. It’s a dirty job, but somebody had got to do it. Het is een hele vieze klus maar iemand moet het doen vriend. De dingen moeten gaan lopen’. 15 maart 2016: [Betrokkene 1] en [betrokkene 3] waren op bezoek bij verdachte in de PI te [plaats]. [Bijnaam verdachte] zei tegen [betrokkene 3] (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 3]) dat er geld nodig was, iets moest geduwd (verstuurd) worden, wat wiet… Verdachte: ‘rakette’. [betrokkene 1]: ‘rakette laat ons het ophalen om te kijken of hij serieus is’. [bijnaam verdachte] vroeg [betrokkene 3] of hij weet hoe hij geld kan maken/verdienen, sommige mensen moeten geplet worden. [Bijnaam verdachte] stelde aan [betrokkene 3] de vraag wat hij zou doen als men [bijnaam verdachte] vandaag naar St. Maarten zou sturen. [Betrokkene 3] zei dat hij dan zal hij weggaan. [Betrokkene 1] zei dat hij dan meteen op St. Maarten zou gaan slapen. In het vliegtuig die [bijnaam verdachte] in zal gaan, moesten zij ook meegaan. [Betrokkene 1]: ‘sangre’ geld is er om meteen dingen te kopen (maakt geluid van schietende: papaparapapapa). [bijnaam verdachte]: ja ‘sangre’. [betrokkene 3] luister, deze mannen moeten terug geschopt worden!!! Ze moeten zien/realiseren dat deze ding geen spel is!! Zoek het uit [betrokkene 3], het is geen spel, het is geen spel. Al deze mannen hadden al lang dood moeten zijn. [betrokkene 3]: ‘niemand kan deze man vinden, jongen. Hij is niet daar in Sucker Garden’. [bijnaam verdachte]: ‘hij is daar. De man is daar. Alles in SM weet ik. [Betrokkene 3], deze mannen zullen je doden door jaloezie, dezelfde mannen van ‘town’/stad doden je door jaloezie. Bom ga ik daar in gooien. Ik wil zelf niet in de buurt zijn [betrokkene 3]. Daarom is het papier (het Gerecht begrijpt: het geld), als je dat geen papier hebt, als je blijft denken, gaan deze mannen jou vegen op het dat je aan komt. [betrokkene 3], ik kan begrijpen dat de mannen ...ntv.. verstoppen/verbergen’. [Bijnaam verdachte]: ‘ze hebben gezegd dat ze 200 hebben ingedaan, terwijl er 600 is binnen gekomen. En ze hebben de 400 gehouden, de man is heel boos’. [betrokkene 3]: als het zo is, begin mensen te zoeken, die bereid zijn om te gaan en niet meer naar huis komen’. [Betrokkene 1]: ik heb nu een bro/makker, chef, chef van daar beneden’. [Bijnaam verdachte]: Curaçao?’ [betrokkene 1]: ‘ja, hij pakt alle dozen, hij pakt alles. Deze is een Jamaicaan. Hij samen met een politie van Cargo werken, begrijp je? En hij wil dingen in ’s avonds laat neerdalen/naar beneden laat gaan. Vanuit St. Maarten, van waar dan ook. Ook uit Jamaica, heel veel marihuana’. [bijnaam verdachte]: ‘we maken er gewoon een team van’. [Bijnaam verdachte] is op de hoogte van alles en [betrokkene 3] moet doen wat [bijnaam verdachte] zegt. Ik ben een soldaat zegt [bijnaam verdachte]. [Bijnaam verdachte] zegt hij heeft geld nodig om zijn dingen te betalen en zegt dat als nu 500 naar beneden komt, dan zal [betrokkene 1] wel zien wat er gaat gebeuren. [Bijnaam verdachte]: ‘[Betrokkene 3] (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 3]) denk jij dat het een spel/geintje is? This thing from [vriendin verdachte] goes to the extreme, nothing more can happen to me. This is the last les I learn [betrokkene 3]. [Bijnaam verdachte] zegt dat hij een voorbeeld moet zetten, dit is geen spel.’ [Bijnaam verdachte]: ‘[betrokkene 3], je moet goed zijn met bepaalde mensen om dingen uit te zoeken. Je gaat mij lang in de gevangenis houden, want ik kan niet over bepaalde dingen over de telefoon met je hebben. Ze luisteren naar alle fucking ding wat ik zeg’. [Bijnaam verdachte]: ‘ik heb wat papier nodig [betrokkene 3]’. Vervolgens vertelt [bijnaam verdachte] dat hij [betrokkene 2] heeft gebeld en dat [betrokkene 2] tegen hem had gezegd dat zij is er klaar mee met dat fuck, het geregel van geld van [bijnaam verdachte] tussen haar en [betrokkene 3]. [Betrokkene 1]: ik wil veel mensen vermoorden. [Bijnaam verdachte]: het is zo meteen zover. Er moet respect zijn. Dat wil zeggen, ik wil blok zien en dan BAP!! Ja want, ik maak geen geintje. Als [betrokkene 15] komt, doe zo BAAAM, blokkeer de mannen, dat [betrokkene 15] daar blijft staan, maar met alles aan, handschoenen en dingen en [betrokkene 15] aan en veeg de mannen in de auto, alle vier mensen, wegwezen.’ [Betrokkene 1]: ‘een heleboel mannen moeten nu vallen, zodat het respect weer zegeviert’. [Bijnaam verdachte]: ‘wat dan ook begin gewoon vanaf het dak, achterin en gewoon BAAAM!!’. [Betrokkene 3] geeft aan dat hij weet wat hij moet doen. Verder vertelt verdachte nog dat hij, [betrokkene 3], zich moet bedekken en wat kogels moet afvuren. [bijnaam verdachte]: ‘some money, stole a car, bam bam bam bam boem, buzz off/out in the morning, nothing go on’. [Bijnaam verdachte] richt zich tot [betrokkene 1]: ‘de mensen moet beginnen met praten; vanwaar, welke, wie, weet je hoe. Anders gaan er een heleboel onschuldige mensen weg. Maar vanaf het moment dat het dat meisje is overkomen, ik dacht van “swa”, die kerel, moet moet moet moet, want het is in jouw buurt/woonwijk, ze kunnen dat ding niet doen’. [Bijnaam verdachte]: ‘ik ben goed met dit meisje, [betrokkene 2]. Zij is een soldaat. Ze zit in mijn team’. Toen deze ding van [vriendin verdachte], toen zei ik “nee”. Nu is er geen geintje meer [betrokkene 3]. Now is it right right right till the respect get there. Die tweeling van “town”, je zal zien wat er met die mannen gaat gebeuren “swa”. Weet je hoe ze zullen blijven, wacht en je zal zien. Die van town die alsof lopen te doen. Ik pak ze hard aan. Ze lopen te klooien, een heleboel kleine jongens lopen domme dingen te doen. Nu is er geen vergiffenis/vergeving voor de mannen, geen genade voor deze mannen [betrokkene 3]. Omdat ik vastzit hebben ze die klote ding met [vriendin verdachte] gedaan, broer. Hele klote ding, ik accepteer het nooit van mijn leven. Ik heb niets meer te verliezen broer. Elk moment wanneer ik buiten kom, betaal ik mijn team op hem. Begrijp je? Dat zij hem met een vuurwapen/geweer oppakken. Begrijp je? Want daarbinnen wil ik hem hebben, begrijp je wat er aan de hand is? Zo dat ik met hem kan afhandelen, daarom zei ik tegen jou om de situaties voor mij te halen/regelen. Het zijn veel dingen, ik kan niet praten, want anders klappen/ontploffen ze hem meteen sangre. [Betrokkene 16] en iedereen zitten daar beneden vast. Heel veel soldaten zitten daar beneden vast. In een week of twee is dit anders nog, zij dachten van na de begrafenis van [vriendin verdachte]… niets. Nee het is niet zo, dit zal jaar, na jaar, na jaar, na jaar gaan. En data, ik heb de data bepaald om ook mensen te vegen (het Gerecht begrijpt: vermoorden). 5 november. Wanneer ik buiten ben, ik heb een beetje papier (het Gerecht begrijpt: geld), zal je sunami op 1 9 zien. [betrokkene 3], [betrokkene 3] je weet wat ik deed toen ik daar buiten was [betrokkene 3]. Ik jaag, ik blijf jagen tot wanneer ik gegeten heb. [Slachtoffer feit 9] wordt beschoten, deze man verstopt zich. Dezelfde jonge kerel die [vriendin verdachte] heeft vermoord, [slachtoffer feit 9], hij en [betrokkene 17]. [Betrokkene 1]: Je moet me twee laten vermoorden. Ik moet twee drie vermoorden om wat serieuzer te worden. [Bijnaam verdachte]: deze man, deze man, kijk ik had deze plan voor iemand anders. [Bijnaam verdachte]: veel mensen hebben dat wel, veel mensen… [betrokkene 29], de ene kerel die ontsnapt is, is een klootzak. Hij heeft geen geld, ik heb ook geen geld, anders had je allang gehoord. [betrokkene 3]: ‘Ik kom terug als een goede soldaat. Als ik niet terugkom, ben ik er uit gegaan als een goede soldaat’. Vervolgens informeert [betrokkene 1] verdachte over de terugkeer van [slachtoffer feit 9] op Sint Maarten. [Bijnaam verdachte]: [slachtoffer feit 9] woont dan daar beneden? Hij moet een manier zoeken om te betalen. Ik geloof ook niet meer in hem. Bal/kogel heb ik voor hem, weet je’. [Bijnaam verdachte]: ‘er moet papier gemaakt worden’. [Betrokkene 1]: ‘ik wil veel mensen om te vermoorden’. [bijnaam verdachte]: ‘de mensen hebben tegen hun gelogen dat het alleen 200 is. Maar bleek dat er nog 400 waren. Een punt 2 miljoen extra, 12 miljoen’. Uit het dossier leidt het Gerecht af dat verdachte het hiervoor heeft over [betrokkene 29], alias ‘[betrokkene 29]/[betrokkene 29]’, die op 15 februari 2016 is ontsnapt uit de Point Blanche gevangenis in Sint Maarten. 15 maart 2016: Verdachte had een gesprek met [betrokkene 2]. Hierin vertelde [betrokkene 2] dat de moeder (het Gerecht begrijpt de moeder van [slachtoffer feit 5]) heeft gezegd dat de man van dat meisje haar zoon heeft vermoord en dat moeder haar ([betrokkene 2]) heeft verteld dat [slachtoffer feit 5], voordat hij stierf, heeft gezegd dat verdachte het was. [betrokkene 2] vroeg of verdachte het begreep en verdachte bevestigde dit vervolgens. [Betrokkene 2] gaf aan dat hij, [slachtoffer feit 5], het of alleen heeft gedaan of dat de andere blanke jongen (hiermee wordt gelet op alle voorgaande gesprekken ‘[slachtoffer feit 6]’, [slachtoffer feit 6] [slachtoffer feit 6], bedoeld), hem had gestuurd, maar dat hij het niet wilde doen en hij iemand anders had gevraagd om het te doen. Hierna zal het Gerecht onderbouwen waarom hier met ‘[slachtoffer feit 5]’ [slachtoffer feit 5] werd bedoeld. Dat verdachte ook na vier maanden na de moord op zijn vriendin nog plannen blijft maken de vermeende betrokkenen bij die moord iets aan te doen, blijkt ook uit de in maart 2016 gevoerde gesprekken. 17 maart 2016: verdachte had een gesprek met NNm. Hierin gaf verdachte aan dat hij wat dingen geregeld wilde hebben en dat er papieren nodig waren (het Gerecht begrijpt dat er geld nodig is). Verdachte zei dat dingen in orde gezet moesten worden. Hij heeft twee, drie om te rijden/voertuigen nodig. Verdachte zei dat ‘de rally’ binnenkort start. 19 maart 2016: Verdachte: ‘Over 10 weken kom ik vrij. Ik heb veel recht te zetten. Als ik buiten kom, dan ben ik niet bang, ik doe alles vanuit mijn hart, ik laat me niet vermoorden, als ik vermoord word, dan is het door de politie, maar ik begrijp nog steeds niet waarom ze denken dat het een spelletje is, ze hebben mijn vrouw vermoord, die mannen zijn bang, ze weten wat voor tijd het is, ze kunnen mij niet overwinnen. Iedereen moet een keer dood. Die [F] gaat niet lang meer leven’. 20 maart 2016: Verdachte had een gesprek met [betrokkene 1]. [betrokkene 1] zei: ‘We verrichten jouw werkzaamheden voor je bloed’. Verdachte gaf aan dat zij nog niemand iets aangedaan hebben en dat ze geld nodig hadden. Verder in het gesprek gaf [betrokkene 1] aan dat het einde telt. Hierop reageerde verdachte: ‘dat ding is oorlog…kogel nemen… kogel geven…fles champagne openmaken. Het einde is wat telt! Ik krijg mijn meisje nooit meer terug. Daarom wil ik op mezelf passen…veel missie…want veel serieuze dingen moeten plaats vinden en daarvoor heb je veel paper (het Gerecht begrijpt: geld) nodig… er is veel geld nodig om nu rustig te leven’. 23 maart 2016: ‘Mij gaan ze met een AK47 aantreffen. Mijn familie is overleden. Stel het zou hun vrouw zijn geweest. GA KONTNEUKEN JUSTITIE. Ze hebben mij reden gegeven om ding te doen. Ik werk met regel op/van straat broer. Ze hebben alleen maar flikker dingen in de krant gezet maar tot de dag van vandaag heet Justitie geen kut gedaan maar jullie willen alleen op no Limit blijven springen. [Bijnaam verdachte] zegt dat de politie voor land doodt en vraagt of hij dan niet voor zijn familie, om te eten mag doden. [Bijnaam verdachte] zegt dat hij voor dat ding op mensen gaat schieten. Dan moet hij maar opgesloten worden. [Bijnaam verdachte] heeft veel nieuwe soldaten die hij aan [betrokkene 1] gaat voorstellen’. Anders dan de verdediging heeft betoogd leidt het Gerecht uit bovengenoemd gesprek af dat verdachte het heft in eigen handen zou gaan nemen en op mensen gaat schieten en vooral niet vertrouwde op de werkzaamheden van politie en justitie. 25 maart 2016: [Betrokkene 1] zei tegen verdachte dat [slachtoffer feit 9] al zes maanden niet was gezien. Volgens het Gerecht was [betrokkene 1] dus kennelijk nog steeds op zoek naar [slachtoffer feit 9] en informeerde hij verdachte hierover. 31 maart 2016: Verdachte had nogmaals een gesprek met [medeverdachte 4]. Hierin gaf verdachte aan dat hij iets meer druk had uitgeoefend en dat de dingen serieus waren. Op de vraag van [medeverdachte 4] wie achter ‘dat ding’ zat verklaarde verdachte ‘N’. Verder gaf verdachte aan dat N en zijn vrouw over verdachte hebben verklaard. Hij zou hen bedreigd hebben. Tot slot zei verdachte tegen [medeverdachte 4]: ‘God is groot.. maar zet gas onder dat ding. Ik bel je morgen om jou te zeggen wanneer je bij mij moet komen.. blijf rustig. Het duurt niet lang meer voordat het zover is, het duurt niet lang meer’. 31 maart 2016: Verdachte had een gesprek met [betrokkene 3]. Hierin gaf hij aan dat een persoon gewoon moest betalen wat hij verdachte verschuldigd was. Gelet op meerdere aangehaalde gesprekken leidt het Gerecht hieruit af dat het om [slachtoffer feit 9] gaat. [Slachtoffer feit 9] was hem immers geld verschuldigd. Verdachte: ‘hoe kan ik hem nou wat aandoen terwijl hij mij betalen moet? Ik kan hem niks aandoen. Hoe? De man is ziek, joh, zijn geweten daar heeft hij last van. Moet die Capo afmaken want hij is een ‘sapo’, haha. Dezelfde mensen die betrokken zijn bij al die moorden, gaven informatie dus natuurlijk gaan zijn die nu ver weg gooien, die stomme lokale politie, [slachtoffer feit 9] heeft zijn eigen kuil gegraven, let op hoe hij in zijn eigen kuil valt’. Tegen [bijnaam verdachte] wordt gezegd dat [slachtoffer feit 9] heeft verteld dat hij ervoor heeft gezorgd dat No Limit Soldiers Sint Maarten niet meer mag binnenkomen. [Bijnaam verdachte]: ‘ach bloed, ik maak me niet eens druk om dat geklets. De man leeft tussen No Limit Soldiers’. 7 april 2016: Verdachte had weer bezoek van [betrokkene 3] en [betrokkene 1]. Verdachte: ‘Maar je moet uitzoeken wie de kerel is die op [vriendin verdachte] geschoten heeft. Ik ga zijn hele familie vermoorden. Dit is geen spelletje. Ik zit in de gevangenis. Wat denkt Sint Maarten dan, dit is een heel andere aanpak. Ik zal ze verrassen [betrokkene 3]. Voor deze mensen heb ik een heel andere mentaliteit, het zal zijn oog om oog, tand om tand (het Gerecht begrijpt: de verantwoordelijken voor de moord op [vriendin verdachte] worden op dezelfde wijze getroffen en dat betekent dat ook zij vermoord moeten worden). Het zal vijfhonderd drie honderd… zal ik door het hoofd van deze man jagen. Het zal 500… dat ik op elk van hun zal zetten. Voor deze mensen heb ik geen gevoelens. [Betrokkene 3] je denkt dat het een spelletje is, maar wat de kerels hebben gedaan accepteer ik niet’. 9 april 2016: Verdachte: ‘Ik heb wel mensen. We hebben veel te doen. Ze gaan verliezen, zus, het is geen spelletje, het is mijn vrouw, mijn familie. 90 % kans dat de mensen die met mij gaan lopen klooien dood gaan’. 9 april 2016: verdachte belde met [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] vertelde tegen verdachte dat hij op het nieuws heeft gezien dat [slachtoffer feit 6] is beschoten op 8 april. 10 april 2016: [Betrokkene 6] was op bezoek geweest bij verdachte. Hierin gaf verdachte aan dat hij bij toeval hoorde dat [slachtoffer feit 6] was beschoten in Sint Maarten, een van de kerels/gozers met wie hij bonje heeft. Hij was beschoten op zijn verjaardag en dat was goed voor hem, aldus verdachte. Verdachte bidt al langer dat hij zou sterven. In het gesprek komt ook nog de volgende passage voorbij: ‘er is een die [slachtoffer feit 5] heet, die is gestorven. Ze hebben hem 7 januari doodgeschoten’. 10 april 2016: [Medeverdachte 1] had contact met PGP-account [PGP 4]. Dit betrof [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 3] geeft aan dat [slachtoffer feit 5] de opdrachtgever is om [vriendin verdachte] neer te knallen. Het is [slachtoffer feit 7] de broer van [betrokkene 4] die hiervoor heeft betaald (het Gerecht begrijpt: [slachtoffer feit 7] en [betrokkene 4]). [Slachtoffer feit 5], die in de buurt van [vriendin verdachte] woonde, zou hebben gebeld om haar te liquideren, op het moment dat zij thuis kwam. De kerel, vermoedelijk de schutter van [vriendin verdachte], zou hebben gepraat met de Franse politie, omdat [slachtoffer feit 5] niet betaald zou hebben aan hem. Hij zou tegenover de Franse politie verklaard hebben dat [slachtoffer feit 5] gebeld heeft voorafgaand aan de aanslag op [vriendin verdachte]. [Slachtoffer feit 7] en [slachtoffer feit 5] zouden vrienden van elkaar zijn. [Medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 3] of [slachtoffer feit 7] in de Point Blanche gevangenis zat, hetgeen werd bevestigd door [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 3] gaf verder aan dat werd gezegd dat C problemen heeft met [slachtoffer feit 7]. [Medeverdachte 1] gaf aan dat zij een kans moeten zoeken om hem daar binnen, in de gevangenis, te pakken te krijgen. [Medeverdachte 1]: ‘[Slachtoffer feit 7] zal het horen, hij krijgt de tering maar. Zometeen ziet hij de power’. 10 april 2016: [Medeverdachte 2] had via PGP-safe contact met [medeverdachte 3]. Hierin gaf hij aan dat ‘K’ in ‘Gada’ is en dat 4 keer is geraakt door een AK, op zijn verjaardag. Op 8 april 2016 is [slachtoffer feit 6] [slachtoffer feit 6] op zijn verjaardag daadwerkelijk beschoten en overgebracht naar een ziekenhuis in Guadaloupe. [Medeverdachte 3] gaf aan dat op straat werd verteld dat het lichaam van ‘K’ halfdood is, dat het niet zeker is of hij het zou redden en dat ‘[betrokkene 29]’ en een andere man het op hem hadden voorzien (‘roll on him’). Er wordt gezegd dat C (verdachte) heeft betaald om ‘[betrokkene 29]’ te laten ontsnappen. Verder gaf [medeverdachte 2] aan dat [medeverdachte 3] aan hun vriend moest vertellen dat zijn lichaam halfdood is en dat niemand hier van kan herstellen. Het is erger dan de dood. [Medeverdachte 3] neemt vervolgens contact op met [medeverdachte 1] en vertelt aan [medeverdachte 1] dat ‘K’ in kritieke toestand is en een deel van zijn lichaam al dood is. Hij is aa