← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2025:198

Parketnummer: 500.00068/22 (Promis) Uitspraak: 23 september 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [datum te Land], adres: [Adres te Land] thans gedetineerd in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught (Nederland). Inhoudsopgave

  1. Onderzoek van de zaak 2
  2. Tenlastelegging 3
  3. Formele voorvragen 5 3.
  4. Geldigheid van de dagvaarding 5 3.
  5. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie 6 3.
  6. Overige voorvragen 14
  7. Beoordeling van het bewijs 14 4.
  8. Inleidende overweging ten aanzien van de criminele organisatie en 14 de levensdelicten 14 4.
  9. Criminele organisatie (feit 1) 14 4.
  10. Vrijspraak van de tenlastegelegde feiten 2, 3 en 4 (zaaksdossier Ceto) 27 4.
  11. De wraakmoorden (de feiten 5 tot en met 10) 29 4.
  12. De drugsfeiten 59 4.
  13. Voorwaardelijke verzoeken 76
  14. Bewezenverklaring 78
  15. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde 84
  16. Strafbaarheid van de verdachte 85
  17. Oplegging van straf 85
  18. Vorderingen benadeelde partijen 87
  19. Toepasselijke wettelijke voorschriften 89 BESLISSING 90 1Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2024, 8 november 2024, 17 februari 2025, 4 juni 2025, 23 juni 2025, 24 juni 2025, 26 juni 2025, 30 juni 2025, 1 juli 2025, 3 juli 2025 en 2 september
  20. De verdachte is, behalve op 2 september 2025 tijdens de sluiting van het onderzoek, (telkens) verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mr. A.S.M. Blonk, advocaat in Curaçao, en mr. L.E. Versluis en mr. J.T.H.M. Mühren, advocaten in Nederland (hierna: de verdediging). De benadeelde partijen [slachtoffer 5 Hato-shooting], [slachtoffer 6 Hato-shooting], [BP 1], [BP 2] en [BP 3] hebben zich gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. De officieren van justitie, [de officieren van justitie] (hierna: de officier van justitie/Openbaar Ministerie), hebben – kort en samengevat weergegeven – ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van: het onder 7 tenlastegelegde feit; het onder 8 tenlastegelegde feit, in die zin dat verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het medeplegen van de uitlokking medeplegen poging tot moord op [slachtoffer 2 van feit 8]; het onder 14 tenlastegelegde feit. Met betrekking tot de overige (primair) tenlastegelegde feiten heeft de officier van justitie ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht deze feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een levenslange gevangenisstraf. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat het Gerecht de vorderingen van de benadeelde partijen volledig zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft – in de kern – bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 14 tenlastegelegde feit nietig zal moeten worden verklaard. Verder heeft de verdediging bepleit dat het Openbaar Ministerie, om meerdere hierna te noemen redenen, niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Indien naar het oordeel van het Gerecht de dagvaarding geldig is en het Openbaar Ministerie door het Gerecht ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van verdachte, dan dient verdachte – kortgezegd – integraal te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Tot slot heeft de verdediging een aantal voorwaardelijke verzoeken naar voren gebracht, inhoudende – kort gezegd – het (nader) horen van getuigen en het toevoegen van stukken, als het Gerecht tot een bewezenverklaring van de feiten komt. De voorwaardelijke verzoeken zullen later in dit vonnis, voor zover nodig, gedetailleerder worden besproken. Hierna zal door het Gerecht – voor zover van belang – de specifieke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie worden besproken. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd de feiten die zijn opgenomen in bijlage 1 van dit vonnis. De verdenkingen komen, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer: Feit 1 (zaaksdossier criminele organisatie): dat hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 februari 2021 in Curaçao, Nederland en/of elders in de wereld als leider heeft deelgenomen aan de organisatie met de naam ‘No Limit Soldiers’, onder andere bestaande uit de natuurlijke personen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van moord c.q. doodslag, drugshandel en witwassen. Feit 2 (zaaksdossier Ceto): dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 1 mei 2014 tot en met 15 juli 2014 heeft uitgelokt het medeplegen van moord c.q. doodslag van [slachtoffer 1 Hato-shooting], gepleegd door [veroordeelde 1 Hato-shooting] en/of [veroordeelde 2 Hato-shooting] op 15 juli 2014 in Curaçao. Feit 3 (zaaksdossier Ceto): dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 1 mei 2014 tot en met 15 juli 2014 heeft uitgelokt het medeplegen van moord c.q. doodslag van [slachtoffer 2 Hato-shooting], gepleegd door [veroordeelde 1 Hato-shooting] en/of [veroordeelde 2 Hato-shooting] op 15 juli 2014 in Curaçao. Feit 4 (zaaksdossier Ceto): Primair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 1 mei 2014 tot en met 15 juli 2014 heeft uitgelokt het medeplegen van poging tot moord c.q. doodslag op [slachtoffer 3 Hato-shooting], [slachtoffer 4 Hato-shooting], [slachtoffer 5 Hato-shooting], [slachtoffer 6 Hato-shooting], [slachtoffer 7 Hato-shooting], [slachtoffer 8 Hato-shooting] en/of [slachtoffer 9 Hato-shooting], gepleegd op 15 juli 2014 in Curaçao. Subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 1 mei 2014 tot en met 15 juli 2014 heeft uitgelokt het medeplegen van zware mishandeling op [slachtoffer 3 Hato-shooting], [slachtoffer 4 Hato-shooting], [slachtoffer 5 Hato-shooting], [slachtoffer 6 Hato-shooting], [slachtoffer 7 Hato-shooting], [slachtoffer 8 Hato-shooting] en/of [slachtoffer 9 Hato-shooting], gepleegd op 15 juli 2014 in Curaçao. Feit 5 (zaaksdossier Triton): Primair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft uitgelokt het medeplegen van de moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 5] op 7 februari 2016 in Saint Martin. Subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepoogd uit te lokken het medeplegen van de moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 5] op 7 februari 2016 in Saint Martin. Meer subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen de moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 5] op 7 februari 2016 in Saint Martin heeft voorbereid. Dit alles in de periode van 5 november 2015 tot en met 7 februari
  21. Feit 6 (zaaksdossier Hera): Primair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 heeft uitgelokt het medeplegen van de poging tot moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 6] op 8 april 2016 in Saint Martin. Subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 heeft gepoogd uit te lokken het medeplegen van moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 6] in Saint Martin. Meer subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 5 november 2015 tot en met 8 april 2016 de moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 6] in Saint Martin heeft voorbereid. Feit 7 (zaaksdossier Ares): Primair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft uitgelokt het medeplegen van de moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 7] op 31 augustus 2016 in Sint Maarten. Subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepoogd uit te lokken het medeplegen van de moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 7] in Sint Maarten. Meer subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen de moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 7] in Sint Maarten heeft voorbereid. Dit alles in de periode van 5 november 2015 tot en met 31 augustus
  22. Feit 8 (zaaksdossier Hebe): Primair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft uitgelokt het medeplegen van de poging tot moord c.q. doodslag van [slachtoffer 1 van feit 8] en [slachtoffer 2 van feit 8] in of omstreeks de periode van 5 november 2016 tot en met 6 november 2016 in Sint Maarten. Subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepoogd uit te lokken het medeplegen van moord c.q. doodslag van [slachtoffer 1 van feit 8] en [slachtoffer 2 van feit 8] in Sint Maarten. Meer subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen de moord c.q. doodslag van [slachtoffer 1 van feit 8] en [slachtoffer 2 van feit 8] in Sint Maarten heeft voorbereid. Dit alles in de periode van 5 november 2015 tot en met 6 november
  23. Feit 9 (zaaksdossier Gaia): Primair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft uitgelokt het medeplegen van de moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 9] op 14 maart 2017 in Sint Maarten. Subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepoogd uit te lokken het medeplegen van de moord c.q. doodslag [slachtoffer feit 9] in Sint Maarten. Meer subsidiair: dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen de moord c.q. doodslag [slachtoffer feit 9] in Sint Maarten heeft voorbereid. Dit alles in de periode van 5 november 2015 tot en met 14 maart
  24. Feit 10 (zaaksdossier Gaia): dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 5 november 2015 tot en met 14 maart 2017 heeft uitgelokt het medeplegen van de poging tot moord c.q. doodslag van [slachtoffer feit 10] op 14 maart 2017 in Sint Maarten. Feit 11 (zaaksdossier Sparrow): dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de in-/uitvoer van 30 kilogram cocaïne van Sint Maarten naar Frankrijk op of omstreeks 13 augustus
  25. Feit 12 (zaaksdossier Sparrow): dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de in-/uitvoer van 140 kilogram cocaïne van Curaçao naar Jamaica en Sint Maarten op of omstreeks 16 november
  26. Feit 13 (zaaksdossier Sparrow): dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 februari 2021 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de in-/uitvoer van 172 kilogram cocaïne van Curaçao naar Frankrijk. Feit 14 (zaaksdossier Sparrow): dat hij zich in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021 te Curaçao en/of Sint Maarten en/of Nederland en/of elders in de wereld tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in verdovende middelen. 3Formele voorvragen 3.
  27. Geldigheid van de dagvaarding De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding, voor zover die betrekking heeft op het onder 14 tenlastegelegde feit, te weten het plegen van voorbereidingshandelingen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021, nietig is. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Het Gerecht is het volgende van oordeel. De dagvaarding moet een zodanige opgave van het tenlastegelegde feit bevatten, zodat de verdachte daaruit redelijkerwijs kan begrijpen waarvan hij wordt verdacht (artikel 285 Sv). De inhoud van de tenlastelegging wordt niet alleen beoordeeld aan de hand van de letterlijke tekst, maar moet mede worden bezien in samenhang met de inhoud van het dossier. Het Gerecht stelt vast dat verdachte gelet op de tenlastelegging voorbereidings- respectievelijk bevorderingshandelingen met betrekking tot het – in het bijzonder – in-, uit- of doorvoeren van verdovende middelen wordt verweten waarbij de concrete handelingen die verdachte zou hebben verricht – zoals het hebben van contacten over verdovende middelen – nader worden beschreven. Verder stelt het Gerecht vast dat de tenlastelegging specifiek verwijst naar het zaaksdossier Sparrow. Dat dossier bevat een veelheid aan versleutelde gesprekken, die in de tenlastegelegde periode zouden hebben plaatsgevonden en die door de officier van justitie zijn toegeschreven aan (onder meer) verdachte en op basis van welke inhoud de officier van justitie vermoedt dat sprake is geweest van (voorgenomen) handel in verdovende middelen. Vermoed wordt dat verdachte daaraan genoemde voorbereidende en/of bevorderende bijdrage heeft geleverd. Ook staat boven de tekst van de tenlastelegging van feit 14 vermeld dat verdachte het ‘medeplegen van voorbereidingshandelingen’ ten laste is gelegd. Op grond van de tekst van de tenlastelegging is tegen de achtergrond van het dossier helder waartegen de verdachte zich had te verdedigen. Verder is volgens het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken dat voor verdachte niet duidelijk was wat hem werd verweten. De dagvaarding voldoet dan ook aan de wettelijke eisen en de dagvaarding is daarom geldig. Het verweer wordt verworpen. Het Gerecht merkt in dit kader wel op dat het onder 14 tenlastegelegde feit enigszins ongelukkig is geformuleerd. De tekst van feit 14 zal, indien het Gerecht aan een bewezenverklaring van dit feit toekomt, verbeterd gelezen dienen te worden. 3.
  28. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie Rechtsmacht Het Gerecht overweegt ambtshalve als volgt over de rechtsmacht van de strafrechter in Curaçao. Artikel 1:6 van het Wetboek van Strafrecht luidt: De strafwet van Curaçao is van toepassing op de Nederlander die zich buiten Curaçao schuldig maakt aan een feit hetwelk door de strafwet van Curaçao als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is ook straf is gesteld. Een deel van de tenlastegelegde feiten zijn gepleegd op Saint Martin, het Franse deel van Sint-Maarten. Ook (een deel van) de aan de verdachte verweten uitlokkingshandelingen hebben plaatsgevonden buiten het land Curaçao, evenals de uitvoer van verdovende middelen uit Sint-Maarten en de invoer in Frankrijk en Jamaica. De verdachte woonde ten tijde van het plegen van deze feiten buiten Curaçao en bezat de Nederlandse nationaliteit. Het Gerecht heeft zich ervan vergewist dat op de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, die naar het recht van Curaçao steeds een misdrijf opleveren, ook in voornoemde landen telkens straf is gesteld. Gelet hierop is de strafwet van Curaçao ook van toepassing op deze feiten en heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao dan ook rechtsmacht. Bespreking niet-ontvankelijkheidsverweren verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in zijn vervolging van verdachte en heeft dit standpunt op verschillende manieren onderbouwd, namelijk: dat het recht op contra-expertise is geschonden; het gelijkheidsbeginsel is geschonden; de onschuldpresumptie is geschonden; en internationale rechtsbeginselen zijn geschonden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. De verdediging heeft namelijk voldoende mogelijkheden gehad om contra-expertise uit te voeren. Ook heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het gelijkheidsbeginsel noch de internationale rechtsnormen zijn geschonden. Over de vermeende schending van de onschuldpresumptie heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen. Het Gerecht overweegt inleidend als volgt. Alhoewel de verdediging stelt dat er sprake is van overtreding van artikel 359a Sv (Nederland) (het Gerecht begrijpt dat de verdediging hiermee bedoelt artikel 413 Sv naar Curaçaos recht), kan het Gerecht niet anders begrijpen dan dat bedoeld wordt dat er vanwege schending van de gestelde beginselen geen fair trial (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM) heeft plaatsgevonden, zonder dat er betoogd wordt dat er sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 413 Sv. Het Gerecht zal de verweren dan ook in het kader van artikel 6 EVRM beoordelen. Het Gerecht zal aan de hand van het voorgaande beoordelen of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van verdachte. A. Is het recht op contra-expertise geschonden? De verdediging heeft in de eerste plaats bepleit dat door de onvolledigheid van het dossier, het ontbreken van inzicht in de grondslag en het verloop van de resultaten het recht op contra-expertise, meer specifiek het ondervragingsrecht ex artikel 6 EVRM, onherstelbaar is geschaad. De officier van justitie heeft – samengevat – naar voren gebracht dat zij de verdediging tijdens het gehele proces tegemoet is gekomen bij verzoeken die in dit kader naar voren zijn gebracht. De officier van justitie heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat er in dit kader niet in strijd met artikel 6 EVRM is gehandeld. Het Gerecht stelt voorop dat de verdediging tijdens de regiezitting van 8 november 2024 heeft verzocht (en tijdens de inhoudelijke behandeling heeft herhaald) toegang te krijgen tot de brondata en (BOB-)stukken uit andere strafdossiers die in relatie zouden staan tot onderzoeksgegevens uit PGP-safe en SKY ECC. Het Gerecht heeft in een tussenbeslissing van 6 december 2024 geoordeeld dat verstrekking van alle brondata uit PGP-safe en SKY ECC en (BOB-)stukken uit andere strafdossiers niet noodzakelijk was. Het verzoek tot volledige verstrekking van de brondata en (BOB-)stukken uit andere strafdossiers in relatie tot PGP-safe en SKY ECC werd daarom afgewezen. Wel werd het Openbaar Ministerie de opdracht gegeven om PGP-safe- en SKY ECC-data, die door het Openbaar Ministerie aan verdachte werden gekoppeld, te verstrekken aan de verdediging. Met betrekking tot de overige datasets van PGP-safe en SKY ECC heeft het Gerecht bepaald dat de verdediging de mogelijkheid kreeg tot inzage. Het Gerecht heeft het verweer dat in dit kader tijdens de inhoudelijke behandeling naar voren is gebracht zo begrepen dat verdachte geen eerlijk proces heeft gehad nu hem niet alleen toegang tot de brondata en onderliggende (BOB-)stukken uit andere strafdossiers in relatie tot PGP-safe en SKY ECC is ontzegd (door het Gerecht), maar ook de toegang is ontzegd tot gehele strafdossiers van andere onderzoeken waaruit processen-verbaal zijn gebruikt in onderhavige strafzaak. Kortom: het Gerecht zou volgens de verdediging ook stukken hebben onthouden die geen relatie hadden tot PGP-safe en/of SKY ECC. Het standpunt van de verdediging, inhoudende dat het Gerecht alle verzoeken heeft afgewezen in het kader van het verstrekken van onderliggende strafdossiers is, gelet op het voorgaande, een stelling die niet in overeenstemming is met de inhoud van de tussenbeslissing van het Gerecht na de regiezitting. Immers, dit laatste (ruimer) verzoek is niet eerder door de verdediging gedaan en dus ook niet op beslist door het Gerecht. Het Gerecht heeft het eerder gedane verzoek, gelet op de inhoudsopgave op pagina 1 en pagina 36 van de onderzoekswensen van de verdediging tijdens de regiezitting van 8 november 2024, niet anders begrepen (en had dit verweer ook niet anders kunnen begrijpen), dan dat dit verzoek enkel en alleen zag op PGP-safe en SKY ECC. Het Gerecht zal het (nieuwe) verzoek om alle onderliggende procesdossiers te voegen, indien nodig, op een later moment bespreken, in het geval het Gerecht toekomt aan de beantwoording van de voorwaardelijke verzoeken. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de verdediging de beschikking gehad over het volledige dossier, toegang gekregen tot PGP-safe- en SKY ECC-data die door het Openbaar Ministerie aan verdachte werden gekoppeld en de verdediging heeft de mogelijkheid gekregen om de overige datasets van PGP-safe en SKY ECC in te zien. In dit kader merkt het Gerecht nog op dat de verdediging ter terechtzitting van 8 november 2024 desgevraagd zei dat zij hierbij ‘niet perse’ gebruik wenste te maken van Hansken. Gelet op die mededeling van de verdediging heeft het Gerecht dan ook geen beslissing genomen op dit punt. Verder is niet gebleken dat de verdediging gebruik heeft gemaakt van de inzagemogelijkheid. In ieder geval zijn bij het Gerecht geen gemotiveerde verzoeken binnengekomen, inhoudende dat PGP-safe- en/of SKY ECC-data aan de processtukken moesten worden toegevoegd. De verdediging heeft naar het oordeel van het Gerecht dan ook voldoende de mogelijkheid gehad om de complete datasets te bevragen en te onderzoeken, wat zij – voor zover het Gerecht bekend – niet heeft gedaan. Verder acht het Gerecht nog van belang om op te merken dat de verdediging – met medewerking van het Openbaar Ministerie – de beschikking heeft gekregen over alle audioberichten afkomstig uit het Nederlandse onderzoek ‘Haag’. Het Gerecht heeft verder in de tussenbeslissing van 6 december 2024 – zakelijk weergegeven – al geoordeeld dat het EHRM in het kader van ‘equality of arms’ heeft overwogen dat de verdediging niet het ongeclausuleerde recht heeft op toegang tot de volledige datasets van PGP-safe en SKY ECC. Dit geldt ook voor de opsporingsonderzoeken waarnaar in het onderhavige dossier wordt verwezen. In dit kader merkt het Gerecht op dat in de map ‘algemeen dossier relaas’ op pagina R1 -04- het volgende staat vermeld: ‘In enkele gevallen zal worden verwezen naar dossiers van andere opsporingsonderzoeken. Daar waar de verwijzing een geheel of een groot gedeelte van een dossier omvat, is volstaan met een verwijzing. Indien specifieke onderzoeksgegevens worden aangehaald in het dossier waarvan het brondocument ontbreekt kan deze alsnog worden opgevraagd bij het onderzoeksteam.’ De verdediging heeft gedurende een lange periode de beschikking gehad over het gehele dossier. Het is het Gerecht niet gebleken dat de verdediging in de tussenliggende periode heeft verzocht om verstrekking van brondocumenten uit andere opsporingsonderzoeken. Daar komt bij dat zowel de opsporingsinstantie, het Openbaar Ministerie en het Gerecht ook niet beschikken over deze gegevens, zodat de omstandigheid dat de verdediging daarover ook niet beschikt, geen reden is om aan te nemen dat er geen sprake is van gelijke proceskansen. Dat de verdediging geen kennis heeft kunnen nemen van alle informatie en deze achteraf niet heeft kunnen controleren mist, gelet op al het voorgaande, dus feitelijke grondslag. Tot slot merkt het Gerecht in dit verband op dat de verdediging zonder enige onderbouwing heeft gesuggereerd dat het Openbaar Ministerie cruciale informatie heeft achtergehouden. Naar het oordeel van het Gerecht is dat op geen enkele wijze gebleken. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de verdediging voldoende tijd heeft gehad om haar verdediging op een zodanige wijze vorm te geven dat zij in staat was om relevante verzoeken in het kader van het recht op contra-expertise, zoals bijvoorbeeld het opvragen van brondocumenten uit andere (onderliggende) strafdossiers en (vervolgens) verzoeken tot het horen van getuigen, aan de rechter voor te leggen. De verdediging heeft kennelijk om haar moverende redenen ervoor gekozen om geen brondocumenten op te vragen. Overigens heeft de verdediging wel getuigenverzoeken ingediend en deze zijn ook – zonder weerstand vanuit het Openbaar Ministerie – integraal toegewezen door het Gerecht. De getuigenverhoren hebben ook daadwerkelijk bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Dat getuigen zich hebben beroepen op hun verschoningsrecht, dan wel zich niet veel meer konden herinneren, doet niets af aan de uitoefening van het ondervragingsrecht. Het Gerecht is dan ook op basis van het voorgaande van oordeel dat de verdediging voldoende mogelijkheid heeft gehad te verzoeken om contra-expertise en heeft daadwerkelijk en effectief het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Dat op basis van het onderhavige dossier (mogelijk) vragen onbeantwoord zijn gebleven kan eventueel leiden tot vrijspraak, maar niet tot het oordeel dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten. Dit verweer wordt daarom verworpen. Is het gelijkheidsbeginsel geschonden? De verdediging heeft in de tweede plaats bepleit dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel doordat het Openbaar Ministerie zich vooral zou hebben gefocust op een deel van de plaatselijke bevolking van Curaçao (het Gerecht begrijpt: focus op bewoners van de wijk Koraalspecht waar volgens het Openbaar Ministerie de criminele organisatie ‘No Limit Soldiers (NLS)’ is ontstaan). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging niet heeft onderbouwd welke specifieke gelijke gevallen door het Openbaar Ministerie anders zijn behandeld dan de zaak van verdachte. Het Gerecht stelt in reactie op dit verweer voorop dat aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld voorbereidend onderzoek (verdere) vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke toetsing. Zelfs al zou sprake zijn van het ten onrechte niet vervolgen van derden waarvan de gedragingen evenzeer als die van verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, leidt dit niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tegen de verdachte. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is pas sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen (ECLI:NL:HR:2014:286). Het is het Gerecht niet gebleken, en ook onvoldoende onderbouwd door de verdediging, dat van personen in het dossier gezegd kan worden dat deze dezelfde gedragingen hebben verricht als verdachte en die niet vervolgd zijn of niet vervolgd zullen worden. Daar komt bij dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat derden, wier gedragingen (mogelijk) evenzeer als die van verdachte het voorwerp van strafvervolging zouden dienen te zijn, ten onrechte niet worden vervolgd, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tegen verdachte (ECLI:NL:HR:2014:286). Dat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen om de zaken tegen (mogelijke) medeverdachten en/of leden van de vermeende rivaliserende bende Buena Vista City (BVC) (nog) niet te vervolgen, levert tegen deze achtergrond geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op. Het verweer wordt verworpen. Is de onschuldpresumptie geschonden? In het kader van het recht op een gelijkwaardig procespositie heeft de verdediging in de derde plaats aangevoerd dat de onschuldpresumptie is geschonden. Het verweer van de verdediging dat de onschuldpresumptie ex artikel 6 EVRM is geschonden door het Openbaar Ministerie volgt het Gerecht niet. De verdediging heeft niet onderbouwd dat het Openbaar Ministerie op enigerlei wijze niet heeft voldaan aan de terughoudendheid en zakelijkheid die van het Openbaar Ministerie mag worden gevergd in het kader van de onschuldpresumptie. Er is ter onderbouwing van haar stelling door de verdediging verwezen naar een artikel op internet met de titel ‘Topcrimineel [verdachte] uitgeleverd aan Nederland mogelijk plan voor ontvoering van prinses Amalia en ex-premier Rutte’, maar dit betrof niet een (pers)bericht vanuit het Openbaar Ministerie. Ook de stelling van de verdediging dat persberichten met ‘de oproep’ om naar de rechtszaak van verdachte te komen een schending van de onschuldpresumptie heeft opgeleverd, volgt het Gerecht niet. Ook in dit kader verwees de verdediging naar artikelen op diverse internetpagina’s van het Openbaar Ministerie noch het Gerecht. Los van het feit dat de inhoud van het persbericht met daarin vermeld de aanmeldprocedure om aanwezig te kunnen zijn bij de inhoudelijke behandeling van verdachtes strafzaak, door het Gerecht was verspreid (en niet door het Openbaar Ministerie), heeft dit persbericht enkel tot doel gehad om de openbaarheid van de strafzitting te kunnen waarborgen, tegen de achtergrond van diverse veiligheidsmaatregelen. De openbaarheid van terechtzittingen is immers een belangrijk goed in de strafrechtspleging. Het Gerecht komt dan ook tot de conclusie dat van schending van de onschuldpresumptie ex artikel 6 EVRM geen sprake is geweest. Het verweer wordt verworpen. Zijn de internationale rechtsbeginselen geschonden? Tot slot heeft de verdediging in het kader van haar niet-ontvankelijkheidsverweer bepleit dat internationale rechtsnormen zijn geschonden. De verdediging heeft gesteld dat: het Openbaar Ministerie kon weten dat zowel de detentieomstandigheden als de waarborgen voor een eerlijk proces en/of een eerlijke uitleveringsprocedure in de Dominicaanse Republiek niet voldeden aan de internationale geldende mensenrechtelijke normen. Het Openbaar Ministerie had een zorgplicht omtrent de gevolgen voor verdachte bij de eerbiediging van zijn rechten bij het doen uitgaan van rechtshulpverzoeken; de Dominicaanse Republiek nimmer tot toestemming tot uitlevering ter berechting van – kort gezegd – de levensdelicten had mogen beslissen. Deze feiten vallen volgens de verdediging niet onder het bereik van het Verdrag van Palermo (lees: het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad); de huidige tenlastelegging qua chemische stoffen en omschrijving te veel afwijkt van de algemene, maar niet ook op specifieke beschuldiging toegesneden beschuldiging, die in het kader van de toestemming tot uitlevering niet als het ware kunnen worden ingelezen en waartegen dus niet kon worden verweerd. Toestemming tot uitlevering in de drugszaken bood niet voldoende basis vanwege het specialiteitsbeginsel voor een vervolging, althans voor een vrijheidsbeneming. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen internationale rechtsnormen zijn geschonden. Het Gerecht constateert dat de verdediging net als tijdens eerdere inleidende zittingen naar voren heeft gebracht dat het Openbaar Ministerie in haar zorg- en/of onderzoeksplicht tekort is geschoten wat betreft de aanhouding en detentie van verdachte in de Dominicaanse Republiek en de uitlevering van verdachte aan Curaçao. Het Gerecht stelt allereerst vast dat verdachte zich vrijwillig onder de rechtsmacht heeft geplaatst van de Dominicaanse Republiek. Verdachte heeft immers tijdens de pro formazitting van 31 juli 2024 en tijdens de inhoudelijke behandeling – in de kern – naar voren gebracht dat hij woonachtig en ingeburgerd was in de Dominicaanse Republiek en daar zijn gezin (kinderen) en werkzaamheden als boer en artiest had. Het EVRM verbiedt niet om de uitlevering te verzoeken van een persoon die zich op het grondgebied en binnen de rechtsmacht bevindt van een staat die geen partij is bij het EVRM en waar de detentieomstandigheden niet noodzakelijkerwijs voldoen aan de eisen die daaraan in Curaçao mede op grond van artikel 3 EVRM worden gesteld. Een dergelijke uitleg van het Verdrag zou immers tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat een persoon zich middels verblijf in een dergelijk land voor onbepaalde tijd van straffeloosheid kan verzekeren. Daarmee zou het voor iedereen heel gemakkelijk worden om uit handen van politie en justitie te blijven. Het Gerecht neemt daarbij verder in aanmerking het belang dat met de uitlevering van verdachte was gediend, nu hij werd verdacht van meerdere levensdelicten, het leiddinggeven aan een criminele organisatie en grootschalige (internationale) drugshandel. Dat het Openbaar Ministerie eventuele mensenrechtenschendingen op de koop heeft toegenomen volgt het Gerecht, gelet op het voorgaande, dan ook niet. In de internationale strafrechtelijke samenwerking dient verder als uitgangspunt te gelden dat de verzoekende Staat niet treedt in de beoordeling van de procedure die de aangezochte Staat volgt bij de uitvoering van een rechtshulpverzoek, dan wel een uitleveringsverzoek. Dit is alleen anders indien die procedure zou blijken te leiden tot schending van mensenrechten van verdachte. Een uitleveringsprocedure ziet op de beoordeling of overeenkomstig verdragsrechtelijke en/of nationaal wettelijke bepalingen gevolg kan worden gegeven aan een verzoek tot uitlevering van een andere, verzoekende, Staat. De beginselen van soevereiniteit en vertrouwen zijn van toepassing. Het beginsel van vertrouwen houdt in dat staten die een (op een verdrag) gebaseerde rechtshulprelatie onderhouden vertrouwen hebben in elkaars rechtspleging. De autoriteiten van de Dominicaanse Republiek hebben op basis van de door Curaçao aangeleverde stukken geoordeeld dat verdachte aangehouden kon worden en vervolgens uitgeleverd kon worden aan de autoriteiten van Curaçao. Het Gerecht heeft ten opzichte van de tussenbeslissing van 6 december 2024 geen nieuwe feiten en omstandigheden gehoord die nu wel de conclusie zouden rechtvaardigen dat het Openbaar Ministerie niet in haar zorg- en/of onderzoeksplicht tekort is geschoten. Zoals eerder overwogen wil het Gerecht aannemen dat sprake was van detentie onder (ver)zwa(a)r(d)e omstandigheden in de Dominicaanse Republiek. Echter, ook nu komt het Gerecht tot de conclusie dat wat door de verdediging naar voren is gebracht onvoldoende is om te concluderen dat de mensenrechten van verdachte op zodanige wijze zijn geschonden, waardoor verdachte (veel) meer dan onder gebruikelijk detentie-omstandigheden nadeel heeft ondervonden. De verwijzing van de verdediging naar (algemene) jurisprudentie en (algemene) rapportages is naar oordeel van Gerecht onvoldoende om in het specifieke geval van verdachte te kunnen stellen dat zijn, verdachtes, rechten (mogelijk) zijn geschonden. Op basis van de stukken in het dossier, is het Gerecht nog steeds van oordeel dat het Openbaar Ministerie in Curaçao zich voldoende heeft ingespannen om de uitlevering van verdachte zo soepel mogelijk te laten verlopen. Het Gerecht blijft dus bij haar eerdere oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd en geconcretiseerd dat het Openbaar Ministerie zijn zorgplicht en/of onderzoeksplicht heeft geschonden. De hiervoor vermelde beginselen van soevereiniteit en vertrouwen gelden ook voor de genomen beslissing van de autoriteiten van de Dominicaanse Republiek om verdachte aan te houden en uit te leveren aan Curaçao. Het is niet aan het Gerecht om te onderzoeken hoe de autoriteiten van de Dominicaanse Republiek tot de beslissing tot uitlevering van verdachte zijn gekomen. Verder komt het Gerecht ook tot het oordeel dat de feiten die op de tenlastelegging zijn gekomen niet dusdanig anders zijn dat de conclusie moet worden getrokken dat verdachte voor andere feiten is uitgeleverd dan waarvoor verdachte uiteindelijk is vervolgd. Het Gerecht komt daarom tot de conclusie dat niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van de aanhouding en detentie van verdachte in de Dominicaanse Republiek en de uitlevering van verdachte aan Curaçao. Ook deze verweren worden verworpen. Eindconclusie: is het recht op een eerlijk proces geschonden ex artikel 6 EVRM? Het Gerecht komt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een dusdanige schending van beginselen, waaronder die van een behoorlijke procesorde, die zou moeten leiden tot de conclusie dat er geen sprake is van een eerlijk proces. Het Gerecht verwerpt dan ook alle verweren van de verdediging die strekken tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van het Gerecht voldoet de procedure in haar geheel aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte. 3.
  29. Overige voorvragen Het Gerecht komt tot slot tot de conclusie dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Beoordeling van het bewijs 4.
  30. Inleidende overweging ten aanzien van de criminele organisatie en de levensdelicten Het Openbaar Ministerie gaat uit van de situatie dat verdachte – kortgezegd – als leider van de criminele organisatie met de naam No Limit Soldiers (NLS) opdracht heeft gegeven tot (pogingen tot) moord(en), internationale drugshandel en witwassen. Tegen deze achtergrond acht het Gerecht het van belang om allereerst de volgende vragen te beantwoorden: wat is het juridisch kader van deelname aan een criminele organisatie? bestaat er een criminele organisatie met de naam NLS? zo ja, is verdachte lid en/of leider geweest van de NLS? Na beoordeling van feit 1 volgt bespreking van de onder 2 tot en met 14 tenlastegelegde feiten. Het Gerecht concludeert uiteindelijk dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 2, 3, 4 en
  31. Zowel de vrijspraken als de bewezenverklaarde feiten zullen hierna worden besproken. Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot een bewezenverklaring. 4.
  32. Criminele organisatie (feit 1) A. Wat is het juridisch kader van deelname aan een criminele organisatie? Voor de bewezenverklaring van ‘een organisatie’ als bedoeld in artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht is, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon (ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde is verder vereist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft gehad. Dat oogmerk – waartoe in ieder geval het naaste doel dat de organisatie nastreeft moet worden gerekend – zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs van dit oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (ECLI:NL:HR:2007:BA0502). Om te kunnen spreken van deelneming aan de hierboven bedoelde criminele organisatie is vervolgens nodig dat aan twee vereisten is voldaan: 1) de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en 2) de verdachte heeft een aandeel in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het misdadig oogmerk van de organisatie (zie o.a. HR 18 november 1997, NJ 1998/225; ECLI:NL:HR:2015:264; ECLI:NL:HR:2022:969). In ‘deelneming aan’ ligt bovendien opzet besloten. Van opzet is sprake wanneer de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij is niet vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven (HR 8 oktober 2002, NJ 2003/64; HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969). Voor de bewezenverklaring van ‘een organisatie’ is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR 22 januari 2008, NJ 2008/72) of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Bij de beoordeling of in deze zaak sprake was van een organisatie met het bedoelde oogmerk komt naar het oordeel van het Gerecht vooral betekenis toe aan de misdrijven die door de verdachte daadwerkelijk zijn gepleegd. Bestaat er een criminele organisatie met de naam No Limit Soldiers (NLS)? De verdachte heeft zich – in de kern – op het standpunt gesteld dat er (in zijn beleving) geen criminele organisatie bestaat met de naam NLS, althans dat hij de naam ‘No Limit Soldiers’ en de letters ‘NLS’ enkel relateerde aan (een) muziekgroep/platenlabel uit de Verenigde Staten van Amerika. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Hierbij zal door het Gerecht ter illustratie een aantal telefoon-, OVC-gesprekken en andere berichten worden opgenomen. Hierbij wordt echter opgemerkt dat de hierna te bespreken bewijsmiddelen en -overwegingen in het kader van de tenlastegelegde gewelds- en drugsfeiten (feiten 2 tot en met 14) ook redengevend zijn voor feit
  33. Gezamenlijk elementen, meerdere deelnemers en structuur/hiërarchie De NLS is van oorsprong een straatbende, ontstaan in de wijk Koraalspecht in Curaçao, en heeft zich ontwikkeld tot een criminele organisatie die zich bezighoudt met overvallen, rips en drugshandel. Binnen de organisatie werd het woord TRU veelvuldig gebruikt. Dat woord TRU werd in 1997 gebruikt door de rapgroep “[naam rapgroep]”. Op een uitgebracht album staat het lied genaamd “No Limit Soldiers”. Naast veelvuldig gebruik van woorden als “soldier”, “no limit” en “Thru to Thru” hebben de leden van de organisatie veelal overeenkomende tatoeages (van vuurwapens), kleding en sieraden. Op 17 september 2013 is tijdens een voertuigcontrole onder andere verdachte aangehouden en werd een Blackberry Curve 9320 in beslag genomen en die is later onderzocht. Uit onderzoek bleek het Blackberry Messenger-account een profielfoto van verdachte te hebben. Op die foto droeg verdachte een T-shirt met als print “No Limit Forever”. De hiervoor genoemde elementen kenmerken het lidmaatschap van de NLS, maar ook worden teksten als NLS, Tru 2 Tru, soldier, limit en Real Blood over en weer gebruikt. Foto’s en berichten die verwijzen naar die kenmerken werden aangetroffen in de telefoon van verdachte. Uit meerdere getuigenverklaringen en onderschepte (versleutelde) communicatie blijkt dat de NLS bestond uit meerdere personen. [Betrokkene 1] zegt bijvoorbeeld het volgende in een OVC-gesprek van 11 april 2016: ‘Wij zijn van No Limit’ (het Gerecht begrijpt: No Limit Soldiers). Verdachte ziet zichzelf ook als lid van de NLS. Op 21 januari 2014 riep verdachte: ‘I am NLS soldier till I die’. Ruim twee jaren later, op 16 maart 2016, zegt verdachte in een tapgesprek: ‘Ik ben een No Limit Soldier’. De NLS-leden zijn bovendien loyaal aan elkaar. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een PGP-gesprek van 7 november 2015, waarin [medeverdachte 1] tegen PGP-account [PGP 6] het volgende zegt: ‘als je disrespect ik doe wreed dingen nls zijn wij allemaal inm pijn deze dagen hun hebben [bijnaam verdachte] zijn vrouw vermoord eergister dus we zijn ready voor hele generatie te vermoorden’. [Bijnaam verdachte] betreft een bijnaam van verdachte. Het Gerecht begrijpt dit bericht zo dat wanneer een NLS-lid pijn wordt aangedaan, iedereen van de NLS pijn heeft. Degene(n) die deze pijn heeft/hebben veroorzaakt moet(en) worden vermoord. Verder is kenmerkend voor een organisatie een bepaalde structuur/hiërarchie. Binnen de NLS was deze structuur/hiërarchie naar het oordeel van het Gerecht duidelijk zichtbaar. Verdachte werd onder andere ‘No Limit General’ (generaal) genoemd en [medeverdachte 1] ‘Connel’ (kolonel). Ook de term Lieutenant (luitenant) kwam voorbij in het dossier. Mensen die binnen de NLS een opdracht uitvoerden voor de NLS werden ‘soldaten’ genoemd. Dit bleek bijvoorbeeld uit een gesprek van 28 maart 2016 waarin verdachte tegen [betrokkene 1] zegt: ‘we hebben soldaten nodig. Vrienden zijn er veel.. maar we hebben soldaten nodig vriend.’ Het is een feit van algemene bekendheid dat deze termen worden gebruikt binnen het leger om een militair rang aan te geven en dus de hiërarchische verhoudingen te duiden. Of verdachte ook daadwerkelijk hoger ‘in rang’ stond dan andere leden binnen de NLS zal later in dit vonnis worden besproken. Leden van de NLS mochten bovendien niet met mensen buiten de NLS praten over de NLS, in het bijzonder niet met politie en justitie. In een op 17 september 2013 onder verdachte in beslag genomen telefoon werd een foto van een krantenartikel d.d. 7 september 2013 aangetroffen met de kop: ‘No Limit Soldiers no ta papia’, wat betekent: ‘No Limit Soldiers praten niet’. Deze regel werd bevestigd door [veroordeelde 4 Hato-shooting] op 20 oktober 2014: ‘De NLS heeft een gedragscode dat je niet over hun daden mag verklaren, als je het doet dan komen ze je intimideren’. Oogmerk Het Gerecht is op basis van de onderstaande bewijsmiddelen van oordeel dat de NLS zich bezighield met het plegen van liquidaties en internationale drugshandel. Uit het onderhavige dossier kan in de verschillende (versleutelde) communicatie nergens worden afgeleid dat verdachte en/of zijn medeverdachten het hebben over het produceren van muziek. Ook over bijvoorbeeld ‘[naam rapper]’ en/of ‘[naam muziekgroep/platenlabel]’ werd in de gesprekken nooit gesproken. Het Gerecht schuift het verweer van de verdediging dat de in de gesprekken bedoelde ‘[naam muziekgroep/platenlabel]’, te maken had met een muziekgroep/platenlabel, dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde. Oogmerk plegen van levensdelicten Het oogmerk van het plegen van levensdelicten was allereerst terug te zien bij de zogenaamde Hato-shooting op 15 juli 2014 op de luchthaven van Curaçao. Hierbij werden [slachtoffer 1 Hato-shooting] (alias ‘[slachtoffer 1 Hato-shooting]’) en [slachtoffer 2 Hato-shooting] (alias ‘[slachtoffer 2 Hato-shooting]’) geliquideerd. Het Gerecht stelt vast dat naar aanleiding van een drugsconflict tussen de NLS en Buena Vista City (BVC) [slachtoffer 1 Hato-shooting] gedood moest worden: - Bedreigde getuige [anonieme getuige 1]: ‘[slachtoffer 1 Hato-shooting] heeft in 2011 ongeveer 10 kilo marihuana gestolen op Hato. Achteraf bleek dat het een partij van [medeverdachte 1] en [bijnaam verdachte] – de leiders van de NLS – te zijn. De NLS wilde wraak nemen op [slachtoffer 1 Hato-shooting].’ - Verbalisant: ‘Wie is [slachtoffer 1 Hato-shooting]?’ [Veroordeelde 4 Hato-shooting]: ‘Hij was van de BVC’. - ‘ ‘Waarom had [slachtoffer 1 Hato-shooting] dood moeten gaan?’ [Betrokkene Hato-shooting]: ‘dat is volgens mij omdat [slachtoffer 1 Hato-shooting] een keer 40 kilo cocaïne van [medeverdachte 1] had gestolen. [Medeverdachte 1] en [bijnaam verdachte] wilden [slachtoffer 1 Hato-shooting] en nog meer gasten van BVC dood.’ Anders dan de verdediging heeft bepleit, heeft het Gerecht geen redenen om de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen in twijfel te trekken. De getuigen belastten zichzelf, mogelijk met gevaar voor eigen leven gelet op het criminele milieu waarin zij zich bevonden. Dat de verklaringen mogelijk op sommige punten inconsistent zijn, is dan ook goed te begrijpen. Die inconsistentie maakt echter niet dat de verklaringen in zijn geheel onbetrouwbaar zijn, temeer nu deze verklaringen met betrekking tot feit 1 – zoals hierna zal blijken – op essentiële punten worden ondersteund door ander bewijs in het dossier. Verder is niet gesteld of gebleken dat deze personen redenen hadden om verdachte onterecht te belasten. Het Gerecht zal deze verklaringen, voor zover relevant, dan ook betrekken bij de beoordeling van het bewijs. Verder acht het Gerecht het relevant dat de schutters van deze liquidaties, maar ook de personen die de vluchtauto hebben bestuurd en/of rugdekking hebben gegeven en degene die informatie heeft verstrekt allen onherroepelijk zijn veroordeeld voor deze liquidaties en gerelateerd zijn aan de NLS. Dat de NLS moorden pleegden om wraak te nemen, was ook goed terug te zien na de moord op de vriendin van verdachte, [vriendin verdachte] (het Gerecht merkt op dat zij ook wel [vriendin verdachte] wordt genoemd), op 5 november
  34. In dit kader is de hiervoor al aangehaalde uitspraak van [medeverdachte 1] op 7 november 2015 van belang. De moord op [vriendin verdachte] werd gezien als een aanval op de NLS, waarop door de NLS gereageerd diende te worden door het vermoorden van de betrokkenen. Ook verdachte heeft soortgelijke uitspraken gedaan: 6 november 2015: verdachte belde met [betrokkene 2] (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 2]). Hierin deelde hij mede dat zijn ‘meisje’ was vermoord (het Gerecht begrijpt: [vriendin verdachte]). Als iemand zijn, verdachtes, meisje wat aandoet, dan kan niemand hem meer tegenhouden, want dan doet hij iemand anders wat aan’. 7 november 2015: verdachte belde met [persoon 1] en zei ‘Ze hebben haar pijn gedaan. Geen pardon voor niemand. We gaan er hard tegenaan, ze komen hier niet mee weg. Hier is geen prijs voor’. 9 november 2015: Verdachte zegt tegen een onbekend gebleven vrouw ‘Als ik straks weer buiten zit denk je dat iemand me zomaar kaan neerschieten? Ik ga ze eerder vermoorden. Ik zal mijn leven lang gestraft worden (…). De rechter zal hierover oordelen, want ik heb zelf voor dit leven gekozen’. Leden van de NLS zijn vervolgens op zoek gegaan naar de verantwoordelijken voor de liquidatie van [vriendin verdachte] en hebben hier onderling contact over gehad. Ook werd er een budget beschikbaar gesteld door de NLS voor het laten uitvoeren van de (pogingen tot) liquidaties. Op 5 november 2015 had [medeverdachte 4] (als gebruiker van PGP-safe accountnaam [PGP 1]) contact met [medeverdachte 1] (als gebruiker van PGP-safe accountnaam [PGP 2]). [Medeverdachte 4] gaf aan dat zijn neef, een politieagent, bezig was om alles te checken. [Medeverdachte 1] gaf vervolgens aan dat ‘ze voor alles papieren zetten om de juiste informatie te krijgen’, ‘ze sint plat gaan branden’ en dat [medeverdachte 4] aan [bijnaam verdachte] (het Gerecht begrijpt: verdachte) door moest geven dat hij sterk moet blijven. Op 5 november 2015 had [medeverdachte 1] ook contact met [medeverdachte 2] (als gebruiker van PGP-safe accountnaam [PGP 3]). [Medeverdachte 2] gaf aan dat hij [slachtoffer feit 6] graag wilde uitschakelen. [Medeverdachte 1] gaf aan dat hij alles zou betalen en dat daarna ‘[slachtoffer feit 5]’ vermoord moest worden. [Medeverdachte 2] gaf vervolgens aan dat hij de juiste mensen had in St. Croix die het konden doen. [Medeverdachte 1] gaf aan dat [medeverdachte 2] dat voor hem moest gaan regelen. [Medeverdachte 2] ging het in gang zetten en zou later vertellen wat de kosten waren. Op 6 november 2015 was [medeverdachte 4] op bezoek bij verdachte en op die dag heeft verdachte ook gebeld met [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 4] gaf aan dat ‘hij’ zei dat verdachte rustig moest blijven en dat ‘hij’ er bovenop zat. Verdachte vroeg aan [medeverdachte 4] of hij ‘ruman’ had gesproken om te kijken wat er gaande was. Met ‘hij’ en ‘Ruman’ werd in dit gesprek naar het oordeel van het Gerecht [medeverdachte 1] bedoeld, gelet op het gesprek hiervoor. [Medeverdachte 4] fungeerde als boodschapper tussen [medeverdachte 1] en verdachte. Verdachte gaf [medeverdachte 4] de opdracht om er bovenop te blijven zitten. Verder zei verdachte tegen [medeverdachte 4] dat ze na moesten gaan welke vlucht vanuit SK was gegaan gisteren (het Gerecht begrijpt met ‘SK’: Saint Kitts en Nevis). [Medeverdachte 2] regelde de schutters uit St. Croix en had hierover contact met [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 2] zou bij [medeverdachte 1] aangeven wat er allemaal nodig was voor de moorden. [Medeverdachte 1] maakte voor de moorden een budget vrij van 500.000 dollar voor onder meer de moord op [slachtoffer feit 6], [slachtoffer feit 5] en [slachtoffer feit 9] (het Gerecht begrijpt op basis van de nog te vermelden bewijsmiddelen: [slachtoffer feit 6], [slachtoffer feit 5] en [slachtoffer feit 9]). Op 15 maart 2016 waren [betrokkene 1] en [betrokkene 3] op bezoek bij verdachte in de PI te [plaats]. Verdachte vroeg aan [betrokkene 3] hoe er geld gemaakt/verdiend kon worden, want sommige mensen ‘moeten geplet worden’ (het Gerecht begrijpt op basis van het geheel aan gesprekken: vermoord worden). Als verdachte naar Sint Maarten zou gaan, dan moesten [betrokkene 1] en [betrokkene 3] mee. Verdachte gaf aan dat deze mannen al lang dood hadden moeten zijn. Verder zei verdachte: ‘Die tweeling van “town”, je zal zien wat er met die mannen gaat gebeuren “swa”. Ik pak ze hard aan.’ En: ‘In een week of twee is dit anders nog, zij dachten van na de begrafenis van [vriendin verdachte]… niets. Nee het is niet zo, dit zal jaar, na jaar, na jaar, na jaar gaan. En data, ik heb de data bepaald om ook mensen te vegen. (…) 5 november’. Het Gerecht leidt hieruit af dat verdachte data had bepaald om mensen te vermoorden die te maken hadden met de liquidatie van [vriendin verdachte]. Op 7 april 2016 had verdachte weer bezoek van [betrokkene 3] en [betrokkene 1]. [Betrokkene 3] kreeg de opdracht om uit te zoeken wie de moord op ‘[vriendin verdachte]’ (het Gerecht begrijpt: [vriendin verdachte]) had gepleegd, want hij, verdachte, zou zijn hele familie uitmoorden. Verdachte gaf vervolgens aan: ‘we gaan vegen’. Op 10 april 2016 had [medeverdachte 1] contact met PGP-account [PGP 4]. Dit betrof [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 3] gaf aan dat [slachtoffer feit 5] de opdrachtgever was om [vriendin verdachte] neer te knallen. Het was [slachtoffer feit 7] de broer van [betrokkene 4] die hiervoor had betaald (het Gerecht begrijpt: [slachtoffer feit 7] en [betrokkene 4]). [Slachtoffer feit 5] zou hebben gebeld om haar te liquideren op het moment dat zij thuis kwam. [Slachtoffer feit 7] en [slachtoffer feit 5] zouden vrienden van elkaar zijn. [Medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 3] of [slachtoffer feit 7] in de Point Blanche gevangenis zat, wat werd bevestigd door [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 3] gaf verder aan dat werd gezegd dat C (het Gerecht begrijpt: verdachte) problemen had met [slachtoffer feit 7]. [Medeverdachte 1] gaf aan dat zij een kans moesten zoeken om hem daar binnen, in de gevangenis, te pakken te krijgen. [Medeverdachte 1]: ‘[slachtoffer feit 7] zal het horen, hij krijgt de tering maar. Zometeen ziet hij de power’. Na de poging tot moord op 8 april 2015 op [slachtoffer feit 6] hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 12 april 2015 contact. [Medeverdachte 2] vroeg of [medeverdachte 1] het geld had geregeld. [Medeverdachte 2] gaf aan dat [medeverdachte 1] moest proberen om goede weed aan de schutters te geven, omdat hij, [medeverdachte 2], van hun werk hield. Met ‘[slachtoffer 1 van feit 8]’ zouden zij nog even wachten. [Medeverdachte 1] vroeg of zij geen zicht hadden op [slachtoffer 1 van feit 8]. [Medeverdachte 2] zou dat navragen, maar er moest betaald worden. Hij (het Gerecht begrijpt op basis van de nog te vermelden bewijsmiddelen: [slachtoffer 1 van feit 8] alias ‘[slachtoffer 1 van feit 8]’) was makkelijker dan [slachtoffer feit 6]. [Medeverdachte 2] zou hen (het Gerecht begrijpt: de schutters) zeggen om te wachten, zodat de politie zou denken dat het niet aan elkaar gerelateerd zal zijn. Het Gerecht begrijpt dit gesprek zo dat er gewacht zou worden met het uitvoeren van een moordaanslag op [slachtoffer 1 van feit 8], zodat er geen link zou worden gelegd met de moord op [slachtoffer feit 6] (als vergeldingsactie voor de liquidatie van [vriendin verdachte]). Op 12 april 2016 had [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 3] en zei [medeverdachte 1] het volgende: ‘But that why i gonna have 100$ by the Jamaican an i give u 50 to give somebody an 50 is to pay door’. [Medeverdachte 3] fungeerde dus niet alleen als persoon die informatie doorgaf, maar ook als tussenpersoon voor de uitbetaling van de schutters van de poging tot moord op [slachtoffer feit 6]. Het Gerecht komt tot het oordeel dat op alle hiervoor door NLS-leden genoemde personen een (dodelijke) aanslag werd gepleegd. [Slachtoffer feit 5] werd op 7 februari 2016 in Saint Martin beschoten en overleed op 8 februari 2016 aan zijn verwondingen. Op 8 april 2016 te Saint Martin werd [slachtoffer feit 6], op zijn verjaardag, meerdere keren beschoten. [Slachtoffer feit 6] werd door tenminste drie kogels geraakt en raakte hierbij (zwaar) gewond. Op 31 augustus 2016 werd [slachtoffer feit 7] doodgeschoten in zijn cel in de Pointe Blanche gevangenis in Sint Maarten. Op 5 november 2016 vond er een schietincident plaats aan de [adres 2] in Sint Maarten. Hierbij werd het slachtoffer [slachtoffer 1 van feit 8] meerdere keren geraakt. Ook werd er op de broer van [slachtoffer 1 van feit 8] geschoten, te weten [slachtoffer 2 van feit 8]. Op 14 maart 2017 werd [slachtoffer feit 9] doodgeschoten in Sucker Garden in Sint Maarten. Hierbij werd ook [slachtoffer feit 10] neergeschoten. [Slachtoffer feit 10] overleefde de aanslag. Oogmerk plegen van drugshandel Dat de NLS zich eveneens bezighield met de handel in verdovende middelen blijkt onder andere uit afgeluisterde OVC-gesprekken, waarin [betrokkene 1], [betrokkene 3] en meerdere onbekend gebleven personen praatten over onder andere de handel in verdovende middelen, terwijl zij in diezelfde gesprekken – zoals hiervoor al aangehaald – zeggen dat zij van de NLS zijn: 11 april 2016: [Betrokkene 1] (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 1]) zegt dat hij de eigenaar is van de dingen. Hij heeft de dingen uit Curaçao gestuurd. Praten over oa een halve kilo. [Betrokkene 1] zegt dat hij [persoon 1] wil vinden vanwege deze diefstal. Ik vind veel blokken zegt [betrokkene 1]. Hij verkoopt veel coca (het Gerecht begrijpt: cocaïne) van huis zegt [betrokkene 3]. [betrokkene 1] en de man praten over de hoeveelheid en de prijs. [betrokkene 1] stelt voor
  35. [betrokkene 1]: Deze blok (het Gerecht: een blok cocaïne) is van bagar (fon). [betrokkene 1] gaat het hem zo een blok bezorgen. 13 april 2016: [betrokkene 3] zegt dat Uncle naar Brazilië wil gaan met 30000 XTC pillen. 15 april 2016: [Betrokkene 3]: ‘Dan geven we hem een kilo om te slikken’. In dit kader acht het Gerecht verder van belang wat verdachte op 7 april 2016 tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] zei: ‘De lijnen die we nu hebben, moeten we vast houden. We kunnen dat aan niemand zomaar weggeven. Je moet die twee dingen valideren, want het zijn die lijnen die het geld binnen zullen brengen. Om die dingen doen, die gedaan moeten worden’. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het Gerecht dat [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ook daadwerkelijk bezig zijn met de drugshandel voor de NLS. Ook uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen en -overwegingen in het kader van de bewezenverklaarde drugsfeiten (onderzoek Sparrow) blijkt naar het oordeel van het Gerecht dat de NLS betrokken was bij de internationale handel in verdovende middelen. Het Gerecht verwijst in dit verband naar de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 11, 12, 13 en 14 die ook redengevend zijn voor dit onderdeel van feit
  36. Het Gerecht komt tot het oordeel dat de handel in verdovende middelen door de NLS (onder andere) tot doel had om de liquidaties te kunnen betalen. Het Gerecht concludeert op basis van al het voorgaande dat de NLS gedurende meerdere jaren in een duurzaam, georganiseerd en gestructureerd verband ernstige strafbare feiten heeft gepleegd. Is verdachte lid en/of leider geweest van de NLS? Verdachte heeft ontkend lid te zijn geweest van de NLS. Ook hier denkt het Gerecht anders over. Naar het oordeel van het Gerecht kan alleen al op basis van de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, geen andere conclusie getrokken worden dan dat verdachte lid was van de NLS. De volgende vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of verdachte leider was van de NLS. Hoewel verdachte ten stelligste heeft ontkend dat hij de leider was van de NLS, kan naar het oordeel van het Gerecht op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen geconcludeerd worden dat verdachte (een van) de leider(s) is geweest van de NLS. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de verklaringen van de eerder genoemde [veroordeelde 4 Hato-shooting], bedreigde getuige [anonieme getuige 2] en bedreigde getuige [anonieme getuige 1]: [Veroordeelde 4 Hato-shooting]: ‘de leiders van de NLS zijn [verdachte] en [medeverdachte 1]’; Getuige [anonieme getuige 2]: ‘de NLS heeft twee kopstukken. [Medeverdachte 1] en [bijnaam verdachte]’; Getuige [anonieme getuige 1]: ‘achteraf bleek dat het een partij van [medeverdachte 1] en [bijnaam verdachte] – de leiders van de NLS – te zijn’. Het Gerecht ziet het bewijs voor verdachtes leiderschap van de NLS ook in (versleutelde) berichten en gesprekken. Het Gerecht beseft dat in deze gesprekken niet expliciet werd benoemd dat de verdachte de leider was van de NLS. Echter, op basis van de hierna te vermelden bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het Gerecht worden geconcludeerd dat verdachte de persoon was die (op een zeer dwingende wijze) opdrachten en informatie gaf aan andere personen. Hij bepaalde wat er ging gebeuren, door wie en wanneer als het ging om het liquideren van mensen en de drugshandel. Illustrerend voor verdachtes leidinggevende rol binnen de NLS zijn de hierna te vermelden opmerkingen waarin verdachte het heeft over ‘mijn mensen’, ‘mijn team’, ‘veel nieuwe soldaten’ en ‘als hij vrijkomt zet hij ze uit de bende’. Uit de bewijsmiddelen volgt dat door medeverdachten vervolgens ook werd gehandeld in opdracht van verdachte. Het Gerecht zal hieronder kort een aantal bewijsmiddelen ter illustratie opnemen die naar het oordeel van het Gerecht het oordeel kunnen dragen dat verdachte de leider was van de NLS. 6 november 2015: Verdachte gaf [medeverdachte 4] de opdracht om er bovenop te blijven zitten. Verder zei verdachte tegen [medeverdachte 4] dat ze na moeten gaan welke vlucht vanuit SK was gegaan gisteren (het Gerecht begrijpt met “SK”: Saint Kitts en Nevis). 13 november 2015: [Medeverdachte 4] bezocht verdachte in de PI in [plaats]. Op deze dag had [medeverdachte 4] ook weer contact met [medeverdachte 1] via PGP. [Medeverdachte 4] gaf aan dat hij net bij ‘broeder’ vandaan kwam (het Gerecht begrijpt: verdachte). Verdachte had tegen [medeverdachte 4] gezegd dat [betrokkene 5] niets met ‘dat ding’ te maken had. [Slachtoffer feit 9] ‘het ding’ heeft laten doen. Verder had verdachte tegen [medeverdachte 4] gezegd dat er moest worden gestopt met het luisteren naar anderen en had hij gevraagd waarom er zo lang over werd gedaan om er gas achter zetten. Verdachte wilde dat er iets zou gebeuren voordat hij vrijkwam. 14 november 2015: Verdachte: ‘Ja, daarom moet L snel dat geld sturen, maandag, zodat mijn mensen kunnen doen wat ze moeten doen en ik ook door met de Big Man’. 12 maart 2016: verdachte had een gesprek met [betrokkene 3] en [betrokkene 1]. Hierin gaf verdachte aan dat hij was begonnen met het regelen van dingen, omdat hij niet kon wachten totdat hij buiten kwam. Verdachte zei vervolgens: ‘Als je bij mij komen ga ik proberen jullie daarheen te sturen. Zodat jullie weten waar we gaan “locken”. Dan zeg je respect [bijnaam verdachte]. It’s a dirty job, but somebody had got to do it. Het is een hele vieze klus maar iemand moet het doen vriend. De dingen moeten gaan lopen’. 15 maart 2016: Verdachte: ‘Omdat ik vastzit hebben ze die klote ding met [vriendin verdachte] gedaan, broer. Elk moment wanneer ik buiten kom, betaal ik mijn team op hem. Verdachte zegt tegen [betrokkene 3] dat die mannen ‘terug geschopt moeten worden’. Verdachte geeft aan dat deze mannen al lang dood hadden moeten zijn. [betrokkene 3] moet van verdachte de man schieten met een sniper. Veeg de mannen in de auto, alle vier mensen, wegwezen’. 17 maart 2016: verdachte had een gesprek met NNm. Hierin gaf verdachte aan dat hij wat dingen geregeld wilde hebben en dat er papieren nodig waren (het Gerecht begrijpt: dat er geld nodig was). Verdachte zei dat dingen in orde gezet moesten worden. Hij had twee, drie om te rijden/voertuigen nodig. Verdachte zei dat ‘de rally’ binnenkort zou starten. 20 maart 2016: Verdachte had een gesprek met [betrokkene 1] en [betrokkene 1] zei: ‘We verrichten jouw werkzaamheden voor je bloed’. 22 maart 2016: Verdachte had een gesprek met [betrokkene 6]. Hierin gaf verdachte aan dat de dingen al van binnenuit geregeld moesten worden (het Gerecht begrijpt: vanuit de gevangenis). 23 maart 2016: [Bijnaam verdachte] had veel nieuwe soldaten die hij aan [betrokkene 1] zou gaan voorstellen. 28 maart 2016: [Bijnaam verdachte] tegen [betrokkene 1]: ‘Ik kan ook niet werken met mensen die bang bang zijn.. want mijn niveau nu.. ik kan mijn niveau niet verlagen bloed. we hebben soldaten nodig. Vrienden zijn er veel.. maar we hebben soldaten nodig vriend’. 30 maart 2016: ‘[Bijnaam verdachte] zegt dat de jongen niet loyaal zijn, ze doen alsof, en ze doen de dingen niet zoals het hoort. Als hij vrijkomt zet hij ze uit de bende’. 31 maart 2016: In dit gesprek zei verdachte tegen [medeverdachte 4] dat hij iets meer druk had uitgeoefend en dat de dingen serieus waren. ‘God is groot.. maar zet gas onder dat ding. Ik bel je morgen om jou te zeggen wanneer je bij mij moet komen.. blijf rustig. Het duurt niet lang meer voordat het zover is, het duurt niet lang meer’. 7 april 2016: Verdachte: ‘Maar je moet uitzoeken wie de kerel is die op [vriendin verdachte] geschoten heeft. Ik ga zijn hele familie vermoorden. Ik wil precies weten wie. Anders zal het eindigen dat ik heel, maar heel veel mensen pijn zal doen.’ [betrokkene 3] werd door verdachte de opdracht gegeven om een handtas te regelen. Wanneer hij zeker weet dat hij weggaat (het Gerecht begrijpt: vrijkomt) dan laat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] weten wat zij moeten doen. Zij gaan iets gruwelijks in elkaar zetten. Verdachte geeft aan dat zij nu moeten gaan werken en dat zij veel geld nodig hebben om in alle rust te gaan leven. Daarvoor moeten de lijnen (het Gerecht begrijpt: drugslijnen) behouden blijven, want dat zijn de lijnen die geld opleveren, om de dingen te doen die gedaan moeten worden. Conclusie met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit Op basis van het voorgaande en de nog te vermelden bewijsmiddelen en -overwegingen in het kader van de bewezenverklaarde gewelds- en drugsfeiten, komt het Gerecht tot het volgende oordeel met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit. Als leider van de NLS zette verdachte de opdracht uit om de opdrachtgevers en uitvoerders van de liquidatie van [vriendin verdachte] op te sporen en te vermoorden. Verdachte gaf meerdere keren aan dat dingen geregeld moesten worden en dat er ‘gas’ gegeven moest worden. Verdachte had de beschikking over ‘zijn mensen’ en zijn ‘team’. Verdachte had als tussenpersonen voor zijn opdrachten de beschikking over onder andere [medeverdachte 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 1]. [Medeverdachte 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] hielden verdachte op de hoogte over de zoektocht naar de vermoedelijke betrokkenen. [Medeverdachte 4] gaf de opdrachten en informatie van verdachte vervolgens via PGP-safe door aan [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] zorgde voor de financiering/het budget van/voor de moorden en hielp bij de zoektocht naar de opdrachtgevers en uitvoerders van de moord op [vriendin verdachte]. [Medeverdachte 1] had voor de zoektocht naar schutters in zijn beurt een direct PGP-contact met [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] zorgde voor het regelen van de schutters en was zodoende de moordmakelaar. Verder is uit de hiervoor aangehaalde (en de nog aan te halen) berichten in het kader van de moordaanslag op [slachtoffer feit 6] en [slachtoffer feit 7] naar voren gekomen dat [medeverdachte 3] informatie verschafte aan [medeverdachte 1] over de betrokkenheid van [slachtoffer feit 7] en [slachtoffer feit 5] en hielp zij bij de uitbetaling van de schutter(s) van de poging tot moord op [slachtoffer feit 6]. Zoals hiervoor is overwogen zijn de door voornoemde NLS-leden genoemde betrokkenen bij de liquidatie van [vriendin verdachte] vervolgens ook allemaal beschoten, waarbij uiteindelijk [slachtoffer feit 5], [slachtoffer feit 7] en [slachtoffer feit 9] ook daadwerkelijk zijn geliquideerd. Zoals bij de bespreking van feiten 2, 3 en 4 zal blijken gaat het Gerecht ervan uit dat de liquidaties van [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] te maken hebben met het conflict dat bestond tussen NLS en BVC. De voor die liquidaties veroordeelde personen zijn allen ook gelieerd aan de NLS. De conclusie kan ook niet anders zijn dan dat de opdracht tot de liquidaties uit de hoek van de NLS kwam. Of verdachte uiteindelijk ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze liquidaties wordt hierna nader besproken. Daarnaast is gebleken dat verdachte betrokken was bij de internationale handel in verdovende middelen voor de NLS. Verdachte bemoeide zich actief met de wijze van transport, de hoeveelheden, de prijs en de eindbestemmingen van de verdovende middelen. Verdachte werd op de hoogte gehouden over de transporten en hij, verdachte, informeerde vervolgens de ontvanger van de verdovende middelen. De tussenpersonen, waaronder [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6], regelden het transport van de verdovende middelen en uit de berichten volgt dat verdachte ook hier een aansturende/leidende rol in had. Ondanks de vrijheidsbeneming van een

(1)van de leiders, verdachte, en het verblijf van leden van de NLS in meerdere landen, bijvoorbeeld [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], wisten de NLS-leden elkaar goed te vinden om boodschappen (door) te geven en te ontvangen met betrekking tot (de pogingen tot) liquidaties en de internationale drugshandel. Er was veelvuldig overleg tussen de NLS-leden. Dit gebeurde via bezoeken in de gevangenis en telefoongesprekken (van/met onder andere [medeverdachte 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 1]) en gesprekken via versleutelde telefoons (voor de levensdelicten onder andere via [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en voor de drugsfeiten onder andere met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]). Hieruit leidt het Gerecht af dat de NLS de rolverdelingen van de verschillende leden goed kenden en elkaar via verschillende (beveiligde) communicatiekanalen wisten te vinden. In dit kader acht het Gerecht verder van belang dat in de onderlinge communicatie onder meer in versluierde taal werd gesproken. Het doel van het versluierend taalgebruik is, zo moet worden aangenomen, om over moordplannen en de handel in verdovende middelen en daarmee samenhangende zaken te kunnen spreken zonder dat dit uit de concrete inhoud van de gesprekken blijkt, althans zou moeten blijken. Zo gebruikte verdachte bijvoorbeeld het woord ‘missie’ en dat ‘de rally’ binnenkort zal starten. De verdachten begrepen, zo kan uit het verloop van de gesprekken worden opgemaakt, heel goed wat er met de onderling gehanteerde geheimtaal werd bedoeld. Hierdoor wordt de samenhang van de organisatie versterkt. Gelet op de rol van verdachte is het Gerecht van oordeel dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het oogmerk van de organisatie van het plegen van levensdelicten en de handel in verdovende middelen en dat hij, als leider van de NLS, daarvan ook onderdeel uitmaakte. Tot slot merkt het Gerecht op dat zij aanneemt dat met de handel in verdovende middelen veel geld werd verdiend, welk geld vervolgens – om er enig profijt van te kunnen hebben – witgewassen diende te worden. Toch kan op basis van het onderhavige dossier niet worden vastgesteld wat verdachtes rol hierin was. Het Gerecht spreekt verdachte dan ook van dat onderdeel van de tenlastelegging vrij. Voor het overige komt het Gerecht tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit. 4.3. Vrijspraak van de tenlastegelegde feiten 2, 3 en 4 (zaaksdossier Ceto) De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 2, 3 en 4, de feiten die betrekking hebben op de zogenaamde ‘Hato-shooting’. De verdediging heeft zich – in de kern – op het standpunt gesteld dat het dossier geen enkel concreet, objectief of verifieerbaar stuk bevat waaruit een actieve rol van verdachte als uitlokker van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten kan worden afgeleid. Ook geven de (getuigen)verklaringen de mogelijkheid van een scenario dat andere personen de opdrachtgevers zijn geweest voor de liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting]. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen te verklaren. Hoewel het Gerecht hiervoor heeft overwogen dat verdachte één van de leiders van de NLS was en er bovendien sterke aanwijzingen zijn dat verdachte (één van) de opdrachtgever(
  1. s)was van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, komt het Gerecht toch tot het oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van deze feiten te komen. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt. Feiten en omstandigheden Op 15 juli 2014 vond er een uiterst brutale en nietsontziende schietpartij plaats op de luchthaven van Curaçao. Hierbij kwamen [slachtoffer 1 Hato-shooting] (hierna: [slachtoffer 1 Hato-shooting]) en [slachtoffer 2 Hato-shooting] (hierna: [slachtoffer 2 Hato-shooting]) om het leven. De omstanders [slachtoffer 3 Hato-shooting], [slachtoffer 4 Hato-shooting], [slachtoffer 5 Hato-shooting], [slachtoffer 6 Hato-shooting], [slachtoffer 7 Hato-shooting], [slachtoffer 8 Hato-shooting] en/of [slachtoffer 9 Hato-shooting] raakten door de rondvliegende kogels (ernstig) gewond. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de ‘Hato-shooting’ voor de nabestaanden en de direct betrokken slachtoffers veel leed heeft gebracht. Uit de vorderingen van de benadeelde partijen leidt het Gerecht ook af dat de veroorzaakte psychische en fysieke schade nog altijd doorklinkt in de levens van de nabestaanden en de slachtoffers. Ook uit de berichtgevingen in de media concludeert het Gerecht dat de Hato-shooting tot op de dag van vandaag diepe indruk maakt op de samenleving van Curaçao, zelfs nu deze schietpartij al ruim 11 jaren geleden heeft plaatsgevonden. In de periode tussen de Hato-shooting en de behandeling van verdachtes strafzaak zijn meerdere personen door het Gerecht (en vervolgens door het Hof) veroordeeld vanwege hun betrokkenheid bij de Hato-shooting. De opgelegde straffen varieerden van vier jaren gevangenisstraf tot levenslang voor de schutters. De ‘Hato-shooting’ kan op basis van de inhoud van het dossier en de uiterlijke verschijningsvorm naar het oordeel van het Gerecht zonder twijfel worden gekwalificeerd als een pure liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] vanwege een drugsconflict tussen de NLS en de BVC. Het Gerecht gaat er ook vanuit dat de uitvoerders in opdracht van een ander of anderen – tegen betaling van een geldbedrag – hebben gehandeld. Anders dan de verdediging ziet het Gerecht in het dossier geen aanknopingspunten voor een scenario dat één van de uitvoerders zelf de opdracht heeft uitgezet om [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] van het leven te beroven. Het Gerecht gaat bij de beoordeling van deze feiten uit van de situatie dat de uitvoerders zijn uitgelokt door een ander/anderen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het onderliggende dossier verdachte één van de uitlokkers was van de moord op [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting]. Het Gerecht komt – anders dan de officier van justitie – niet tot deze conclusie, ondanks dat er meerdere verklaringen in het dossier te vinden zijn die in de richting van verdachte wijzen. Het Gerecht overweegt als volgt. [Veroordeelde 4 Hato-shooting] verklaarde op 23 oktober 2014 zowel in een gesprek met de officier van justitie als in een politieverhoor dat de leiders van de NLS, [verdachte] en [medeverdachte 1], via een tussenpersoon betaald zouden hebben voor de liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting]. [Veroordeelde 4 Hato-shooting] had dit gehoord van de uitvoerders [veroordeelde 1 Hato-shooting], [veroordeelde 2 Hato-shooting] en [veroordeelde 3 Hato-shooting]. [Betrokkene Hato-shooting] heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] [slachtoffer 1 Hato-shooting] en andere leden van de BVC dood wilde hebben. [Slachtoffer 1 Hato-shooting] moest dood vanwege een door [slachtoffer 1 Hato-shooting] gestolen partij drugs van de NLS. [betrokkene Hato-shooting] verklaarde verder dat [medeverdachte 1] de persoon was die betaalde voor de liquidatie en verdachte de persoon was die druk zette. Echter, hoe dat ‘druk zetten’ door verdachte eruit zag, bijvoorbeeld in woorden en/of gebaar, is naar het oordeel van het Gerecht niet duidelijk naar voren gekomen uit de verklaringen van [betrokkene Hato-shooting]. Ook [betrokkene Hato-shooting] verklaarde dat de uitvoerders van de Hato-shooting via een tussenpersoon zouden zijn uitbetaald. [betrokkene Hato-shooting] heeft (een aantal van) de uitvoerders, te weten Maria, [veroordeelde 2 Hato-shooting] en [veroordeelde 3 Hato-shooting], na de liquidaties gezien met een (grote) hoeveelheid geld. Evenals [betrokkene Hato-shooting] verklaarde ook bedreigde getuige [anonieme getuige 1 bij de rechter-commissaris dat een onderliggend drugsconflict de reden was van de liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting]. De leiders van de NLS, verdachte en [medeverdachte 1], bleken de eigenaren te zijn van de weggenomen partij drugs. De NLS wilde daarom wraak nemen op [slachtoffer 1 Hato-shooting]. Er waren verschillende pogingen ondernomen om [slachtoffer 1 Hato-shooting] te liquideren. Vervolgens lijken er in de jaren 2012, 2013 en 2014 meerdere moordaanslagen gelinkt te zijn aan de vete tussen de NLS en de BVC. Verder blijkt uit een tapgesprek van 15 mei 2020 tussen [getuige 2] en [getuige 3], de ex van [medeverdachte 1], dat hij, [getuige 2], tegen haar had gezegd dat verdachte [slachtoffer 1 Hato-shooting] heeft vermoord. Op 3 maart 2021 werd [getuige 2] geconfronteerd met dit tapgesprek en hij verklaarde dat [slachtoffer 1 Hato-shooting] drugs of geld zou hebben gestolen van de NLS. Hij gaf aan dat hij had gehoord dat verdachte [slachtoffer 1 Hato-shooting] had vermoord. Naast de hiervoor genoemde verklaringen was verder uit onderzoek gebleken dat verdachte, die in de periode van de liquidatie over een telefoon beschikte tijdens zijn detentie in een andere strafzaak, foto’s van [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] had ontvangen, liggend in hun doodskist. Deze foto’s zou verdachte moeten hebben ontvangen in de periode van 23 juli 2014 (de dag van de begrafenis) tot en met 31 juli 2014 (de dag dat verdachtes telefoon in beslag werd genomen). Conclusie Hoewel het Gerecht al heeft overwogen de betrouwbaarheid van de (getuigen)verklaringen in onderhavig zaaksdossier niet in twijfel te trekken, dient aan de andere kant met deze verklaringen voorzichtig te worden omgegaan. Deze getuigenverklaringen zijn naar het oordeel van het Gerecht namelijk zogenaamde belastende ‘de-auditu’ (van-horen-zeggen) verklaringen. Deze verklaringen zijn op zichzelf bruikbaar voor het bewijs, maar met dergelijke verklaringen dient in de regel behoedzaam te worden omgegaan. Dit geldt temeer wanneer het een anonieme de auditu verklaring betreft. Ook die verklaring kan voor het bewijs worden gebruikt, maar moet dan wel steun vinden in ander voorhanden bewijsmateriaal (artikel 387 SvC). Het Gerecht heeft hiervoor al overwogen dat verdachte de leider was van de criminele organisatie NLS. Ook zijn er aanwijzingen in het dossier te vinden die wijzen op een geëscaleerd drugsconflict tussen de NLS en de BVC die vermoedelijk heeft geleid tot meerdere (pogingen) tot moord(
  2. en)in de jaren 2012, 2013 en 2014, waarbij verschillende leden van de NLS en BVC doodgeschoten werden, dan wel gewond raakten. Bij deze schietpartijen waren NLS-leden betrokken die later veroordeeld zijn voor de Hato-shooting. Het Gerecht acht het gelet op deze omstandigheden dan ook moeilijk voor te stellen dat de leiders van de NLS, waaronder in ieder geval verdachte, geen wetenschap hebben gehad van (de plannen met betrekking tot) de liquidatie van [slachtoffer 1 Hato-shooting]. Echter, voor een bewezenverklaring van uitlokking tot moord is meer nodig dan het enkel kunnen vaststellen dat verdachte (zeer vermoedelijk) wetenschap heeft gehad van een plan om [slachtoffer 1 Hato-shooting] te vermoorden. Met zekerheid kan vastgesteld worden dat verdachte niet aanwezig was bij de uitvoering van het misdrijf. Verdachte zat op dat moment namelijk gedetineerd in een ander land. Op basis van het dossier kan verder ook niet worden vastgesteld dat verdachte op belangrijke momenten een rol had bij de Hato-shooting, bijvoorbeeld voor en/of na de schietpartij op 15 juli 2014. Er zitten in het onderhavige dossier bijvoorbeeld geen tekstberichten, telefoon-, OVC-gesprekken en/of financiële transacties waaruit de vermeende opdracht van verdachte om [slachtoffer 1 Hato-shooting] te liquideren kan worden afgeleid. Het Gerecht komt daarom tot het oordeel dat de belastende van-horen-zeggen verklaringen van meerdere getuigen en het feit dat kort na de Hato-shooting foto’s van de lichamen van [slachtoffer 1 Hato-shooting] en [slachtoffer 2 Hato-shooting] zijn aangetroffen in een telefoon van verdachte, onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten te kunnen komen. Op basis van deze stukken kan het Gerecht namelijk niet vaststellen of verdachte iets heeft gedaan en/of gezegd dat een wilsbesluit bij een ander of anderen heeft opgewekt. De steun in ander bewijsmateriaal ziet het Gerecht ook niet. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten. 4.4. De wraakmoorden (de feiten 5 tot en met 10) De officier van justitie heeft de gedragingen van verdachte die in verband zijn gebracht met de vermeende wraakacties naar aanleiding van de moord op [vriendin verdachte] (de feiten 5 tot en met 10 op de tenlastelegging) gekwalificeerd als – kortgezegd – (primair) medeplegen uitlokking (pogingen tot) moord(en). Het Gerecht zal hierna eerst de feiten en omstandigheden met betrekking tot de zogenoemde ‘wraakmoorden’ weergeven. Vervolgens volgt – samengevat – het juridisch kader. Daarna zal het Gerecht een oordeel geven over de onder 5 tot en met 10 tenlastegelegde feiten. Het Gerecht hecht eraan op te merken dat zij met het Openbaar Ministerie en de verdediging van oordeel is dat in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van onherroepelijke rechterlijke beslissingen. Het Wetboek van Strafvordering biedt steun aan die gedachte. Dit uitgangspunt neemt niet weg dat het Gerecht onafhankelijk op grond van eigen onderzoek oordeelt over de in deze strafzaak aan verdachte gemaakte verwijten. Daarbij komt het Gerecht tot een eigen waardering van het bewijsmateriaal en het kan dan ook voorkomen dat verdachte voor een bepaald feit wordt vrijgesproken terwijl op grond van hetzelfde dossier een medeverdachte wordt veroordeeld. Ook andersom is denkbaar. Tot slot acht het Gerecht het van belang om op te merken dat bij het vaststellen van de feiten en de mate van betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten, het Gerecht er niet aan ontkomt om ook de rol van anderen, die zich wellicht later nog dienen te verantwoorden bij de rechter, te duiden. Dit zal echter geen oordeel inhouden over de schuld van deze personen. 4.4.1. Feiten en omstandigheden met betrekking tot de wraakmoorden Inleiding De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de uitlokker was van de moordaanslagen op [slachtoffer feit 5], [slachtoffer feit 6], [slachtoffer 1 van feit 8], [slachtoffer feit 9] en [slachtoffer feit 10] op basis van onder andere PGP-, OVC- en tapgesprekken. Van de aanslagen op [slachtoffer 2 van feit 8] en [slachtoffer feit 7] zal verdachte moeten worden vrijgesproken, aldus de officier van justitie. Daartegenover staat de ontkenning van verdachte bij enige moordaanslag betrokken te zijn geweest. Verdachte heeft – in de kern – verklaard dat hij boos en verdrietig was na de moord op [vriendin verdachte] en zich in gesprekken met anderen ook zo uitte, maar dat dit niet betekende dat hij opdracht heeft gegeven tot het plegen van (pogingen tot) moorden. Verder heeft verdachte verklaard dat hij sommige uitspraken die in het dossier staan niet heeft gezegd, dan wel dat deze berichten verkeerd zijn geïnterpreteerd en/of vertaald. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op de mogelijke motieven van anderen om de slachtoffers van de ten laste gelegde (pogingen tot) moord(
  3. en)om het leven te brengen, wat een contra-indicatie voor betrokkenheid van verdachte bij de moorden zou zijn. Zoals hiervoor in het kader van de criminele organisatie al is vastgesteld door het Gerecht, was verdachte boos en zinde hij op wraak op iedereen die – in zijn ogen – betrokken was bij de liquidatie van [vriendin verdachte]. Deze personen moesten gedood worden. Verdachte gaf daarbij de opdracht aan anderen om op zoek te gaan naar de betrokkenen. Naar het oordeel van Gerecht had verdachte dan ook een motief. Dat iemand een reden heeft om een ander om het leven te brengen, draagt op zichzelf niet bij aan het bewijs dat diegene de ander daadwerkelijk om het leven heeft gebracht of laten brengen. Een motief kan echter wel zo nauw verbonden zijn met een gepleegd misdrijf dat het kan doorklinken in ander bewijs. En zo draagt het op die manier bij tot het bewijs. Als aannemelijk wordt dat een verdachte iemand definitief het zwijgen heeft willen opleggen, kan dat dus in de bewijsvoering een rol spelen. In dit dossier komen gesprekken voor waarin verdachte heeft gezegd dat hij personen zou vermoorden, als wraakactie vanwege hun betrokkenheid bij de moord op [vriendin verdachte]. Bij dergelijke uitlatingen kan het Gerecht er niet zomaar van uitgaan dat het slechts gaat om een loze bedreiging of een theoretisch motief, maar zal het Gerecht ook moeten onderzoeken of dit moet worden opgevat als een serieuze aankondiging van een moord. Dat geldt zeker in deze zaak waarin er daadwerkelijk aanslagen zijn gepleegd op de personen waarover verdachte spreekt als ware zij degenen die schuilden achter de moord op [vriendin verdachte]. Feiten en omstandigheden Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 5 november 2015 krijgt het ‘centre operationnel de la Gendarmerie de Saint Martin’ bericht over schoten met een vuurwapen in het Quartier d’Orleans in Saint Martin. Ter plaatse bleek dat [vriendin verdachte], destijds de vriendin van verdachte, om het leven was gekomen door op haar afgevuurde kogels. Direct na de moord op [vriendin verdachte] waren meerdere personen, waaronder verdachte, op zoek naar de verantwoordelijken voor de liquidatie van [vriendin verdachte]. Uit zowel telefoon-, PGP- als OVC-gesprekken wordt naar het oordeel van het Gerecht duidelijk dat wraak genomen moest worden op deze personen. Er werden door verdachte en medeverdachten vervolgens namen genoemd, geld beschikbaar gesteld (om informatie in te winnen en de schutters te betalen) en er werd ook contact gelegd met de schutters: 5 november 2015: [Medeverdachte 4] (PGP-safe [PGP 1]) had contact met [medeverdachte 1] (PGP-safe [PGP 2]). [Medeverdachte 4] bracht [medeverdachte 1] op de hoogte van de aanslag op [vriendin verdachte]. Verder gaf [medeverdachte 4] aan dat zijn neef, een politieagent, bezig was om alles te checken. [Medeverdachte 1] gaf vervolgens aan dat ‘ze voor alles papieren zetten om de juiste informatie te krijgen’, ‘ze sint plat gaan branden’ en dat [medeverdachte 4] aan [bijnaam verdachte] door moest geven dat hij sterk moest blijven. Verder deelde [medeverdachte 1] mede aan PGP-account [PGP 5] dat hij niet wist wat er aan de hand is in SXM (het Gerecht begrijpt: Sint Maarten). Twee weken geleden hadden zij een soldaat van [bijnaam verdachte] gedood en nu zijn vriendin. [Medeverdachte 1] voegde hieraan toe: ‘i want meshup SXM fix some crazy topshota 100thousan for each to come meshup SXM i have more soldier’. 5 november 2015: [Medeverdachte 1] had contact met [medeverdachte 2] (PGP-safe [PGP 3]). [Medeverdachte 2] gaf aan dat hij zeker wist dat de Franse jongen ‘[slachtoffer feit 6]’ achter de moord op [vriendin verdachte] zat. Hij had mensen uit St. Croix om het te doen. Hij dacht dat de mensen in dezelfde buurt woonden, want ze waren te voet weggerend na de schietpartij. [Medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 2] hoe zij hem, [slachtoffer feit 6], konden terugpakken. [Medeverdachte 2] gaf aan dat hij [slachtoffer feit 6] graag wilde uitschakelen, maar dat hij goed na ging denken hoe en met welke personen, omdat [slachtoffer feit 6] veel ‘killers’ om zich heen had. [Medeverdachte 1] gaf aan dat hij alles zou betalen en dat daarna ‘[slachtoffer feit 5]’ vermoord moest worden. [Medeverdachte 2] gaf vervolgens aan dat hij de juiste mensen had in St. Croix die het konden doen. [Medeverdachte 1] gaf aan dat [medeverdachte 2] dit voor hem moest gaan regelen. [Medeverdachte 2] ging het in gang zetten en zou later vertellen wat de kosten zouden zijn. 6 november 2015: [Medeverdachte 4] was op bezoek geweest bij verdachte in de PI in [plaats] en op die dag had verdachte ook gebeld met [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 4] gaf aan dat ‘hij’ zei dat verdachte rustig moest blijven en dat ‘hij’ er bovenop zat. Verdachte vroeg aan [medeverdachte 4] of hij ‘ruman’ had gesproken om te kijken wat er gaande was. Met ‘hij’ en ‘Ruman’ werd [medeverdachte 1] bedoeld. [Medeverdachte 4] fungeerde kennelijk als boodschapper tussen [medeverdachte 1] en verdachte. Verdachte gaf [medeverdachte 4] de opdracht om er bovenop te blijven zitten. Verder zei verdachte tegen [medeverdachte 4] dat ze na moeten gaan welke vlucht vanuit Saint Kitts en Nevis was gegaan gisteren. Verdachte wilde kijken of ze ‘de kleine slanke man kunnen zien’. 7 november 2015: [Medeverdachte 1] tegen PGP-account [PGP 6]: ‘als je disrespect ik doe wreed dingen nls zijn wij allemaal in pijn deze dagen hun hebben [bijnaam verdachte] zijn vrouw vermoord eergister dus we zijn ready voor hele generatie te vermoorden’. Verder stuurde [medeverdachte 1] die dag naar PGP-account [PGP 7] het bericht dat zij geld moesten gaan verdienen. ‘C komt er zo uit (het Gerecht begrijpt: verdachte komt binnenkort uit de gevangenis). Zij moesten super goed voorbereid zijn op Curaçao, zodat verdachte zich veilig voelde. PGP-account [PGP 7] zei dat hij met een geconcentreerde geest verder meedeed aan de strijd’. 7 november 2015: Verdachte tegen [betrokkene 2]: ‘het zijn [slachtoffer feit 6] en [slachtoffer feit 9]. Ze hebben haar pijn gedaan (het Gerecht begrijpt: [vriendin verdachte]). Verdachte wees dus twee dagen na de moord op [vriendin verdachte] meerdere personen aan als betrokkenen. Deze namen herhaalde verdachte op 8 november 2015: ‘Luister nou: [slachtoffer feit 9] [slachtoffer feit 6] en [betrokkene 7] zitten hier achter’, op 11 november 2015: ‘[slachtoffer feit 9] is de enige, 100% vader, die dit gedaan heeft, [slachtoffer feit 6] is 80 % en [betrokkene 7] is 50 % maar [slachtoffer feit 9] heeft dit gedaan, hij heeft die gast gestuurd, de foto die de politie had’ en op 14 november 2015: ‘Maar jij heeft [slachtoffer feit 6], die man is dood, hetzelfde heeft hij mij geflikt en dat doet hij nu ook thuis, dus hij kan niet meer thuis komen. Hij wordt spoedig vermoord. Ja, daarom moet L snel dat geld sturen, maandag, zodat mijn mensen kunnen doen wat ze moeten doen en ik ook door met de Big’. Uit getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 8] blijkt dat met de bijnaam ‘[slachtoffer feit 6]’ [slachtoffer feit 6] werd bedoeld. 9 november 2015: [betrokkene 8] vertelde aan de politie dat [betrokkene 3], alias [betrokkene 3] en/of [betrokkene 3], een foto van de mogelijke schutter op zijn telefoon had ontvangen. Verder verklaarde [betrokkene 8] dat de schutter de uitvoerder was voor het vuile werk van [slachtoffer feit 9], alias ‘[slachtoffer feit 9]’, een voormalig lid van de NLS. [bijnaam verdachte], (het Gerecht begrijpt: verdachte), die aan het hoofd staat van de NLS, en [slachtoffer feit 9] zijn vermoedelijk verwikkeld in een bendeoorlog, aldus [betrokkene 8]. 10 november 2015: [medeverdachte 1] zei tegen [medeverdachte 2] dat hij, [medeverdachte 2], het moest regelen met zijn soldaat. [Medeverdachte 1] wilde [slachtoffer feit 6] en [slachtoffer feit 5] dood. Daarna zouden zij op zoek gaan naar [slachtoffer feit 9]. [Medeverdachte 2] zei tegen [medeverdachte 1] dat het hem veel plezier zou geven om [slachtoffer feit 9] te vermoorden. [Medeverdachte 2] gaf bij [medeverdachte 1] aan dat hij de mannen (het Gerecht begrijpt: de schutters) uit St. Croix zou laten komen op het moment dat [medeverdachte 1] daar akkoord op zou geven. [medeverdachte 2] zou bij [medeverdachte 1] aangeven wat er vervolgens allemaal nodig was. Voor [slachtoffer feit 9] (het Gerecht begrijpt: voor de moord op [slachtoffer feit 9]) wilde ‘[betrokkene 9]’ graag de opdracht, aldus [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] gaf vervolgens aan dat er een budget van 500.000 dollar vrijgemaakt mocht worden voor [slachtoffer feit 6], [slachtoffer feit 5], [slachtoffer feit 9] en [betrokkene 5]. [Medeverdachte 2] gaf aan dat het zou worden geregeld. 10 november 2015: [medeverdachte 1] had op deze dag ook contact met [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 1] gaf aan dat hij een groep heeft op ‘sn xroiit’ (het Gerecht begrijpt: St. Croix), maar dat bekend moest zijn waar en wie. [medeverdachte 4] gaf aan dat hij dit begreep en dat hij er bijna achter was hoe het precies zat. [Medeverdachte 4]: ‘Wij moeten op St. Kitts en St. Maarten zijn.’ [Medeverdachte 1] zei nogmaals dat hij wilde weten wie ‘dat ding’ gedaan had om hen te laten zien wat pijn zou betekenen. Hierop reageerde [medeverdachte 4] als volgt: ‘[Slachtoffer feit 9] e.a. en hun crew. Met [slachtoffer feit 6] e.a. Zij hebben dat ding laten doen!. Maar ‘neef’ is bezig om het mij heel precies te zeggen’. [medeverdachte 1] reageerde hierop als volgt: Kijk Sangre, [bijnaam verdachte] kan niet kome naar aanleiding van horen zeggen/roddels.’ Uit het verloop van het gesprek wordt naar het oordeel van het Gerecht met ‘[bijnaam verdachte]’ verdachte bedoeld. Hieruit leidt het Gerecht af dat verdachte moest bepalen wie de betrokkenen waren. [Medeverdachte 1] wilde het wel zeker weten. Verder zei [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 4] het volgende: ‘ja want wijlen [persoon 3] diende als chauffeur om [betrokkene 5] kapot te maken en zij hebben hem persoonlijk gezien. En toen onze persoon het ding hoorde, want de neef van [betrokkene 5] zei dat hij iedereen, die zijn oom neergeschoten had, zal vermoorden. En toen zij [slachtoffer feit 5] neergeschoten hadden, werd zijn ‘peiki’ ook door kogels geraakt’. [Slachtoffer feit 5] bleek de neef te zijn van [betrokkene 5], alias ‘[betrokkene 5]’. 13 november 2015: [Medeverdachte 4] bezocht verdachte in de PI in [plaats]. Op deze dag had [medeverdachte 4] ook weer contact met [medeverdachte 1] via PGP-safe. [Medeverdachte 4] geeft aan dat hij net bij ‘broeder’ vandaan komt (het Gerecht begrijpt: verdachte). Verdachte had tegen [medeverdachte 4] gezegd dat [slachtoffer feit 9] ‘het ding’ heeft laten doen. Verder vroeg verdachte aan [medeverdachte 4] waarom er zo lang over werd gedaan om er gas achter zetten. Verdachte wilde dat er iets zou gebeuren voordat hij vrijkwam. Verdachte was heel boos, aldus [medeverdachte 4]. 15 november 2015: Verdachte belde met [betrokkene 3]. [bijnaam verdachte]: ‘Pak pen en papier want de straat heeft een wake-up-call nodig. Toen heeft diezelfde [slachtoffer feit 9] [betrokkene 10] vermoord om weer goed te zijn met [betrokkene 12]. Hetzelfde heeft hij met [betrokkene 11] gedaan. [Betrokkene 4] stierf. Nadat hij goed was met [betrokkene 11, sloot hij zich aan bij [slachtoffer feit 7], de broer van [betrokkene 4]. Vermoord die vrouw niet, vermoord zijn eigen vrouw niet en laat het eruit zien als iets van een bende is, een wraakoefening. Van alles wat hij gedaan heeft, schoof hij de schuld op anderen. [(bij)namen slachtoffer feit 9] en vermoord zijn eigen vrouw niet. De straat moet wakker worden. Regel dat’. Naar het oordeel van het Gerecht is het duidelijk wat verdachte wilde dat er met [slachtoffer feit 9] moest gebeuren, namelijk dat hij moest worden vermoord. [Betrokkene 3] moest het regelen. [Medeverdachte 4] informeerde hierover [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] informeerde [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] gaf aan dat de schutters waren geregeld en dat ‘[betrokkene 9]’ [slachtoffer feit 9] wilde vermoorden. Dat dit gesprek zou zijn gemanipuleerd, zoals wordt beweerd door verdachte tijdens de zitting, is naar het oordeel van het Gerecht niet onderbouwd. Bovendien past deze opmerking van verdachte bij zijn eerdere opmerkingen over [slachtoffer feit 9], inhoudende – kort gezegd – dat hij betrokken was bij de liquidatie van [vriendin verdachte] en dat de betrokkenen vermoord moesten worden. 27 december 2015: ‘[bijnaam verdachte] zegt dat hij erg veel last heeft van wat er met zijn vriendin gebeurd is. [Bijnaam verdachte] zegt dat hij die mensen begraven wil zien. Als die mensen dood zijn doet hij ([bijnaam verdachte]) niets. Hij wil ze allemaal dood zien. [Bijnaam verdachte] zegt dat hij nu vastzit maar als hij vrij is dan pas beginnen de uren te tellen’. Eerste tussenconclusie: zoektocht naar betrokkenen bij de liquidatie van [vriendin verdachte], opdracht tot liquidatie van de betrokkenen en het regelen/beschikbaar stellen van geld en schutters Uit het chronologische verloop van voornoemde gesprekken leidt het Gerecht af dat [medeverdachte 4] met verdachte besprak wat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] hadden besproken via PGP-safe. [Medeverdachte 4] was vervolgens de persoon die aan [medeverdachte 1] doorgaf wat hij, [medeverdachte 4], met verdachte had besproken via de telefoon en in de PI in [plaats]. Hierdoor was verdachte op de hoogte van wat er buiten de gevangenis door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] werd uitgezocht, geregeld en besproken en konden de boodschappen van verdachte via [medeverdachte 4] doorgegeven worden naar de buitenwereld, waaronder [medeverdachte 1]. Verder komt het Gerecht op basis van voornoemde gesprekken tot de conclusie dat verdachte, op basis van informatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4], de persoon was die bepaalde wie de betrokkenen van de moord op [vriendin verdachte] waren en dat zij allemaal vermoord moesten worden. De boodschap dat de betrokkenen gevonden en vermoord moeten worden was ook goed doorgekomen bij [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] nam deze berichten ook zeer serieus. Hij was namelijk daags na de moord op [vriendin verdachte] bezig met het organiseren van de moorden op de betrokkenen. [Medeverdachte 1] had [medeverdachte 2] ingeschakeld als moordmakelaar en had een budget van 500.000 dollar vrijgemaakt voor de moorden. Ook [medeverdachte 2] kwam direct in actie en was bezig met de zoektocht naar de schutters voor de moorden en koppelde hier ook een concrete naam aan van ene “[betrokkene 9]”. Deze “[betrokkene 9]” had aangegeven dat hij heel graag [slachtoffer feit 9] wilde vermoorden. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat direct na de moord op [vriendin verdachte] serieuze plannen werden gemaakt om de betrokkenen bij de moord op [vriendin verdachte] – tegen betaling – te laten liquideren. Vervolg feiten en omstandigheden Van alleen boosheid, woede, dan wel grootspraak is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. Immers, de zoektocht van verdachte en de medeverdachten naar de betrokkenen en het voorbereiden van liquidaties was enkele maanden na de liquidatie van [vriendin verdachte] nog steeds in volle gang. Ook werden in de loop van de tijd nieuwe namen van de mogelijke betrokkenen genoemd door verdachte en medeverdachten. Gesprekken over de voorbereidingen van de liquidaties werden afgewisseld met gesprekken die ontegenzeggelijk over de drugshandel gingen en er werd gesproken om geld te maken zodat mensen konden worden ingeschakeld: 16 januari 2016: ‘[bijnaam verdachte] geeft aan dat hij de daders zal aanpakken. [Betrokkene 14]: Ik weet, wat je zelfs daar vandaan kunt doen, dus meer hoef je niet te zeggen’ (het Gerecht begrijpt: vanuit de gevangenis in Nederland). Zij spreken af dat [bijnaam verdachte] niet doorvertelt dat hij met [betrokkene 14] communiceert en dat [betrokkene 14] voor hem informatie gaat verzamelen, en zo nodig opdrachten gaat uitvoeren’. 17 januari 2016: [betrokkene 2]: ‘[slachtoffer feit 6] (het Gerecht begrijpt: [slachtoffer feit 6]) is tot van alles in staat achter jouw rug om. Ik hou hem in de gaten. Verdachte: maar ze kennen de allerlaatste nieuwtjes van de straat niet. Als de rat in het hol is, is het tijd om gift te spuiten. Dat soort gasten wil ik niet vermoorden. Nee, ik wil ze mank maken, net als oom, en ze voor de rest van hun leven zo laten. Zo simpel is het. Je hoeft niet iedereen te vermoorden, als ik eruit kom ben ik gestoord, dan ga ik tenminste een paar jaar zitten voor bepaalde mensen’. 2 februari 2016: ‘[bijnaam verdachte]: Ik ben boos over dat van vrouw. [bijnaam verdachte] wil weten wie de moordenaars gestuurd hebben. Je weet hoe het werkt zegt hij’. 12 maart 2016: ‘Aan alles komt een einde Sangre. Daarom doe ik het rustig aan. Maar ik ben al begonnen mijn dingen te regelen. Ik kan niet gaan wachten totdat ik dar buiten ben. Sta stil en respecteer [bijnaam verdachte]. Ik wil niet te veel zeggen. Maar ik ben Soldier’. Verdachte zegt vervolgens: ‘Als je bij mij komen ga ik proberen jullie daarheen te sturen. Zodat jullie weten waar we gaan “locken”. Dan zeg je respect [bijnaam verdachte]. It’s a dirty job, but somebody had got to do it. Het is een hele vieze klus maar iemand moet het doen vriend. De dingen moeten gaan lopen’. 15 maart 2016: [Betrokkene 1] en [betrokkene 3] waren op bezoek bij verdachte in de PI te [plaats]. [Bijnaam verdachte] zei tegen [betrokkene 3] (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 3]) dat er geld nodig was, iets moest geduwd (verstuurd) worden, wat wiet… Verdachte: ‘rakette’. [betrokkene 1]: ‘rakette laat ons het ophalen om te kijken of hij serieus is’. [bijnaam verdachte] vroeg [betrokkene 3] of hij weet hoe hij geld kan maken/verdienen, sommige mensen moeten geplet worden. [Bijnaam verdachte] stelde aan [betrokkene 3] de vraag wat hij zou doen als men [bijnaam verdachte] vandaag naar St. Maarten zou sturen. [Betrokkene 3] zei dat hij dan zal hij weggaan. [Betrokkene 1] zei dat hij dan meteen op St. Maarten zou gaan slapen. In het vliegtuig die [bijnaam verdachte] in zal gaan, moesten zij ook meegaan. [Betrokkene 1]: ‘sangre’ geld is er om meteen dingen te kopen (maakt geluid van schietende: papaparapapapa). [bijnaam verdachte]: ja ‘sangre’. [betrokkene 3] luister, deze mannen moeten terug geschopt worden!!! Ze moeten zien/realiseren dat deze ding geen spel is!! Zoek het uit [betrokkene 3], het is geen spel, het is geen spel. Al deze mannen hadden al lang dood moeten zijn. [betrokkene 3]: ‘niemand kan deze man vinden, jongen. Hij is niet daar in Sucker Garden’. [bijnaam verdachte]: ‘hij is daar. De man is daar. Alles in SM weet ik. [Betrokkene 3], deze mannen zullen je doden door jaloezie, dezelfde mannen van ‘town’/stad doden je door jaloezie. Bom ga ik daar in gooien. Ik wil zelf niet in de buurt zijn [betrokkene 3]. Daarom is het papier (het Gerecht begrijpt: het geld), als je dat geen papier hebt, als je blijft denken, gaan deze mannen jou vegen op het dat je aan komt. [betrokkene 3], ik kan begrijpen dat de mannen ...ntv.. verstoppen/verbergen’. [Bijnaam verdachte]: ‘ze hebben gezegd dat ze 200 hebben ingedaan, terwijl er 600 is binnen gekomen. En ze hebben de 400 gehouden, de man is heel boos’. [betrokkene 3]: als het zo is, begin mensen te zoeken, die bereid zijn om te gaan en niet meer naar huis komen’. [Betrokkene 1]: ik heb nu een bro/makker, chef, chef van daar beneden’. [Bijnaam verdachte]: Curaçao?’ [betrokkene 1]: ‘ja, hij pakt alle dozen, hij pakt alles. Deze is een Jamaicaan. Hij samen met een politie van Cargo werken, begrijp je? En hij wil dingen in ’s avonds laat neerdalen/naar beneden laat gaan. Vanuit St. Maarten, van waar dan ook. Ook uit Jamaica, heel veel marihuana’. [bijnaam verdachte]: ‘we maken er gewoon een team van’. [Bijnaam verdachte] is op de hoogte van alles en [betrokkene 3] moet doen wat [bijnaam verdachte] zegt. Ik ben een soldaat zegt [bijnaam verdachte]. [Bijnaam verdachte] zegt hij heeft geld nodig om zijn dingen te betalen en zegt dat als nu 500 naar beneden komt, dan zal [betrokkene 1] wel zien wat er gaat gebeuren. [Bijnaam verdachte]: ‘[Betrokkene 3] (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 3]) denk jij dat het een spel/geintje is? This thing from [vriendin verdachte] goes to the extreme, nothing more can happen to me. This is the last les I learn [betrokkene 3]. [Bijnaam verdachte] zegt dat hij een voorbeeld moet zetten, dit is geen spel.’ [Bijnaam verdachte]: ‘[betrokkene 3], je moet goed zijn met bepaalde mensen om dingen uit te zoeken. Je gaat mij lang in de gevangenis houden, want ik kan niet over bepaalde dingen over de telefoon met je hebben. Ze luisteren naar alle fucking ding wat ik zeg’. [Bijnaam verdachte]: ‘ik heb wat papier nodig [betrokkene 3]’. Vervolgens vertelt [bijnaam verdachte] dat hij [betrokkene 2] heeft gebeld en dat [betrokkene 2] tegen hem had gezegd dat zij is er klaar mee met dat fuck, het geregel van geld van [bijnaam verdachte] tussen haar en [betrokkene 3]. [Betrokkene 1]: ik wil veel mensen vermoorden. [Bijnaam verdachte]: het is zo meteen zover. Er moet respect zijn. Dat wil zeggen, ik wil blok zien en dan BAP!! Ja want, ik maak geen geintje. Als [betrokkene 15] komt, doe zo BAAAM, blokkeer de mannen, dat [betrokkene 15] daar blijft staan, maar met alles aan, handschoenen en dingen en [betrokkene 15] aan en veeg de mannen in de auto, alle vier mensen, wegwezen.’ [Betrokkene 1]: ‘een heleboel mannen moeten nu vallen, zodat het respect weer zegeviert’. [Bijnaam verdachte]: ‘wat dan ook begin gewoon vanaf het dak, achterin en gewoon BAAAM!!’. [Betrokkene 3] geeft aan dat hij weet wat hij moet doen. Verder vertelt verdachte nog dat hij, [betrokkene 3], zich moet bedekken en wat kogels moet afvuren. [bijnaam verdachte]: ‘some money, stole a car, bam bam bam bam boem, buzz off/out in the morning, nothing go on’. [Bijnaam verdachte] richt zich tot [betrokkene 1]: ‘de mensen moet beginnen met praten; vanwaar, welke, wie, weet je hoe. Anders gaan er een heleboel onschuldige mensen weg. Maar vanaf het moment dat het dat meisje is overkomen, ik dacht van “swa”, die kerel, moet moet moet moet, want het is in jouw buurt/woonwijk, ze kunnen dat ding niet doen’. [Bijnaam verdachte]: ‘ik ben goed met dit meisje, [betrokkene 2]. Zij is een soldaat. Ze zit in mijn team’. Toen deze ding van [vriendin verdachte], toen zei ik “nee”. Nu is er geen geintje meer [betrokkene 3]. Now is it right right right till the respect get there. Die tweeling van “town”, je zal zien wat er met die mannen gaat gebeuren “swa”. Weet je hoe ze zullen blijven, wacht en je zal zien. Die van town die alsof lopen te doen. Ik pak ze hard aan. Ze lopen te klooien, een heleboel kleine jongens lopen domme dingen te doen. Nu is er geen vergiffenis/vergeving voor de mannen, geen genade voor deze mannen [betrokkene 3]. Omdat ik vastzit hebben ze die klote ding met [vriendin verdachte] gedaan, broer. Hele klote ding, ik accepteer het nooit van mijn leven. Ik heb niets meer te verliezen broer. Elk moment wanneer ik buiten kom, betaal ik mijn team op hem. Begrijp je? Dat zij hem met een vuurwapen/geweer oppakken. Begrijp je? Want daarbinnen wil ik hem hebben, begrijp je wat er aan de hand is? Zo dat ik met hem kan afhandelen, daarom zei ik tegen jou om de situaties voor mij te halen/regelen. Het zijn veel dingen, ik kan niet praten, want anders klappen/ontploffen ze hem meteen sangre. [Betrokkene 16] en iedereen zitten daar beneden vast. Heel veel soldaten zitten daar beneden vast. In een week of twee is dit anders nog, zij dachten van na de begrafenis van [vriendin verdachte]… niets. Nee het is niet zo, dit zal jaar, na jaar, na jaar, na jaar gaan. En data, ik heb de data bepaald om ook mensen te vegen (het Gerecht begrijpt: vermoorden). 5 november. Wanneer ik buiten ben, ik heb een beetje papier (het Gerecht begrijpt: geld), zal je sunami op 1 9 zien. [betrokkene 3], [betrokkene 3] je weet wat ik deed toen ik daar buiten was [betrokkene 3]. Ik jaag, ik blijf jagen tot wanneer ik gegeten heb. [Slachtoffer feit 9] wordt beschoten, deze man verstopt zich. Dezelfde jonge kerel die [vriendin verdachte] heeft vermoord, [slachtoffer feit 9], hij en [betrokkene 17]. [Betrokkene 1]: Je moet me twee laten vermoorden. Ik moet twee drie vermoorden om wat serieuzer te worden. [Bijnaam verdachte]: deze man, deze man, kijk ik had deze plan voor iemand anders. [Bijnaam verdachte]: veel mensen hebben dat wel, veel mensen… [betrokkene 29], de ene kerel die ontsnapt is, is een klootzak. Hij heeft geen geld, ik heb ook geen geld, anders had je allang gehoord. [betrokkene 3]: ‘Ik kom terug als een goede soldaat. Als ik niet terugkom, ben ik er uit gegaan als een goede soldaat’. Vervolgens informeert [betrokkene 1] verdachte over de terugkeer van [slachtoffer feit 9] op Sint Maarten. [Bijnaam verdachte]: [slachtoffer feit 9] woont dan daar beneden? Hij moet een manier zoeken om te betalen. Ik geloof ook niet meer in hem. Bal/kogel heb ik voor hem, weet je’. [Bijnaam verdachte]: ‘er moet papier gemaakt worden’. [Betrokkene 1]: ‘ik wil veel mensen om te vermoorden’. [bijnaam verdachte]: ‘de mensen hebben tegen hun gelogen dat het alleen 200 is. Maar bleek dat er nog 400 waren. Een punt 2 miljoen extra, 12 miljoen’. Uit het dossier leidt het Gerecht af dat verdachte het hiervoor heeft over [betrokkene 29], alias ‘[betrokkene 29]/[betrokkene 29]’, die op 15 februari 2016 is ontsnapt uit de Point Blanche gevangenis in Sint Maarten. 15 maart 2016: Verdachte had een gesprek met [betrokkene 2]. Hierin vertelde [betrokkene 2] dat de moeder (het Gerecht begrijpt de moeder van [slachtoffer feit 5]) heeft gezegd dat de man van dat meisje haar zoon heeft vermoord en dat moeder haar ([betrokkene 2]) heeft verteld dat [slachtoffer feit 5], voordat hij stierf, heeft gezegd dat verdachte het was. [betrokkene 2] vroeg of verdachte het begreep en verdachte bevestigde dit vervolgens. [Betrokkene 2] gaf aan dat hij, [slachtoffer feit 5], het of alleen heeft gedaan of dat de andere blanke jongen (hiermee wordt gelet op alle voorgaande gesprekken ‘[slachtoffer feit 6]’, [slachtoffer feit 6] [slachtoffer feit 6], bedoeld), hem had gestuurd, maar dat hij het niet wilde doen en hij iemand anders had gevraagd om het te doen. Hierna zal het Gerecht onderbouwen waarom hier met ‘[slachtoffer feit 5]’ [slachtoffer feit 5] werd bedoeld. Dat verdachte ook na vier maanden na de moord op zijn vriendin nog plannen blijft maken de vermeende betrokkenen bij die moord iets aan te doen, blijkt ook uit de in maart 2016 gevoerde gesprekken. 17 maart 2016: verdachte had een gesprek met NNm. Hierin gaf verdachte aan dat hij wat dingen geregeld wilde hebben en dat er papieren nodig waren (het Gerecht begrijpt dat er geld nodig is). Verdachte zei dat dingen in orde gezet moesten worden. Hij heeft twee, drie om te rijden/voertuigen nodig. Verdachte zei dat ‘de rally’ binnenkort start. 19 maart 2016: Verdachte: ‘Over 10 weken kom ik vrij. Ik heb veel recht te zetten. Als ik buiten kom, dan ben ik niet bang, ik doe alles vanuit mijn hart, ik laat me niet vermoorden, als ik vermoord word, dan is het door de politie, maar ik begrijp nog steeds niet waarom ze denken dat het een spelletje is, ze hebben mijn vrouw vermoord, die mannen zijn bang, ze weten wat voor tijd het is, ze kunnen mij niet overwinnen. Iedereen moet een keer dood. Die [F] gaat niet lang meer leven’. 20 maart 2016: Verdachte had een gesprek met [betrokkene 1]. [betrokkene 1] zei: ‘We verrichten jouw werkzaamheden voor je bloed’. Verdachte gaf aan dat zij nog niemand iets aangedaan hebben en dat ze geld nodig hadden. Verder in het gesprek gaf [betrokkene 1] aan dat het einde telt. Hierop reageerde verdachte: ‘dat ding is oorlog…kogel nemen… kogel geven…fles champagne openmaken. Het einde is wat telt! Ik krijg mijn meisje nooit meer terug. Daarom wil ik op mezelf passen…veel missie…want veel serieuze dingen moeten plaats vinden en daarvoor heb je veel paper (het Gerecht begrijpt: geld) nodig… er is veel geld nodig om nu rustig te leven’. 23 maart 2016: ‘Mij gaan ze met een AK47 aantreffen. Mijn familie is overleden. Stel het zou hun vrouw zijn geweest. GA KONTNEUKEN JUSTITIE. Ze hebben mij reden gegeven om ding te doen. Ik werk met regel op/van straat broer. Ze hebben alleen maar flikker dingen in de krant gezet maar tot de dag van vandaag heet Justitie geen kut gedaan maar jullie willen alleen op no Limit blijven springen. [Bijnaam verdachte] zegt dat de politie voor land doodt en vraagt of hij dan niet voor zijn familie, om te eten mag doden. [Bijnaam verdachte] zegt dat hij voor dat ding op mensen gaat schieten. Dan moet hij maar opgesloten worden. [Bijnaam verdachte] heeft veel nieuwe soldaten die hij aan [betrokkene 1] gaat voorstellen’. Anders dan de verdediging heeft betoogd leidt het Gerecht uit bovengenoemd gesprek af dat verdachte het heft in eigen handen zou gaan nemen en op mensen gaat schieten en vooral niet vertrouwde op de werkzaamheden van politie en justitie. 25 maart 2016: [Betrokkene 1] zei tegen verdachte dat [slachtoffer feit 9] al zes maanden niet was gezien. Volgens het Gerecht was [betrokkene 1] dus kennelijk nog steeds op zoek naar [slachtoffer feit 9] en informeerde hij verdachte hierover. 31 maart 2016: Verdachte had nogmaals een gesprek met [medeverdachte 4]. Hierin gaf verdachte aan dat hij iets meer druk had uitgeoefend en dat de dingen serieus waren. Op de vraag van [medeverdachte 4] wie achter ‘dat ding’ zat verklaarde verdachte ‘N’. Verder gaf verdachte aan dat N en zijn vrouw over verdachte hebben verklaard. Hij zou hen bedreigd hebben. Tot slot zei verdachte tegen [medeverdachte 4]: ‘God is groot.. maar zet gas onder dat ding. Ik bel je morgen om jou te zeggen wanneer je bij mij moet komen.. blijf rustig. Het duurt niet lang meer voordat het zover is, het duurt niet lang meer’. 31 maart 2016: Verdachte had een gesprek met [betrokkene 3]. Hierin gaf hij aan dat een persoon gewoon moest betalen wat hij verdachte verschuldigd was. Gelet op meerdere aangehaalde gesprekken leidt het Gerecht hieruit af dat het om [slachtoffer feit 9] gaat. [Slachtoffer feit 9] was hem immers geld verschuldigd. Verdachte: ‘hoe kan ik hem nou wat aandoen terwijl hij mij betalen moet? Ik kan hem niks aandoen. Hoe? De man is ziek, joh, zijn geweten daar heeft hij last van. Moet die Capo afmaken want hij is een ‘sapo’, haha. Dezelfde mensen die betrokken zijn bij al die moorden, gaven informatie dus natuurlijk gaan zijn die nu ver weg gooien, die stomme lokale politie, [slachtoffer feit 9] heeft zijn eigen kuil gegraven, let op hoe hij in zijn eigen kuil valt’. Tegen [bijnaam verdachte] wordt gezegd dat [slachtoffer feit 9] heeft verteld dat hij ervoor heeft gezorgd dat No Limit Soldiers Sint Maarten niet meer mag binnenkomen. [Bijnaam verdachte]: ‘ach bloed, ik maak me niet eens druk om dat geklets. De man leeft tussen No Limit Soldiers’. 7 april 2016: Verdachte had weer bezoek van [betrokkene 3] en [betrokkene 1]. Verdachte: ‘Maar je moet uitzoeken wie de kerel is die op [vriendin verdachte] geschoten heeft. Ik ga zijn hele familie vermoorden. Dit is geen spelletje. Ik zit in de gevangenis. Wat denkt Sint Maarten dan, dit is een heel andere aanpak. Ik zal ze verrassen [betrokkene 3]. Voor deze mensen heb ik een heel andere mentaliteit, het zal zijn oog om oog, tand om tand (het Gerecht begrijpt: de verantwoordelijken voor de moord op [vriendin verdachte] worden op dezelfde wijze getroffen en dat betekent dat ook zij vermoord moeten worden). Het zal vijfhonderd drie honderd… zal ik door het hoofd van deze man jagen. Het zal 500… dat ik op elk van hun zal zetten. Voor deze mensen heb ik geen gevoelens. [Betrokkene 3] je denkt dat het een spelletje is, maar wat de kerels hebben gedaan accepteer ik niet’. 9 april 2016: Verdachte: ‘Ik heb wel mensen. We hebben veel te doen. Ze gaan verliezen, zus, het is geen spelletje, het is mijn vrouw, mijn familie. 90 % kans dat de mensen die met mij gaan lopen klooien dood gaan’. 9 april 2016: verdachte belde met [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] vertelde tegen verdachte dat hij op het nieuws heeft gezien dat [slachtoffer feit 6] is beschoten op 8 april. 10 april 2016: [Betrokkene 6] was op bezoek geweest bij verdachte. Hierin gaf verdachte aan dat hij bij toeval hoorde dat [slachtoffer feit 6] was beschoten in Sint Maarten, een van de kerels/gozers met wie hij bonje heeft. Hij was beschoten op zijn verjaardag en dat was goed voor hem, aldus verdachte. Verdachte bidt al langer dat hij zou sterven. In het gesprek komt ook nog de volgende passage voorbij: ‘er is een die [slachtoffer feit 5] heet, die is gestorven. Ze hebben hem 7 januari doodgeschoten’. 10 april 2016: [Medeverdachte 1] had contact met PGP-account [PGP 4]. Dit betrof [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 3] geeft aan dat [slachtoffer feit 5] de opdrachtgever is om [vriendin verdachte] neer te knallen. Het is [slachtoffer feit 7] de broer van [betrokkene 4] die hiervoor heeft betaald (het Gerecht begrijpt: [slachtoffer feit 7] en [betrokkene 4]). [Slachtoffer feit 5], die in de buurt van [vriendin verdachte] woonde, zou hebben gebeld om haar te liquideren, op het moment dat zij thuis kwam. De kerel, vermoedelijk de schutter van [vriendin verdachte], zou hebben gepraat met de Franse politie, omdat [slachtoffer feit 5] niet betaald zou hebben aan hem. Hij zou tegenover de Franse politie verklaard hebben dat [slachtoffer feit 5] gebeld heeft voorafgaand aan de aanslag op [vriendin verdachte]. [Slachtoffer feit 7] en [slachtoffer feit 5] zouden vrienden van elkaar zijn. [Medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 3] of [slachtoffer feit 7] in de Point Blanche gevangenis zat, hetgeen werd bevestigd door [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 3] gaf verder aan dat werd gezegd dat C problemen heeft met [slachtoffer feit 7]. [Medeverdachte 1] gaf aan dat zij een kans moeten zoeken om hem daar binnen, in de gevangenis, te pakken te krijgen. [Medeverdachte 1]: ‘[Slachtoffer feit 7] zal het horen, hij krijgt de tering maar. Zometeen ziet hij de power’. 10 april 2016: [Medeverdachte 2] had via PGP-safe contact met [medeverdachte 3]. Hierin gaf hij aan dat ‘K’ in ‘Gada’ is en dat 4 keer is geraakt door een AK, op zijn verjaardag. Op 8 april 2016 is [slachtoffer feit 6] [slachtoffer feit 6] op zijn verjaardag daadwerkelijk beschoten en overgebracht naar een ziekenhuis in Guadaloupe. [Medeverdachte 3] gaf aan dat op straat werd verteld dat het lichaam van ‘K’ halfdood is, dat het niet zeker is of hij het zou redden en dat ‘[betrokkene 29]’ en een andere man het op hem hadden voorzien (‘roll on him’). Er wordt gezegd dat C (verdachte) heeft betaald om ‘[betrokkene 29]’ te laten ontsnappen. Verder gaf [medeverdachte 2] aan dat [medeverdachte 3] aan hun vriend moest vertellen dat zijn lichaam halfdood is en dat niemand hier van kan herstellen. Het is erger dan de dood. [Medeverdachte 3] neemt vervolgens contact op met [medeverdachte 1] en vertelt aan [medeverdachte 1] dat ‘K’ in kritieke toestand is en een deel van zijn lichaam al dood is. Hij is aa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.