Uitspraak van 21 januari 2025 BBZ nrs. CUR202402359, CUR202402360 en CUR202402471 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende] , gevestigd te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 30 juni 2021 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2019 opgelegd resulterende in een bedrag aan te betalen winstbelasting van NAf 6.
- Tegelijkertijd is een verzuimboete opgelegd van NAf
- 1.2 Aan belanghebbende is op 28 juni 2022 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2020 opgelegd resulterende in een bedrag aan te betalen winstbelasting van NAf 6.
- Tegelijkertijd is een verzuimboete opgelegd van NAf
- 1.3 Aan belanghebbende is op 29 juni 2023 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2021 opgelegd resulterende in een bedrag aan te betalen winstbelasting van NAf 6.
- Tegelijkertijd is een verzuimboete opgelegd van NAf 1.
- 1.4 Belanghebbende heeft op 29 augustus 2021
(2019), 6 juli 2023
(2020)en 14 juli 2023
(2021)bezwaar gemaakt. 1.5 De Inspecteur heeft op 18 juni 2024
(2019)en 26 april 2024
(2020)en 5 juni 2024
(2021)uitspraken op bezwaar gedaan en de naheffingsaanslagen en de boetes gehandhaafd. 1.6 Belanghebbende heeft op 1 juli 2024
(2019)en 23 juni 2024 (2020 en 2021) beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van tweemaal NAf 150 is, totaal, NAf
- 1.7 Belanghebbende heeft op 31 oktober 2014 (een) aanvullend stuk(ken) ingediend. 1.8 De Inspecteur heeft op 19 november 2024 een verweerschrift ingediend. Hierop heeft belanghebbende gereageerd op 27 november
- 1.9 Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnotitie (‘Mogelijk pleidooi’) voorgedragen en overgelegd aan de wederpartij en het Gerecht. 1.10 De zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2024 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen de heer [A] verbonden aan [Q] en [B]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [C] en [D]. 1.11 Kort na sluiting van de zitting heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021 vernietigd en de boete over het jaar 2020 verminderd van NAf 600 naar NAf
- 2FEITEN 2.1 Belanghebbende is opgericht op 12 januari 2011 met als doel het doen van uitkeringen uit haar vermogen aan zodanige instellingen en personen als het bestuur zal bepalen en het verschaffen van financiële bijstand aan die instellingen en personen door middel van leningen, het stellen van zekerheid, lijfrenteovereenkomsten en daarmee vergelijkbare regelingen. 2.2 De bestuursleden van belanghebbende zijn [S] en [W]. 2.3 Op 30 juni 2021 heeft de Inspecteur een taxatieve naheffingsaanslag winstbelasting 2019 opgelegd, alsmede een verzuimboete van NAf 300 (eerste verzuim). Op 22 juni 2024 heeft belanghebbende alsnog een (nihil)aangifte winstbelasting 2019 ingediend. Na sluiting van de zitting, op 2 december 2024, heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag winstbelasting 2019 vernietigd en de boete verminderd naar NAf
- 2.4 Op 28 juni 2022 heeft de Inspecteur een taxatieve naheffingsaanslag winstbelasting 2020 opgelegd, alsmede een verzuimboete van NAf 600 (tweede verzuim). Op 22 juni 2024 heeft belanghebbende alsnog een (nihil)aangifte winstbelasting 2020 ingediend. Na sluiting van de zitting, op 2 december 2024 heeft de Inspecteur na ontvangst van de jaarstukken over 2020, de naheffingsaanslag winstbelasting 2020 vernietigd. De ter zake opgelegde boete van NAf 600 is verminderd naar NAf
- 2.5 Op 29 juni 2023 heeft de Inspecteur een taxatieve naheffingsaanslag winstbelasting 2021 opgelegd, alsmede een verzuimboete van NAf 1.000 (derde verzuim). Op 22 juni 2024 heeft belanghebbende alsnog een (nihil)aangifte winstbelasting 2021 ingediend. Na sluiting van de zitting, op 2 december 2024 heeft de Inspecteur na ontvangst van de jaarstukken over 2021, de naheffingsaanslag winstbelasting 2021 vernietigd. De ter zake opgelegde boete van NAf 1.000 is in stand gebleven. 3GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN 3.1 Na vernietiging van de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021 zijn enkel boetes van NAf 250
(2019), NAf 500
(2020)en NAf 1.000
(2021)nog in geschil. Het betreffen verzuimboetes ter zake van het te laat doen van aangiften winstbelasting. 3.2 Belanghebbende is van mening dat geen boete kan worden opgelegd, omdat er geen aangifte gedaan hoeft te worden. Daarnaast meent belanghebbende dat artikel 18 en/of 19 ALL niet van toepassing is, en er ook om die reden geen boete kan worden opgelegd. Tot slot stelt belanghebbende dat vanwege een overschrijding van de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar moet worden gedaan, het bezwaar toegewezen had moeten worden. 3.3 De Inspecteur is van mening dat de boetes terecht zijn opgelegd en dat belanghebbende niet ontvankelijk is in haar bezwaar voor het jaar 2020, zodat er geen reden is voor een (verdere) vermindering. 4OVERWEGINGEN Ontvankelijkheid bezwaar 2020 4.1 Omdat de Inspecteur de ontvankelijkheid van het bezwaar ter discussie stelt, zal het Gerecht eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen. In artikel 29, lid 1 van de ALL is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een door de Inspecteur aan hem opgelegde belastingaanslag (in dit geval: de naheffingsaanslag), binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur. 4.2 De naheffingsaanslag winstbelasting 2020 is opgelegd met dagtekening 28 juni
- Belanghebbende heeft tegen deze belastingaanslag op 6 juli 2023 bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is derhalve buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend. Belanghebbende stelt evenwel dat dat zij eerst kennis heeft gekregen van de naheffingsaanslag winstbelasting 2020 in juni 2023, na ontvangst van een dwangschrift, gedagtekend 23 mei
- 4.3 De bezwaartermijn begint in beginsel te lopen op de dag na de dagtekening van de belastingaanslag of op de latere dag van bekendmaking. Bij verzending per post is van bekendmaking sprake als de belastingaanslag is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Indien de belastingplichtige het tijdstip van de verzending van de belastingaanslag (de bekendmaking) betwist, is het aan de Inspecteur om het tijdstip van de bekendmaking aannemelijk te maken. Indien de Inspecteur er niet in slaagt de verzending van de belastingaanslag aannemelijk te maken, is geen sprake van een op de voorgeschreven wijze bekendmaking van de belastingaanslag. In dat geval is de bekendmaking pas een feit als de belastingplichtige (of diens vertegenwoordiger) de belastingaanslag ontvangt of daarvan anderszins kennisneemt. Alsdan vangt de bezwaartermijn aan bij ontvangst of kennisneming van de belastingaanslag en blijft de bezwaartermijn twee maanden. 4.4 Belanghebbende heeft betwist de belastingaanslag uiterlijk op de datum waarop de uitspraken zijn gedagtekend, 28 juni 2022, te hebben ontvangen. Belanghebbende stelt dat hij de aanslagen pas in juni 2023 heeft ontvangen. Tegenover deze betwisting heeft de Inspecteur geen bewijs geleverd voor een bekendmaking op 28 juni 2022 (of eerder). De bezwaartermijn vangt op zijn vroegst aan op 23 mei 2023, het moment waarop belanghebbende kennelijk kennis kreeg van de naheffingsaanslag winstbelasting
- Indien die datum als aanvang van de bezwaartermijn wordt genomen vangt de bezwaartermijn aan op 23 mei 2023 en had belanghebbende twee maanden de tijd om bezwaar in te stellen, dus uiterlijk op 23 juli
- Nu belanghebbende op 6 juli 2023 bezwaar heeft gemaakt, moet het bezwaar tijdig en daarmee ontvankelijk worden geacht. Beroep tegen de naheffingsaanslagen 2019,2020 en 2021 4.
- De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen 2019, 2020 en 2021 vernietigd naar aanleiding van het door belanghebbende ingestelde beroep, alsmede de boete voor de jaren 2019 en 2020 respectievelijk verlaagd van NAf 300 naar NAf 250 en van NAf 600 naar NAf
- Daarmee is het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond. Beroep tegen de boetes 2019, 2020 en 2021 4.6 Belanghebbende is van mening dat de boetes van NAf 250
(2019), 500
(2020)en NAf 1.000
(2021)in verband met het te laat indienen van de aangiften winstbelasting 2019, 2020 en 2021 ten onrechte zijn opgelegd, omdat belanghebbende geen bedrijf uitoefent, geen activiteiten in het economische verkeer verricht en geen winstdoelstelling heeft, en dus ook niet de verplichting heeft om aangiften in te dienen. In dit verband verwijst belanghebbende naar artikel 1, lid 1, letter b en artikel 2, lid 1, letter h, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (hierna: Lv WB). 4.7 De Inspecteur is van mening dat belanghebbende de verplichting tot het indienen van aangiften wél had en te laat aangiften heeft gedaan. Omdat sprake is van een eerste
(2019), tweede
(2020)en een derde verzuim
(2021)is (na vermindering) een boete van NAf 250
(2019), NAf 500
(2020)en NAf 1.000
(2021)opgelegd. 4.
- Artikel 1, aanhef, alsmede lid 1, letter b van de Lv WB bepaalt: ‘
- Onder de naam van “winstbelasting” wordt een belasting geheven van: a. (…) b. binnen de Nederlandse Antillen [Gerecht: bedoeld zal zijn: Curaçao] gevestigde verenigingen, waarbij het kapitaal niet in aandelen is verdeeld, trusts, stichtingen particulier fonds en stichtingen uit bedrijven, andere dan die uitsluitend ter behartiging van een algemeen maatschappelijk belang; (…).’ 4.9 Artikel 2, aanhef, alsmede lid 1, letter h van de Lv WB bepaalt: ‘
- Van de belasting is vrijgesteld: a.-g. (…) h. de winst van een stichting die overeenkomstig haar statuten is ingericht als een particulier fonds, tenzij deze winst voortvloeit uit bedrijf; (…).’ 4.
- In artikel 1 van de Lv WB is derhalve bepaald wie subjectief belastingplichtig zijn. Onder die subjectief belastingplichtigen is mede geschaard: de stichting particulier fonds, zoals belanghebbende. In artikel 2 van de Lv WB is bepaald welke winsten en voordelen zijn vrijgesteld, waarbij het gaat om objectieve vrijstellingen. Onder letter h is bepaald dat de winst van de subjectieve belastingplichtige stichting particulier fonds is vrijgesteld indien die stichting particulier fonds niet een bedrijf uitoefent. 4.11 Het belang van het subjectief belastingplichtig zijn van een stichting particulier fonds vloeit ook duidelijk voort uit de parlementaire geschiedenis. Bij de introductie van de subjectieve belastingplicht van de stichting particulier fonds bij Landsverordening van 13 juni 2018, PB 2018, no. 30 heeft de wetgever als toelichting gegeven: ‘Een stichting particulier fonds is per abuis niet opgenomen. Immers. Het is wenselijk dat een stichting particulier fonds jaarlijks aangifte doet, enerzijds om te kunnen controleren of aan alle voorwaarden voor het niet verschuldigd zijn van winstbelasting wordt voldaan en anderzijds vanuit het oogpunt van transparantie ten behoeve van een mogelijk verzoek om inlichtingenuitwisseling. Deze omissie wordt in dit onderdeel hersteld.’ Uit de toelichting van de wetgever leidt het Gerecht af dat de wetgever nadrukkelijk beoogd heeft de stichting particulier fonds aan te merken als subjectief belastingplichtige, onder andere om zodoende een aangiftetoets te kunnen doen plaatsvinden. Aan de hand van de in te dienen aangifte wordt beoordeeld of de belastingplichtige in aanmerking komt voor een objectieve vrijstelling. 4.12 In haar reactie op het verweerschrift heeft belanghebbende verder nog aangevoerd dat op grond van het bepaalde in artikel 1, lid 1, letter b, Lv WB belanghebbende niet subjectief belastingplichtig is, onder verwijzing naar: ‘stichtingen particulier fonds en stichtingen uit bedrijven’. Naar het Gerecht begrijpt betoogt belanghebbende in deze dat ‘uit bedrijven’ mede ziet op ‘stichtingen particulier fonds’. 4.13 Naar het oordeel van het Gerecht is de interpretatie van belanghebbende onjuist en hoort ‘uit bedrijven’ exclusief bij ‘stichtingen’. De bedoelde categorie betreft derhalve ‘stichtingen uit bedrijven’. De zinsnede ’stichtingen uit bedrijven’ getuigt bepaalt niet van fraai taalgebruik – beter zou zijn: ‘stichtingen die een bedrijf of onderneming uitoefenen –, maar dit betekent zeker niet dat ‘uit bedrijven’ mede ziet op ‘stichtingen particulier fonds’. Zou dit wel het geval zijn dan verwordt artikel 2, lid 1, letter h, Lv WB tot een betekenisloze bepaling, omdat op grond van die bepaling dan de winst wordt vrijgesteld van een lichaam dat niet belastingplichtig is. Daarnaast zou de zienswijze van belanghebbende de parlementaire toelichting, opgenomen onder 4.11 zinledig maken. 4.14 Voorts is belanghebbende onder verwijzing naar artikel 18, lid 2 van de ALL van mening dat geen boete kan worden opgelegd, omdat uit genoemde bepaling zou blijken dat sprake zou moeten zijn van verschuldigdheid van belasting die op aangifte moet worden voldaan, wil de Inspecteur een boete kunnen opleggen. En er is in de jaren 2019, 2020 en 2021 geen belasting verschuldigd, aldus nog steeds belanghebbende. 4.15 Artikel 18, lid 2 van de ALL bepaalt: ‘
- Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste NAf 2.500,-- kan opleggen.’ 4.16 Naar het oordeel van het Gerecht is belanghebbendes interpretatie van artikel 18, lid 2 van de ALL niet juist. De zinsnede ‘belasting die op aangifte moet worden voldaan’ betekent niet dat er sprake dient te zijn van de verschuldigdheid van belasting, maar dat het bepaalde in artikel 18, lid 2 van de ALL ziet op de zogenaamde ‘aangiftebelastingen’, dit ter onderscheiding van de ‘aanslagbelastingen’ (artikel 18, lid 1 van de ALL). Een vergelijkbaar onderscheid tussen aangiftebelastingen en aanslagbelastingen wordt onder andere ook gemaakt in de artikelen 7 en 8 van de ALL en in Afdeling 2 (aanslagbelastingen) en Afdeling 3 (aangiftebelastingen) van de ALL. 4.17 In haar ‘Mogelijk pleidooi’ van 28 november 2024 heeft belanghebbende voorts nog aangevoerd dat artikel 19 ALL toepassing mist. Kennelijk doelt belanghebbende met haar betoog op het feit dat de Inspecteur in diens verweerschrift een aantal keren heeft verwezen naar artikel 19 ALL. 4.18 Voor zover de Inspecteur de boete al mede heeft opgelegd onder verwijzing van artikel 19 van de ALL zou dit niet juist zijn. Artikel 19 van de ALL ziet namelijk op betalingsverzuimen, terwijl de Inspecteur (uiteindelijk) de verzuimboetes heeft opgelegd ter zake van aangifteverzuimen (waarop artikel van de 18 ALL ziet). Artikel 19 van de ALL mist derhalve toepassing. 4.19 Belanghebbende heeft tot slot nog aangevoerd dat vanwege een overschrijding van de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar moet worden gedaan, het bezwaar toegewezen had moeten worden. Belanghebbende doelt in dit verband op het bepaalde in artikel 30, lid 2 van de ALL alwaar is bepaald dat een uitspraak geacht wordt niet tijdig te zijn gedaan indien de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak op bezwaar doet. 4.20 Het bezwaarschrift voor het jaar 2019 is bij de Inspecteur binnengekomen op 29 augustus 2021 en er is uitspraak gedaan door de Inspecteur op 18 juni april
- Het bezwaarschrift voor het jaar 2020 is bij de Inspecteur binnengekomen op 6 juli 2023 en er is uitspraak gedaan door de Inspecteur op 26 april
- Het bezwaarschrift voor het jaar 2021 is bij de Inspecteur binnengekomen op 14 juli 2023 en er is uitspraak gedaan door de Inspecteur op 5 juni
- Het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, zoals in de onderhavige gevallen, wordt gelijkgesteld met het doen van een uitspraak op bezwaar. Als gevolg van deze gelijkstelling wordt de belastingplichtige de gelegenheid geboden om beroep aan te tekenen tegen de weigering van de Inspecteur om tijdig uitspraak op bezwaar te doen. Anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt, betekent dit echter niet dat het bezwaar toegewezen dient te worden. 4.21 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot oordeel van het Gerecht dat belanghebbende wel degelijk de verplichting had tot het tijdig doen van aangiften winstbelasting voor de jaren 2019, 2020 en
- Belanghebbende heeft niet tijdig aangiften gedaan en is vanwege die gedragingen terecht beboet. Niet in geschil is dat sprake is van een eerste
(2019), tweede
(2020)en derde
(2021)verzuim. De door de Inspecteur opgelegde boete is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 18, lid 2 van de ALL juncto artikel 4.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. Het Gerecht oordeelt de boetes voorts passend en geboden en ziet dan ook geen reden om de boetes te verminderen. Slotsom beroep tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2019, 2020 en 2021 en de ter zake daarvan opgelegde boetes 4.22 Voor wat betreft de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021 moet het beroep gegrond worden verklaard, alsmede voor wat betreft de boetes voor de jaren 2019 en 2020 nu de Inspecteur (alsnog) heeft besloten de naheffingsaanslag 2019, 2020 en 2021 te vernietigen en boetes voor de jaren 2019 en 2020 te verminderen van respectievelijk NAf 300 naar NAf 250 en NAf 600 naar NAf 500. Voor zover het de boete voor het jaar 2021 betreft, moet het beroep ongegrond worden verklaard. 5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT Kosten bezwaarfase 5.1 Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet ingevolge artikel 32a, lid 2 ALL worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van
- de)vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. 5.2 Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten van bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Overigens heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Gerecht ook niet ernstig onzorgvuldig gehandeld. Kosten beroepsfase 5.3 Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 5.4 In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van
- de)proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127. 5.5 In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1). Griffierecht 5.6 Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 300 aan belanghebbende te vergoeden. 6DE BESLISSING Het Gerecht: verklaart het beroep voor zover het betreft de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021, alsmede voor wat betreft de boetes voor wat betreft de jaren 2019 en 2020 gegrond en voor zover het betreft de boete voor het jaar 2021 ongegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021 en de boetes voor de jaren 2019 en 2020 betreft; vernietigt de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021; vermindert de boete voor wat betreft het jaar 2019 van NAf 300 naar NAf 250 en voor wat betreft het jaar van NAf 600 naar NAf 500 en laat de boete voor wat betreft het jaar 2021 in stand; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van NAf 1.400; en draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 300 te vergoeden. Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 21 januari 2025, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc. De griffier, De rechter, Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden. HOGER BEROEP Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij: Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer) Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18 Willemstad Curaçao U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen: 1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener, b. de dagtekening, c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org. Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd: - natuurlijke personen: NAf 200 - personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500 Deze bepaling geldt ook voor de winstbelasting. Zie art. 4.4, lid 3. vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54.